Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7339

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
125119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vriendin van de erflater vordert afgifte van legaat. Legaat van huur van een woning tegen inbreng van een in het testament omschreven huursom is mogelijk op grond van artikel 4:117 lid 1 BW. De vordering tot afgifte van het legaat wordt afgewezen, omdat de aangeboden huursom te laag is. De zoon tevens enig erfgenaam van de erflater dient de kosten van de uitvaart aan de vriendin van de erflater te vergoeden. Op grond van de redelijkheid en billijkheid dient de zoon een DVD en een geluidsopname aan de vriendin af te geven. Vordering tot afgifte van een gouden zegelring van de erflater aan de zoon wordt afgewezen, omdat de vriendin op grond van artikel 3:119 BW als bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 125119 / HA ZA 06-778

Vonnis van 13 juni 2007

in de zaak van

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. H.P. Abma,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. P.A. Montagne-Helmig,

advocaat mr. A. Helmig te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van 19 oktober 2006

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 26 december 2005 is overleden F.F. [naam] (verder: erflater). Erlater was op dat moment gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met C.P. [naam] (verder: [mevrouw P.]). Erflater is de vader van gedaagde. Erflater had een relatie met [eiseres].

2.2. In het testament van erflater dat op 19 december 2005 is verleden voor notaris Rietbergen te Beemster is onder meer het volgende opgenomen:

“B. ONTERVING

Ik sluit mijn huidige echtgenote (...) uit als erfgename van mijn nalatenschap

(...).

C. ERFSTELLING

Ik benoem mijn zoon de heer [GEDAAGDE], (...) tot enige erfgenaam van mijn nalatenschap

D. LEGATEN

1. Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, af te geven/te leveren zo spoedig mogelijk na mijn overlijden aan mijn vriendin mevrouw [EISERES], (...), [adres], [postcode] [woonplaats], doch feitelijk verblijfhoudende op het bovenvermelde [adres], [postcode] [woonplaats], met wie ik een gemeenschappelijke huishouding voer en met wie ik blijkens akte op heden verleden voor ondergetekende notaris, een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst ben aangegaan: het recht om de woning met aanhorigheden Reigerpark 70, 1444 AC Purmerend, alsmede de zich daarin thans bevindende boedel, te huren voor onbepaalde tijd, tegen een huursom per maand, welke huursom omgeslagen naar een maandbedrag, gelijk is aan de kosten (rentelasten) van de huidige hypothecaire schuld ter zake van gemelde woning, de eigenaarslasten, en de kosten van groot- en klein onderhoud van de woning [adres] met aanhorigheden, en overigens onder de voor een dergelijke huur gebruikelijke condities.

(...)

H. OPDRACHT AAN ERFGENAAM/EXECUTEUR

Ik draag aan mijn erfgenaam/executeur op om de door mijn overlijden te ontbinden huwelijksgoederengemeenschap (...) indien mogelijk zodanig te verdelen dat de woning met aanhorigheden [adres](...) worden toebedeeld en geleverd aan mijn genoemde zoon.”

2.3. [gedaagde] is enig erfgenaam van erflater.

2.4. Ten tijde van het overlijden van erflater en daarna verbleef [eiseres] in de woning [adres]te [woonplaats] (verder: de woning). Toen [eiseres] op 20 januari 2006 aankwam bij de woning waren er verschillende personen, waaronder [mevrouw P.], aanwezig in deze woning. Na bemiddeling door de politie is [eiseres] weggegaan bij de woning. Zij is niet meer in de woning teruggekeerd.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiseres] vordert na vermeerdering, wijziging en vermindering van haar eis [gedaagde] te veroordelen tot:

1. afgifte aan haar van het legaat van huur van het perceel [adres]te [woonplaats] door dat woonhuis c.a. ten titel van huur aan haar ter beschikking te stellen tegen een huurprijs van EUR 900,17 per maand en indien dit legaat niet binnen twee maanden voor de uitspraak is afgegeven, [gedaagde] te veroordelen om in de plaats van dit legaat ten titel van schadeloosstelling aan haar te betalen het bedrag van EUR 109.989,91, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2006,

2. tot betaling aan haar van EUR 5.692,55 voor uitvaartkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2006 en tot betaling aan haar van EUR 1.523,20 ter zake van de kosten van waardering van het legaat.

