Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7293

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
06/3985
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5673, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB. De uitspraak op bezwaar was niet gegrond vanwege aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, maar vanwege het gebruik door verweerder van een discretionaire bevoegdheid om de boete oplegging vanwege bijzondere omstandigheden, of wel coulance, achterwege te laten. Geen toekenning proceskosten bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3985

Uitspraakdatum: 29 mei 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, te P, verweerder.

tegen de uitspraak van verweerder van 10 februari 2006 op het bezwaar van 7 december 2005 tegen de hem met dagtekening 24 november 2005 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting over het derde kwartaal 2005 van € 1.773 met nummer 0000.0000.000A.00.0000.

Het beroep is behandeld op 22 mei 2007 te Haarlem, waar namens A is verschenen. Namens verweerder zijn B, C en D verschenen.

Geschil

In geschil is of verweerder aan eiseres:

(i) terecht een naheffingsaanslag loonbelasting heeft opgelegd, en

(ii) een kostenvergoeding voor de bezwaarfase had moeten toekennen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Op 31 oktober 2005 heeft gemachtigde namens eiseres een totaalbedrag van € 4.666 overgemaakt onder vermelding van de omschrijving 0000.00.000.l00.00.000 e 1773 en 0000.00.000.b00.0000 e 2893.

2. Op 24 november 2005 is een naheffingsaanslag loonbelasting met boete over het derde kwartaal 2005 opgelegd.

3. Het ontvangen bedrag van € 1.773 heeft verweerder op 5 december 2005 deels, voor € 22, toegerekend aan een nog openstaande aanslag vennootschapsbelasting ten name van eiseres en deels, voor € 1.751, teruggestort op de rekening van eiseres.

4. Bij het bezwaar tegen de onder 2. opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting met boete heeft de gemachtigde verzocht om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten.

5. Verweerder heeft bij uitspraak van 10 februari 2006 het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard en het bezwaar voor het overige afgewezen.

6. Tot de gedingstukken behoort een brief van verweerder aan de heer E, directeur en enig aandeelhouder van eiseres, van 13 april 2005, waarin onder meer is vermeld:

“Bij brief van 23 augustus 2004 is uw gemachtigde de heer A door de heer B van mijn kantoor uitgenodigd voor een gesprek. Dit in verband met het feit dat reeds langere tijd problemen optreden bij de betalingen die de heer A voor u verricht voor diverse vennootschappen, zoals X B.V., Z B.V., Y C.V. en Q B.V. Het betreft de periodieke betalingen loonbelasting en omzetbelasting die plaatsvinden naar aanleiding van de aangiften loonbelasting en omzetbelasting. De problemen komen voort uit de wijze waarop de betalingen worden gedaan.

De heer Van Vliet is niet op de uitnodiging ingegaan. Omdat ik toch een eind wil maken aan de voortdurende problemen, die niet alleen leiden tot extra werk voor de Belastingdienst maar ook voor de gemachtigde, wil ik graag met u van gedachten wisselen over mogelijke oplossingen hiervoor. U bent als directeur-grootaandeelhouder van de verschillende vennootschappen degene die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de correcte betaling van de verschuldigde belastingen.”

7. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting naheffen.

8. Om ongeveer 180 miljoen financiële transacties per jaar te verwerken, maakt de belastingdienst noodzakelijkerwijs gebruik van een geautomatiseerd systeem. Dit is normaal en te doen gebruikelijk voor een organisatie die op dergelijke schaal betalingen moet verwerken. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken is aannemelijk dat de gecombineerde wijze van betaling van loonbelasting en omzetbelasting door eiseres, althans haar gemachtigde, bij verweerder aanleiding kan geven tot toerekeningproblemen en aldus verweerder noodzaakt tot handmatige verwerking van betalingen, die normaal op geautomatiseerde wijze worden verwerkt. Niet in geschil is dat in dit geval de omschrijving die betrekking had op de betaling van loonbelasting over het derde kwartaal 2005 niet overeenstemde met het kenmerk dat op de aan eiseres toegezonden acceptgiro voor betaling van deze loonbelasting was vermeld. In dit geval ontstond dan ook niet alleen door de combinatie van de betaling, maar ook door de vermelding van een niet bestaand kenmerk, een probleem bij de toerekening van de betaling. Deze mismatch heeft er toe geleid dat het bedrag niet is toegerekend aan de aangifte loonbelasting, maar aan een nog openstaande aanslag en voor het overige is teruggestort.

9. Op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag loonbelasting was de betaling die door eiseres, althans haar gemachtigde, bedoeld was als betaling van loonbelasting over het derde kwartaal 2005 op de bankrekening van de belastingdienst bijgeschreven. Nu bij de betaling een niet bestaand kenmerk was vermeld en de bedoeling van eiseres overigens niet kenbaar was, uit bijvoorbeeld een niet mis te verstane aanvullende mondelinge of schriftelijke toelichting op de betaling, was niet voldoende duidelijk en buiten twijfel vast te stellen op welke belasting de betaling betrekking had. Onder deze omstandigheden was verweerder niet gehouden om de betaling aan te merken als een betaling van loonbelasting over het derde kwartaal 2005 en stond het verweerder vrij het bedrag terug te storten op de rekening van eiseres. Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag loonbelasting terecht is opgelegd.

10. De gemachtigde heeft namens eiseres om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase gevraagd. Hoewel de boetebeschikking in bezwaar is vernietigd en het bezwaar uit dien hoofde gegrond was, heeft zij deze niet gekregen.

11. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een vergoeding in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor de vergoeding komen alleen die kosten in aanmerking die redelijkerwijs zijn gemaakt. Niet alleen het inschakelen van derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, moet redelijk zijn, maar ook de aan deze inschakeling verbonden kosten.

12. Verweerder stelt dat hij de boete heeft vernietigd uit coulance-overwegingen, omdat hij het achteraf aannemelijk achtte dat de gemachtigde namens eiseres wel heeft geprobeerd om de verschuldigde loonbelasting te betalen. Nu verweerder de betaling vanwege de vermelding van een niet bestaand kenmerk niet hoefde aan te merken als een betaling van loonbelasting, was de belasting op het moment van het opleggen van de aanslag niet betaald. Verweerder was dan ook bevoegd tot het opleggen van een boete. Voor zover de uitspraak op bezwaar betrekking had op de boete, was deze dan ook niet gegrond vanwege aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, maar vanwege het gebruik door verweerder van een discretionaire bevoegdheid om boete oplegging vanwege bijzondere omstandigheden, of wel uit coulance, achterwege te laten. Verweerder heeft dan ook mogen afzien van het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.

13. Ook overigens bestaat geen grond voor het toekennen van een proceskostenveroordeling in bezwaar. In de wetenschap dat gecombineerde betalingen aanleiding kunnen geven tot toerekeningproblemen en vertraging in de verwerking daarvan, heeft eiseres, althans haar gemachtigde, deze wijze van betaling voortgezet. Bovendien heeft zij een niet bestaand kenmerk vermeld. Eiseres en haar gemachtigde noodzaken verweerder aldus structureel en bewust tot afwijking van het geautomatiseerde systeem, dat mede is opgesteld in het belang van alle belastingbetalers. In dit geval kan dan ook het inschakelen van beroepsmatige bijstand ter zake van naheffingsaanslagen en boetes, die voortvloeien uit de vertraagde verwerking van betalingen in verband met de gecombineerde betalingen en onder vermelding van een niet bestaand kenmerk, niet als redelijk worden beschouwd.

14. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen grond voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. Roelvink - Verhoeff, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Jalink, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.