Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7174

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
07-3033
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het opheffen van een vaste gehandicaptenparkeerplaats is een verkeersbesluit waarbij het niet mogelijk is om de openbare orde in de zin waarin verweerder dat heeft gedaan bij de belangenafweging te betrekken. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 3033

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2007

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.J. Smaling, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007, verzonden op 2 mei 2007, heeft verweerder besloten de aan verzoekster toegekende gehandicaptenparkeerplaats ter hoogte van de [adres] te Bloemendaal op te heffen, onder gelijktijdige intrekking van het toekenningsbesluit van 23 februari 2006 (de voorzieningenrechter leest: 22 februari 2006) en het toekenningsbesluit in heroverweging van 5 december 2006, verzonden op 14 februari 2007. Voorts is meegedeeld dat de gehandicaptenparkeerplaats ongeveer twee weken na verzending van het besluit zal worden opgeheven.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 4 mei 2007 bezwaar gemaakt. Bij (fax)brief van 4 mei 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 juni 2007, waar de gemachtigde van verzoekster is verschenen. Verzoekster zelf is niet verschenen in verband met een ziekenhuisopname. Verweerder is verschenen, vertegenwoordigd door N.M. den Hertog en T. Gerrickens, beiden werkzaam bij de gemeente Bloemendaal.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

De feiten

2.2 Verzoekster heeft op 29 oktober 2005 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een vaste gehandicaptenparkeerplaats voor haar werk in de winkel aan de [adres] te Bloemendaal.

2.3 Bij besluit van 22 februari 2006 heeft verweerder de aanvraag gehonoreerd en besloten om ter hoogte van de [adres] te Bloemendaal het bord E 6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) te plaatsen. Op het onderbord zal het kenteken van eiseres (77-PS-DX) worden vermeld en ma t/m za van 9.00 tot 18.00 uur.

2.4 Tegen dat besluit heeft [bezwaarmaker] bij brief van 6 maart 2006 bezwaar gemaakt. [bezwaarmaker] drijft een onderneming aan de [naastgelegen adres] te Bloemendaal.

2.5 Bij besluit van 5 december 2006, verzonden op 14 februari 2007 heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen. Verweerder heeft besloten:

- het bezwaar voor zover gericht tegen de onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit gegrond te verklaren;

- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;

- het bestreden besluit materieel te handhaven en

- na zes maanden, na het medisch onderzoek tot vaststelling van het definitieve niveau van functioneren, het besluit te heroverwegen.

Verweerder heeft voor de motivering van het besluit verwezen naar het ongedateerde advies van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften.

2.6 Bij primair besluit van 24 april 2007 heeft verweerder besloten de aan verzoekster toegekende gehandicaptenparkeerplaats ter hoogte van de [adres] te Bloemendaal op te heffen, onder gelijktijdige intrekking van het toekenningsbesluit van 23 februari 2006 (de voorzieningenrechter leest: 22 februari 2006) en het toekenningsbesluit in heroverweging van 5 december 2006. Voorts is meegedeeld dat de gehandicaptenparkeerplaats ongeveer twee weken na verzending van het besluit zal worden opgeheven.

2.7 Tegen het besluit van 24 april 2007 heeft verzoekster bij brief van 4 mei 2007 bezwaar gemaakt. Bij (fax)brief van dezelfde datum is tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek

2.9 Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit van 24 april 2007 dat neerkomt op opheffing van de gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats hangende bezwaar te schorsen. Verzoekster heeft - samengevat - aangevoerd dat haar belang bij behoud van de parkeerplaats zwaarder dient te wegen dan het belang bij opheffing daarvan. Verzoekster heeft spoedeisend belang bij haar verzoek nu de gehandicaptenparkeerplaats daadwerkelijk feitelijk is opgeheven en zij binnenkort uit het ziekenhuis wordt ontslagen en dan wederom aan het werk wil gaan. Om haar werk te kunnen bereiken heeft zij de gehandicaptenparkeerplaats nodig.

De beoordeling

2.10 Bij besluit van 24 april 2007 is besloten tot verwijdering van het verkeersbord 'gehandicaptenparkeerplaats' als bedoeld in bijlage 1 van RVV 1990 (aangeduid als bord E 6) en het bijbehorende onderbord.

2.11 Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) moet de verwijdering van het bord E 6 van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, worden aangemerkt als een verkeersbesluit.

2.12 Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.13 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het BABW wordt in de BABW onder "wet" de Wegenverkeerswet 1994 verstaan.

2.14 In artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is het volgende vermeld:

1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid

daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,

hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet

milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van

het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

2.15 Verweerder heeft ter motivering van zijn besluit van 24 april 2007 aangegeven dat het belang van de openbare orde naar zijn mening zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. Ter onderbouwing van het standpunt dat de openbare orde dreigt te worden verstoord heeft verweerder gewezen op het feit dat de aanwezigheid van de auto van verzoekster op de gehandicaptenparkeerplaats om diverse redenen de irritatie opwekt van winkeliers aan de Bloemendaalseweg. Er hebben al een aantal incidenten plaatsgevonden rondom de auto en de gehandicaptenparkeerplaats van verzoekster en verweerder vreest voor escalatie.

2.16 De voorzieningenrechter is met verzoekster van oordeel dat het niet mogelijk is om bij een verkeersbesluit de openbare orde in de zin waarin verweerder dat heeft gedaan bij de belangenafweging te betrekken. Alleen de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen kunnen in de belangenafweging worden betrokken. De openbare orde, inhoudende de vrees voor een dreigende escalatie tussen winkeliers en verzoekster, is geen belang dat daarbij een rol kan spelen, laat staan een doorslaggevende rol. Daarbij heeft de voorzieningenrechter nog buiten beschouwing gelaten dat reeds een primair besluit en een beslissing op bezwaar zijn genomen.

2.17 Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek daartoe zal derhalve worden toegewezen.

2.18 Nu het besluit zal worden geschorst heeft dat tot gevolg dat het besluit van 5 december 2006 (het besluit in heroverweging tot toekenning van de gehandicaptenparkeerplaats onder voorwaarden) herleeft en dat de gehandicaptenparkeerplaats weer voor verzoekster is gereserveerd. Het feitelijk plaatsen van het bijbehorende bord met onderbord en het markeren van de parkeerplaatsplaats betreffen uitvoeringshandelingen van het besluit in heroverweging.

2.19 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst de gevorderde voorziening toe en schorst het betreden besluit tot zes weken na de dagtekening van de beslissing op bezwaar;

3.2 wijst af het meer of anders gevorderde;

3.3 veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,-- te betalen door de gemeente Bloemendaal aan verzoekster;

3.4 gelast dat de gemeente Bloemendaal het door verzoekster betaalde griffierecht van € 143,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 13 juni 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.C.A. van Kuijeren, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.