3. tot afgifte van een kopie van de DVD-vakantiefilm USA februari/maart 2005 van eiseres met F.F. [naam] en een geluidsopname van de crematieplechtigheid onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,00 per dag indien en voor zover [gedaagde] na verloop van twee weken na betekening van het vonnis nalaat aan de veroordeling tot afgifte te voldoen,

Alles uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4. Het verweer in conventie

4.1. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat een huurrecht niet kan worden gelegateerd, omdat het niet tot het vermogen van de erflater behoort. Daarnaast heeft [mevrouw P.] een verzoek op grond van artikel 4:29 BW gedaan, waarmee zij een recht van vruchtgebruik krijgt op de woning. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De vordering in reconventie

5.1. [gedaagde] vordert, na vermindering van zijn eis, veroordeling van [eiseres] tot teruggave van een gouden zegelring. Volgens [gedaagde] is deze zegelring een familiestuk en heeft zijn vader deze ring aan hem beloofd.

6. Het verweer in reconventie

6.1. Volgens [eiseres] heeft erflater de gouden zegelring ongeveer een week voor zijn overlijden aan haar geschonken.

7. De beoordeling

in conventie

Het legaat

7.1. [eiseres] vordert afgifte van het legaat van huur van de woning tegen een huurprijs van EUR 900,17 per maand.

7.2. [gedaagde] voert hiertegen aan dat een huurrecht niet gelegateerd kan worden, omdat het huurrecht niet behoort tot het vermogen van de legataris. Dit standpunt van [gedaagde] is onjuist. Volgens artikel 4: 117 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is een legaat een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toekent. Niet valt in te zien dat dit vorderingsrecht geen recht van huur zou kunnen zijn van een woning welke tot de nalatenschap behoort. Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat het aan [eiseres] gelegateerde huurrecht niet tot de nalatenschap behoort en het legaat daarmee op grond van artikel 4:49 lid 1 BW is vervallen, geldt het volgende. Het huurrecht van de woning behoort althans ten dele niet tot de nalatenschap aangezien de woning tot de huwelijksgoederengemeenschap van erflater en [mevrouw P.] behoorde. Op grond van artikel 4:49 lid 1 BW vervalt het legaat desondanks niet wanneer uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild. In het onderhavige geval is daarvan sprake. In het testament, dat een week voor het overlijden van de erflater is opgemaakt, geeft erflater aan dat hij met [eiseres] een gezamenlijke huishouding voert en dat hij met haar op dezelfde dag als waarop het testament is verleden een samenlevingsovereenkomst is aangegaan. In het testament en met name in de samenlevingsovereenkomst wordt aangegeven dat erflater en [eiseres] samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren in de woning aan [adres] te [woonplaats]. Voorts heeft erflater in het testament zijn echtgenote onterfd en heeft hij [gedaagde] als erfgenaam/executeur opgedragen de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zodanig te verdelen dat de woning wordt toebedeeld en geleverd aan [gedaagde]. Op grond van deze omstandigheden kan uit het testament worden afgeleid dat erflater het legaat ook zou hebben gewild indien hij zich zou hebben gerealiseerd dat het huurrecht bij zijn overlijden ten dele niet tot de nalatenschap zou behoren.

