Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7128

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
15/501535-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne, koerier, vrijspraak medeplegen. Verdachte heeft verklaard dat zij in Belem, Brazilië, werd benaderd door een man op het strand. Zij kende deze man onder de naam Francisco. Francisco zou hebben gevraagd aan verdachte of zij medicijnen wilde meenemen naar Nederland voor een ernstig ziek persoon. Verdachte zou deze medicijnen, verpakt in bollen, moeten inslikken omdat deze op een warme plaats bewaard moesten worden. Verdachte heeft verklaard dat zij er € 5.000 zou krijgen als zij de ‘medicijnen’ naar Nederland zou vervoeren. Ter terechtzitting daarnaar gevraagd kon verdachte niet verklaren om wat voor soort medicijnen het zou gaan en waarom deze medicijnen niet in een land als Nederland te verkrijgen zouden zijn, maar buiten de reguliere kanalen om uit de binnenlanden van Brazilië zouden moeten worden getransporteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat er vanuit Brazilië cocaïne wordt gesmokkeld door deze in zogenaamde slikkersbollen te verpakken. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij niet wist dat er cocaïne in de door haar geslikte bollen zat, ongeloofwaardig en kennelijk bedoeld om de waarheid te bemantelen, te weten dat verdachte heeft geweten dat zij opzettelijk cocaïne in Nederland heeft ingevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/501535-06

Uitspraakdatum: 1 maart 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 februari 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in P.I. Zuid-Oost, Hvb Ter Peel te Evertsoord.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

zij op om omstreeks 26 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middels als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Partiele vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging cocaïne heeft gesmokkeld. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Het is wellicht niet goed voorstelbaar dat verdachte en zijn medeverdachte, zijnde zijn echtgenote, die samen met verdachte in het vliegtuig naar Nederland is gekomen, niet van elkaars geslikte bolletjes op de hoogte waren. Echter in het dossier bevindt zich onvoldoende concreet bewijs om tot een wettig bewijs van medeplegen te komen.

3.2 Bewijsoverweging

Verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat er cocaïne in de door hem geslikte bolletjes zaten, maar dat zij dacht dat deze waren gevuld met een medicijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van verdachte onaannemelijk en ongeloofwaardig. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft verklaard dat zij in Belem, Brazilië, werd benaderd door een man op het strand. Zij kende deze man onder de naam Francisco. Francisco zou hebben gevraagd aan verdachte of zij medicijnen wilde meenemen naar Nederland voor een ernstig ziek persoon. Verdachte zou deze medicijnen, verpakt in bollen, moeten inslikken omdat deze op een warme plaats bewaard moesten worden.

Verdachte heeft verklaard dat zij er € 5.000 zou krijgen als zij de ‘medicijnen’ naar Nederland zou vervoeren. Ter terechtzitting daarnaar gevraagd kon verdachte niet verklaren om wat voor soort medicijnen het zou gaan en waarom deze medicijnen niet in een land als Nederland te verkrijgen zouden zijn, maar buiten de reguliere kanalen om uit de binnenlanden van Brazilië zouden moeten worden getransporteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat er vanuit Brazilië cocaïne wordt gesmokkeld door deze in zogenaamde slikkersbollen te verpakken. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij niet wist dat er cocaïne in de door haar geslikte bollen zat, ongeloofwaardig en kennelijk bedoeld om de waarheid te bemantelen, te weten dat verdachte heeft geweten dat zij opzettelijk cocaïne in Nederland heeft ingevoerd.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan

in dier voege dat

zij op 26 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.4 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen, waaruit blijkt dat verdachte is aangehouden op grond van diverse slikkerscriteria;

- het proces-verbaal met betrekking tot de verdovende middelen, waaruit blijkt dat bij verdachte in totaal 93 slikkersbollen zijn aangetroffen. De aangetroffen stof in deze bollen had bij benadering een netto gewicht van 753,3 gram;

- het rapport van het Douane Laboratorium d.d. 7 december 2006, op naam van [verdachte], waaruit blijkt dat de stof cocaïne bevat.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- de verbeurdverklaring van de op de beslaglijst onder de nummers 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 14 vermelde voorwerpen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 753,3 gram van een materiaal bevattende cocaine. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaine gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het medeplegen.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

- 1.00 STK Vliegticket, TAP AIR op naam van [verdachte];

- 7 x 500 euro, Geld Nederlands;

- 3 x 200 euro, Geld Nederlands;

- 2 x 20 euro, Geld Nederlands;

- 1 x 5 euro, Geld Nederlands;

- 2 x 5 us dollar, Geld buitenlands;

- 6 x 1 us dollar, Geld buitenlands;

- 10 x 50 reals;

- 2.00 STK Notitie en memo, 1 x notitieboekje en 1 x notitie

- 1 x 100 euro, Geld Nederlands.

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

Met betrekking tot het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven geld overweegt de rechtbank nog het volgende. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaine in Nederland heeft gebracht. Het kan niet anders dan dat het bij verdachte aangetroffen en haar toebehorende geldbedrag, mede gelet op de hoogte daarvan, door middel van het strafbare feit is verkregen, danwel tot het begaan van het misdrijf is bestemd, zodat ook dit geldbedrag dient te worden verbeurdverklaard.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN (7) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 STK Vliegticker, TAP AIR op naam van [verdachte];

- 7 x 500 euro, Geld Nederlands;

- 3 x 200 euro, Geld Nederlands;

- 2 x 20 euro, Geld Nederlands;

- 1 x 5 euro, Geld Nederlands;

- 2 x 5 us dollar, Geld buitenlands;

- 6 x 1 us dollar, Geld buitenlands;

- 10 x 50 reals;

- 2.00 STK Notitie en memo, 1 x notititieboekje en 1 x notitite

- 1 x 100 euro, Geld Nederlands.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Hijink, voorzitter,

mrs. Brouwer en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Valk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 maart 2007.

Mrs. Hijink en Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.