Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7347

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
07-1348 en 07-1455
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de weigering om standplaats in te nemen gebaseerd op zijn standplaatsenbeleid. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder concluderen dat het innemen van een plek met een kiosk niet is aan te merken als het innemen van een standplaats in de zin van de APV met als gevolg dat hiervoor geen standplaatsvergunning kan worden verleend. Er zijn geen redenen die nopen tot afwijking van het beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 1348 en AWB 07 - 1455

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 mei 2007

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. drs Keijzer, advocaat te Purmerend,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2006, verzonden op 2 januari 2007, heeft verweerder geweigerd aan eiseres een standplaatsvergunning te verlenen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 februari 2007 bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is aangevuld bij brieven van 8 februari 2007 en 22 februari 2007.

Bij brief van 19 februari 2007 heeft verweerder dit bezwaarschrift overeenkomstig het verzoek van eiseres met toepassing van artikel 7:1a, derde en vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

Bij brief van 22 februari 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 3 april 2007, alwaar eiseres - vergezeld van haar echtgenoot - in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Correia-Goede, werkzaam bij de gemeente Purmerend.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen een nadere motivering van de beroepsgronden in het geding te brengen.

Bij brief van 10 april 2007 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft bij brief van 18 april 2007 gereageerd op deze nadere gronden.

Nu partijen hiervoor toestemming hebben gegeven, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat een hernieuwd onderzoek ter zitting achterwege blijft. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat zich geen wettelijke weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 7:1a, tweede lid, Awb en de voorzieningenrechter is van oordeel dat onderhavige zaak geschikt is voor rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter.

2.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres een spoedeisend belang heeft, nu op basis van de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat verweerder in verband met de weigering om een standplaatsvergunning te verlenen voornemens is handhavend op te treden. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit inzake de weigering van een standplaatsvergunning te schorsen.

2.3 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

Ingevolge artikel 93, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening (APV) - voor zover hier van belang - is het verboden om zonder vergunning van verweerder op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke plaats met een kraam een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel zaken te koop aan te bieden dan wel diensten aan te bieden.

Ingevolge het vierde lid, onder b, van artikel 93 APV kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

2.4 Bij besluit van 2 januari 1996 heeft verweerder de 'Notitie Standplaatsenbeleid' vastgesteld, welke in werking is getreden op 1 februari 1996. In dit beleid is vastgesteld dat het bij een standplaats moet gaan om tijdelijk gebruik van de openbare weg omdat het ambulante handel betreft. Indien een standplaatshouder gebruik maakt van een kiosk en de standplaats 's nachts niet meer ontruimd wordt, is er volgens verweerder geen sprake meer van ambulante handel, maar van sedentaire handel. Besloten is daarom dat geen standplaatsvergunning meer verleend zal worden voor het innemen van een standplaats met een kiosk, dan wel een ander permanent gebouw. Voor de vergunninghouders die ten tijde van de vaststelling van dit beleid reeds een standplaats hadden ingenomen met een kiosk - zoals eiseres, die reeds vanaf 1980 een snackkiosk exploiteerde - voorziet het beleid in een overgangsregeling. Op grond hiervan heeft eiseres gedurende 10 jaar na inwerkingtreding van het beleid het recht om bij ongewijzigde omstandigheden de exploitatie van de kiosk voort te zetten. De voorzieningenrechter acht dit beleid, waarin invulling wordt gegeven aan de definitie van standplaats, niet kennelijk onredelijk. De uitleg van het begrip standplaats strookt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de tekst en strekking van de APV.

2.5 Bij besluit van 15 mei 1996 heeft verweerder vervolgens een vergunning voor het innemen van een standplaats aan de [straatnaam] te Purmerend aan eiseres verleend. Onder toezending van de 'Notitie Standplaatsenbeleid' heeft verweerder eiseres in dit besluit in kennis gesteld van het nieuwe beleid en van het feit dat eiseres tot 1 februari 2006 onder het overgangsrecht valt. Hiertegen heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de ter zitting door eiseres geponeerde stelling dat zij destijds wel degelijk bezwaar heeft gemaakt. In het dossier is geen bezwaarschrift aanwezig, verweerder heeft nimmer een besluit op dit bezwaarschrift genomen en evenmin heeft eiseres een bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar ingediend.

2.6 In het besluit van 15 mei 2000 waarin aan eiseres wederom een tijdelijke standplaatsvergunning is verleend, is nogmaals melding gemaakt van het overgangsrecht. Ook tegen dit besluit is eiseres niet opgekomen. Omdat de periode van het overgangsrecht inmiddels ruimschoots was verstreken en verweerder bovendien is gebleken dat de kiosk voor de nodige overlast in de wijk zorgt, heeft verweerder de nieuwe aanvraag van eiseres om een standplaatsvergunning bij besluit van 20 december 2006 afgewezen.

2.7 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder de weigering van de standplaatsvergunning heeft gebaseerd op het in 1996 in werking getreden standplaatsenbeleid zoals neergelegd in de 'Notitie Standplaatsenbeleid' en niet - zoals eiseres meent - op artikel 93 APV. Zoals voortvloeit uit het overwogene onder 2.4 kan verweerder zich bij zijn besluitvorming op dit beleid baseren. Verweerder kon dan ook concluderen dat het innemen van een plek met de kiosk door eiseres niet is aan te merken als het innemen van een standplaats in de zin van de APV met als gevolg dat hiervoor geen standplaatsvergunning kan worden verleend.

2.8 Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder genoegzaam heeft gemotiveerd dat er geen redenen zijn die nopen tot afwijking van het beleid. De voorzieningenrechter deelt verweerders standpunt dat toepassing van het beleid voor eiseres geen onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot het met het beleid te dienen doelen. In dit verband acht de voorzieningenrechter met name van belang dat verweerder bij de totstandkoming van het beleid juist uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de situatie van eiseres, hetgeen ertoe heeft geleid dat hierin voor eiseres een afzonderlijke regeling is opgenomen waarin een overgangsperiode van 10 jaar is vastgesteld. Eiseres heeft gedurende deze overgangsperiode de gelegenheid gehad zich voor te bereiden op de nieuwe situatie, waarbij verweerder ook heeft gewezen op de mogelijkheid om met een mobiele verkoopwagen elders in de gemeente standplaats in te nemen. Dat eiseres desondanks geen maatregelen heeft genomen, komt voor haar risico. Voor het toekennen van een schadevergoeding, zoals eiseres heeft gevraagd, ziet de voorzieningenrechter derhalve evenmin aanleiding.

2.9 Verweerder heeft volledigheidshalve in zijn besluit overwogen dat een aanvraag om een standplaatsvergunning voor een mobiele verkoopwagen op de locatie aan de [straatnaam] niet mogelijk zal zijn vanwege de door de aanwezigheid van de kiosk veroorzaakte overlast. Eiseres heeft dit argument gemotiveerd betwist middels onder meer overlegging van een handtekeningenlijst. Omdat deze overweging van verweerder niet ten grondslag ligt aan de weigering van de standplaatsenvergunning en pas aan de orde zal komen in geval eiseres een aanvraag indient voor een standplaatsenvergunning met een mobiele wagen aan de [straatnaam], behoeft dit punt hier geen bespreking.

2.10 Gelet op bovenstaande is het beroep ongegrond. Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het desbetreffende verzoek wordt derhalve afgewezen.

2.11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en op 23 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.