Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7453

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
336757 CV EXPL 07-1122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stelplicht en bewijslast.

Eiser stelt dat hij in de jaren 1972 t/m 1975 telkens geldbedragen naar Turkije heeft overgemaakt (in totaal f2.432,00/€1.103,60, welke bedragen ten goede zijn gekomen van zijn broer en diens vrouw. Partijen zijn broers van elkaar en zijn van Turkse afkomst. Eiser stelt dat sprake was van een overeenkomst van geldlening en vordert terugbetaling. Naar zijn stelling is geen sprake van verjaring omdat hij de lening pas in november 2005 heeft opgezegd en de vordering dus toen pas opeisbaar is geworden. Partijen zeggen beiden dat zij zelf de bedragen hebben overgemaakt en beroepen zich op dezelfde stortingsbewijzen van de internationale postwissels. Eiser biedt slechts te bewijzen dat hijzelf de stortingen heeft verricht. Kantonrechter is van oordeel dat ook indien komt vast te staan dat eiser zelf de stortingen heeft verricht, daarmee nog niet is bewezen dat sprake was van een overeenkomst van geldlening. Daarom passeert de kantonrechter, mede gelet op het grote tijdsverloop sedert de stortingen, het bewijsaanbod en wijst hij de vordering onmiddellijk af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 336757 CV EXPL 07-1122

datum uitspraak: 13 juni 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [adres]

eisende partij

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. W.T. Doyer

tegen

[gedaagde]

te [adres]

gedaagde partij

hierna te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. P.H. van Dijck

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 26 januari 2007, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de door de kantonrechter tussen partijen gegeven en op 21 maart 2007 uitgesproken rolbeschikking,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

Vonnis is bepaald op heden.

De feiten

[eiser] en [gedaagde] zijn broers van elkaar.

In de periode van 1972 tot en met 1975 zijn, telkens met gebruikmaking van internationale postwissels, de navolgende bedragen overgemaakt van Nederland naar Turkije: ƒ900,00, ƒ232,00, ƒ200,00, ƒ100,00, ƒ400,00 en ƒ600,00 = totaal ƒ2.432,00 (€ 1.103,60).

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.103,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2005.

[eiser] baseert deze vordering op de vaststaande feiten en op het volgende.

[eiser] heeft de onder de feiten genoemde geldbedragen aan [gedaagde] uitgeleend. Die bedragen zijn ook door [eiser] gestort, namelijk tweemaal ten gunste van [gedaagde] en viermaal ten gunste van [betrokkene], de echtgenote van [gedaagde]. De uitgeleende gelden zijn nimmer door [gedaagde] terugbetaald.

De vordering is niet verjaard nu tussen partijen geen datum van opeisbaarheid is overeengekomen en [eiser] de overeenkomst bij brief van 17 november 2005 de lening heeft opgezegd en terugbetaling heeft verzocht.

[gedaagde] heeft, ondanks aanmaning, niet aan zijn betalingsverplichting voldaan.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan. Tussen hem en [eiser] is geen overeenkomst tot geldlening gesloten. De onder de feiten genoemde bedragen zijn door [gedaagde] zelf gestort, te weten: tweemaal ten gunste van hemzelf en viermaal ten gunste van zijn echtgenote. [gedaagde] is derhalve niets aan [eiser] verschuldigd. Ook overigens is, voor zover komt vast te staan dat [eiser] een vordering op [gedaagde] heeft, de vordering verjaard nu de termijn genoemd in artikel 3:307 lid2 BW is verlopen.

Tevens doet [gedaagde] een beroep op de vernietigbaarheid van de vermeende overeenkomst tot geldlening wegens (o.m.) bedrog, dwaling, bedreiging en/of misbruik van omstandigheden ex artikel 3:51 lid 3 BW.

De beoordeling van het geschil

Voor alles moet komen vast te staan of sprake is van een overeenkomst tot geldlening.

De stellingen van beide partijen staan lijnrecht tegen over elkaar. [eiser] stelt dat in dat verband híj de onder de feiten genoemde bedragen heeft gestort ten gunste van [gedaagde] en/of diens echtgenote, terwijl [gedaagde] stelt dat híj die bedragen heeft gestort en dat er geen sprake is van een overeenkomst tot geldlening.

[eiser] beroept zich op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde overeenkomst tot geldlening, zodat hij, op grond van het bepaalde bij artikel 150 Rv, de bewijslast draagt van die overeenkomst, nu gesteld noch gebleken is dat uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

[eiser] heeft aangeboden te bewijzen dat hij de stortingen heeft gedaan en komt dan tot de slotsom dat dit samen met de schriftelijke stortingsbewijzen het bewijs oplevert van de overeenkomst tot geldlening.

Uit de in het geding gebrachte stortingsbewijzen blijkt op geen enkele wijze wie de stortingen heeft gedaan en ook niet dat die stortingen zijn gedaan uit hoofde van een overeenkomst tot geldlening.

Het enkele feit dat, zoals [eiser] te bewijzen heeft aangeboden, [eiser] zelf de stortingen heeft gedaan kan naar het oordeel van de kantonrechter niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een overeenkomst tot geldlening en dus ook niet tot toewijzing van de vordering.

Het had op de weg van [eiser] gelegen om, mede gelet op het grote tijdsverloop sedert de tijdstippen waarop de bedragen naar Turkije zijn overgemaakt, meer concrete feiten en/ omstandigheden te bewijzen aan te bieden die, indien bewezen, wel de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een overeenkomst tot geldlening.

Nu [eiser] dat niet heeft gedaan en de door hem wel te bewijzen aangeboden feiten niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden, gaat de kantonrechter aan het gedane bewijsaanbod voorbij.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de gestelde overeenkomst tot geldlening niet is komen vast te staan. Daardoor komt aan de vordering de grondslag te ontvallen en zal zij moeten worden afgewezen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op €200,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.