7.3. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [mevrouw P.], als langstlevende echtgenoot, een verzoek als bedoeld in artikel 4:29 BW heeft gedaan waardoor feitelijke afgifte van het legaat niet mogelijk is. [eiseres] heeft betwist dat [mevrouw P.] recht heeft op vruchtgebruik van de woning op grond van deze bepaling, omdat zij ten tijde van het overlijden van de erflater niet woonachtig was in de woning. [gedaagde] heeft bevestigd dat er (nog) geen recht van vruchtgebruik op de woning rust ten gunste van [mevrouw P.]. Nu [gedaagde] hieromtrent ook niets anders heeft gesteld moet ervan uitgegaan worden dat de woning valt in de niet verdeelde huwelijksgoederengemeenschap, dat de woning voor de helft behoort tot de niet verdeelde nalatenschap van erflater en voor de helft eigendom is van [mevrouw P.] als langstlevende echtgenoot, en dat er geen rechthebbende is op het gebruik van de woning. Op grond van artikel 4:51 lid 1 BW kan [eiseres] onder deze omstandigheden het recht van huur van de woning van [gedaagde] als enig erfgenaam vorderen. Voor zover het gebruik van de woning bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan [mevrouw P.] zou zijn toebedeeld, zou [gedaagde] kunnen volstaan met uitkering van de waarde van het huurrecht aan [eiseres]. [gedaagde] heeft echter niet gesteld dat het gebruik van de woning is toegevallen aan [mevrouw P.]. Verder is er geen recht op vruchtgebruik op de woning gevestigd ten gunste van [mevrouw P.]. Er zijn derhalve geen belemmeringen die in de weg staan aan afgifte aan [eiseres] van het legaat in de vorm van verlening van een huurrecht op de woning.

7.4. Het legaat aan [eiseres] is een legaat tegen inbreng door [eiseres] van een maandelijkse huursom. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [eiseres] aangeboden huursom niet in overeenstemming is met het testament. Volgens [gedaagde] dient de huursom EUR 3.875,37 per maand te bedragen. Het testament van de erflater bepaalt dat de huursom omgeslagen naar een maandbedrag, gelijk is aan de kosten (rentelasten) van de huidige hypothecaire schuld ter zake van gemelde woning, de eigenaarslasten, en de kosten van groot- en klein onderhoud van de woning. In bijlage 6 bij de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] een onderbouwing gegeven van de maandelijkse huursom die volgens hem zou moeten worden betaald door [eiseres]. Op haar beurt heeft [eiseres] een rapport d.d. 5 december 2006 overgelegd van A.G.M. [naam] (verder: [de makelaar]), werkzaam bij makelaarskantoor Kuijs Reinder Kakes. De rechtbank beschikt hiermee over voldoende gegevens om een beslissing te kunnen nemen omtrent de huursom, zodat de inschakeling van een onafhankelijke deskundige niet nodig is.

7.5. [gedaagde] heeft met stukken onderbouwd en onbetwist gesteld dat de kosten (rentelasten) van de hypothecaire schuld ter zake van de woning EUR 8.258,76 per jaar bedragen. De overige door [gedaagde] opgevoerde posten (verhoging hypotheek, inkomstenbelasting en gemist rendement) kunnen niet bij de bepaling van de huursom in aanmerking worden genomen, omdat dit geen rentelasten zijn van de huidige (waaronder moet worden verstaan: ten tijde van het overlijden van erflater) hypothecaire schuld van de woning.

7.6. Als jaarlijkse eigenaarslasten neemt de rechtbank op basis van door partijen overgelegde opstellingen aan:

opstalverzekering EUR 300,65

kosten inboedel EUR 960,00

WOZ-eigenaarsdeel EUR 469,89

rioolbelasting EUR 56,00

waterschapsbelasting eigenaarsdeel EUR 256,68

De totale kosten zijn derhalve EUR 2.043,22

Een feit van algemene bekendheid is dat afvalstoffenheffing ingeval van huur door de gebruiker en niet door de eigenaar van de woning wordt betaald, zodat deze kosten niet als eigenaarslast in aanmerking kunnen worden genomen. Ook van de waterschapsbelasting kan alleen het eigenaarsdeel in aanmerking worden genomen. Het door [de makelaar] daarvoor opgevoerde bedrag is door [gedaagde] niet bestreden, zodat van de opgave van [de makelaar] wordt uitgegaan. Voor de kosten van de inboedel wordt aangesloten bij de onderbouwde opgave van [de makelaar] welke door [gedaagde] onvoldoende is bestreden.

7.7. Voor wat betreft de kosten van groot- en klein onderhoud van de woning voert [de makelaar] een bedrag op van EUR 500,00 per jaar voor klein onderhoud. [gedaagde] heeft dit bedrag bestreden en noemt zelf een bedrag van EUR 7.000,00 per jaar voor klein onderhoud en reservering voor groot onderhoud. Het door [de makelaar] genoemde bedrag is te laag. [de makelaar] gaat er immers van uit dat de huurder zelf ook klein onderhoud kan plegen. Echter ten onrechte, omdat het gaat om de bepaling van de kosten van onderhoud die op de eigenaar als verhuurder van de woning rusten. [gedaagde] heeft gesteld dat sprake is van achterstallig onderhoud. [de makelaar] heeft dit bevestigd en [eiseres] heeft evenmin bestreden dat sprake is van achterstallig onderhoud aan de woning. De rechtbank neemt dan ook aan dat er kosten moeten worden gemaakt voor achterstallig onderhoud en bepaalt de kosten van groot- en klein onderhoud daarom op de door [gedaagde] voorgestelde 1% van de waarde van de woning per jaar. Als waarde van de woning gaat de rechtbank dan uit van de waardebepaling door [de makelaar] van EUR 575.000,00. Deze waarde wijkt nauwelijks af van de door [gedaagde] geschatte WOZ-waarde per datum overlijden van de erflater. De kosten van groot- en klein onderhoud bedragen dan EUR 5.750,00 per jaar.

7.8. Op grond van het voorgaande bedragen de jaarlijkse kosten (rentelasten) van de huidige hypothecaire schuld ter zake van gemelde woning, de eigenaarslasten, en de kosten van groot- en klein onderhoud van de woning: EUR 8.258,76 + EUR 2.043,22 + EUR 5.750,00 = EUR 16.051,98 per jaar. De door [eiseres] te betalen huursom voor de woning bedraagt derhalve EUR 1.337,67 per maand.

7.9. [eiseres] vordert afgifte legaat tegen betaling EUR 900,17. Aangezien deze huursom te laag is, zal de vordering van [eiseres] tot afgifte van het legaat worden afgewezen. Omdat de vordering tot afgifte van het legaat wordt afgewezen, zullen ook de kosten gemaakt voor de waardering van het legaat worden afgewezen.

7.10. Aangezien partijen ernstig van mening verschillen over de bepaling van de waarde van het legaat merkt de rechtbank op dit punt ten overvloede nog het volgende op. Wanneer [eiseres] afgifte zou vorderen van het legaat tegen een huursom van EUR 1.337,67 per maand en [gedaagde] niet bereid of in staat zou zijn tot afgifte van het legaat, is [gedaagde] gehouden de waarde van het legaat aan [eiseres] te vergoeden. De waarde van dit legaat kan bij kapitalisatie worden bepaald op 10 maal het verschil tussen de jaarlijkse huurwaarde van de woning en de jaarlijkse huursom die [eiseres] op basis van het testament zou hebben moeten betalen. Bij deze kapitalisatiefactor wordt aangenomen dat [eiseres] nog dertien jaar gebruik zou hebben gemaakt van het huurrecht en wordt uitgegaan van een rentepercentage van 4%. De huurwaarde van de woning kan op basis van het rapport van [de makelaar] worden bepaald op 5% van de waarde van de woning. [gedaagde] heeft dit niet bestreden. Voor de waarde van de woning wordt zoals eerder aangegeven uitgegaan van een waarde van EUR 575.000,00, zodat de huurwaarde per jaar EUR 28.750,00 bedraagt. De huursom op basis van het testament bedraagt EUR 16.051,98 per jaar. Aldus berekend zou de gekapitaliseerde waarde van het legaat uit[de makelaar] op EUR 126.980,20.

De kosten van de uitvaart

7.11. Op grond van artikel 4:7 lid 1 onder b BW [de makelaar] de kosten van lijkbezorging ten laste van de nalatenschap. [eiseres] heeft gesteld dat zij de uitvaart heeft geregeld, zij zich tegenover de uitvaartverzorger heeft verplicht de kosten van de uitvaart te voldoen en zij deze kosten ook daadwerkelijk afbetaald. [gedaagde] heeft dit onvoldoende weersproken. Evenmin heeft [gedaagde] zich beroepen op een van artikel 4:7 lid 1 onder b BW afwijkende afspraak met [eiseres] over de kosten van de uitvaart. [gedaagde] heeft zich bereid verklaard de kosten van de uitvaart aan [eiseres] te vergoeden op voorwaarde dat [eiseres] aan hem de as van erflater en de gouden zegelring afgeeft. Een rechtsgrond voor deze voorwaarden is er echter niet. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] de gevorderde kosten van de uitvaart aan [eiseres] dient te betalen. [gedaagde] heeft de hoogte van de kosten en de gevorderde wettelijke rente niet bestreden.

De film en de geluidsopname

7.12. [eiseres] vordert afgifte van een kopie van een vakantiefilm van haar met erflater en een geluidsopname van de crematieplechtigheid. [gedaagde] is niet bereid de gevraagde kopieën te verstrekken. [gedaagde] verwijst daarbij naar al hetgeen er tussen partijen is voorgevallen. [eiseres] heeft een bijzonder belang bij het verkrijgen van een kopie van de film en de geluidsopname gelet op de emotionele waarde die deze opnamen voor haar hebben. Voor [gedaagde] is het een geringe moeite kopieën te maken en aan [eiseres] te doen toe[de makelaar]. De weerzin die [gedaagde] heeft in de ontstane conflictsituatie om iets voor [eiseres] te moeten doen, legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang van [eiseres]. Op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid is [gedaagde] gehouden de gevraagde kopieën aan [eiseres] af te geven. De gevorderde dwangsom, die [gedaagde] niet heeft bestreden, zal de rechtbank matigen en maximeren.

in reconventie

7.13. Met betrekking tot de gouden zegelring geldt het volgende. [eiseres] heeft gesteld dat zij de ring in bezit heeft. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Op grond van artikel 3:119 BW wordt de bezitter van een goed vermoed de rechthebbende te zijn. Het is derhalve aan [gedaagde] te stellen en zonodig te bewijzen dat de gouden zegelring tot de nalatenschap behoort. [eiseres] heeft naar voren heeft gebracht dat de erflater de gouden zegelring kort voor zijn overlijden aan haar heeft geschonken. In dit licht hiervan heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld om te worden toegelaten tot het leveren van bewijs dat de gouden zegelring tot de nalatenschap van de erflater behoort. [gedaagde] heeft immers niet meer gesteld dan dat de gouden zegelring een familiestuk is en dat de ring door de erflater aan hem was beloofd. Ook wanneer deze stelling van [gedaagde] zou [de makelaar] vast te staan, kan dat niet leiden tot de conclusie dat de gouden zegelring tot de nalatenschap van de erflater behoort. De vordering tot teruggave van de gouden zegelring wordt dan ook afgewezen.

in conventie en in reconventie

7.14. Gelet op de relatie tussen partijen en gelet op het feit dat elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 5.692,55 (vijfduizend zeshonderd tweeënnegentig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 oktober 2006,

8.2. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiseres] van een kopie van de DVD-vakantiefilm USA februari/maart 2005 van [eiseres] met F.F. [gedaagde] en een kopie van een geluidsopname van de crematieplechtigheid binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis,

8.3. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 8.2 bepaalde een dwangsom verbeurt van EUR 100,00 per dag tot een maximum van EUR 10.000,00,

8.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

8.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.7. wijst de vorderingen af,

8.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. van Brussel en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2007.?