Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7008

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
AWB 07-1848
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Subsidie uitbreiding schoollokalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 1848

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2007

in de zaak van:

Stichting Confessioneel Primair Onderwijs Waterland,

gevestigd te Purmerend,

verzoekster,

gemachtigde: C.A. de Bondt, werkzaam bij Groenendijk Onderwijs Consultancy,

tegen:

de gemeenteraad van Edam-Volendam,

verweerder,

derde partij

Stichting Katholiek Onderwijs Volendam,

gevestigd te Volendam.

gemachtigde: mr. W. Brussee, advocaat te Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2007 heeft verweerder - voor zover hier van belang - besloten aan het bestuur van de Stichting Katholiek Onderwijs Volendam een aanvullend bedrag van € 82.408,-- beschikbaar te stellen voor de realisering van de achtklassige uitbreiding bij de Sint Petrusschool aan de Schoklandstraat, ter compensatie van de loon-en prijsstijgingen over 2006 en 2007 alsmede de architectkosten voor het tweede bouwplan ten bedrage van € 22.310,-

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 12 februari 2007 bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft dit bezwaar voorts gericht tegen het collegebesluit van 28 februari 2006 inhoudende het verlenen van toestemming om het krediet voor de acht lokalen in Dijkwijk te gebruiken voor de acht lokalen bij de St. Petrusschool. Bij brief van 7 maart 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 april 2007, alwaar namens verzoekster

drs. C.A.M. de Mey is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door S.J. Smit, werkzaam bij de gemeente Edam-Volendam en J.H.M. Bond, wethouder onderwijs. Namens de derde partij zijn verschenen B. Kok en J.I.M. Tol, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster legt, voor zover van belang, het volgende ten grondslag aan haar verzoek. Bij besluit van 13 juli 2005 heeft verweerder onder andere aan verzoekster twee van de elf (in de nieuwbouwwijk Dijkwijk) nieuw te bouwen permanente lokalen voor het basisonderwijs toegedeeld en aan de Stichting Katholiek Onderwijs Volendam (SKOV) acht lokalen. In bezwaar is dit besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 21 december 2006 heeft de rechtbank Haarlem het besluit op bezwaar vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Volgens de rechtbank had verweerder bij de toedeling ten onrechte aangeknoopt bij de criteria die gelden voor de stichting van een nieuwe school. Uit de toelichting op het raadsvoorstel bij het thans bestreden besluit van 25 januari 2007 blijkt dat het college op 28 februari 2006 een collegebesluit heeft genomen dat strekt tot wijziging van het besluit van 13 juli 2005, namelijk dat het verleende krediet ten behoeve van de aan de SKOV toegewezen lokalen mag worden gebruikt ten behoeve van een andere school dan de school waarop het raadsbesluit van 13 juli 2005 betrekking had. Nu verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 21 december 2006, en evenmin een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen, handelt verweerder met het besluit van 25 januari 2007 in strijd met de Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs. Voorts is het besluit van 28 februari 2006, waarvan verzoekster niet eerder kennis heeft kunnen nemen, onbevoegd genomen nu niet het college maar de Raad op dat moment nog bevoegd was tot het toekennen van huisvestingsvoorzieningen. Verzoekster heeft een (spoedeisend) belang, omdat, als de lokalen eenmaal zijn gebouwd, deze onderdeel uitmaken van de totale onderwijscapaciteit van de gemeente. Als dan vervolgens verzoekster bij de ontwikkeling van de Dijkwijk zou aantonen meer lokalen voor de school bij die wijk nodig te hebben, dan zal zij worden verwezen naar de leegstaande lokalen elders en zou haar de mogelijkheid worden ontnomen lokalen te bouwen bij de eigen school. Zij verzoekt dan ook om schorsing van de besluiten van 28 februari 2006 en 25 januari 2007, te bepalen dat verweerder geen verdere medewerking mag verlenen aan de bouw van de lokalen en verweerder een nieuw besluit neemt ter vervanging van het besluit van 30 maart 2006.

2.2 Verweerder heeft, voor zover van belang, ter zitting het volgende naar voren gebracht. In navolging van de uitspraak van 21 december 2006 zal verweerder een nieuw besluit nemen op het bezwaarschrift. Het besluit van 25 januari 2007 staat hier los van. Dit besluit houdt slechts een verhoging in van het bedrag dat al in de begroting was opgenomen. Op 28 februari 2006 is het besluit van 13 juli 2005 niet gewijzigd. Het besluit van 28 februari 2006 betrof het realiseren van een bouwvoornemen hetgeen paste binnen het bestemmingsplan en stond in verband met de ook in juli 2005 accoord bevonden aanvraag om te komen tot de uitbreiding van 't Kofschip. De locatie van deze uitbreiding is uiteindelijk het terrein bij de St. Petrusschool geworden. Voorts stelt verweerder dat verzoeker, op het moment dat deze vanwege het aantal aanmeldingen tekort aan gebouwen heeft, recht heeft op uitbreiding van lokalen en alsdan (bestaande of niet te bouwen) lokalen kunnen worden toegewezen. Het ruimtegebrek zal dan inderdaad niet altijd kunnen worden opgeheven door plaatsing van lokalen bij de hoofdschool. Maar dit belang is beperkt, aangezien verzoekster niet heeft te maken met acuut ruimtegebrek, in tegenstelling tot de SKOV. Verweerder wijst daarbij nog op een schrijven van verzoekster waaruit blijkt dat op de huidige locatie geen plaats is voor uitbreiding. Ten aanzien van de bevoegdheid stelt verweerder, dat de Raad het budget heeft verhoogd en dat de bevoegdheid om een andere invulling daaraan te geven een bevoegdheid van B&W is.

2.3 Ook het SKOV stelt zich op het standpunt dat verzoekster ten onrechte de kwestie omtrent de bouw en verdeling van lokalen in Dijkwijk en de kwestie van de bouw van lokalen bij de St. Petrusschool met elkaar verbindt. In de laatste kwestie is alleen het SKOV betrokken. De bouw bij de St. Petrusschool aan de Schoklandstraat heeft grote spoed. De toeloop van leerlingen is veel groter dan verwacht. De verschuiving van het krediet waartoe verweerder op 28 februari 2006 heeft besloten heeft geen gevolgen voor de in de toekomst te bouwen locatie in de Dijkwijk, zo blijkt uit het raadsvoorstel van 5 december 2006. Verzoekster is geen belanghebbende bij deze kwestie. Overigens is verzoekster ook te laat met het bezwaarschrift tegen het besluit van 28 februari 2006.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.4 De voorzieningenrechter is van oordeel, dat de stukken aanleiding hebben kunnen geven voor de gedachte dat verweerder de toedeling zoals die in het besluit van 13 juli 2005 is vastgelegd met het besluit van 25 januari 2007 doorkruist. Zo blijkt uit het ambtelijk advies van 4 januari 2007 (processtuk genummerd 88), welk advies is opgevolgd door het college (processtuk genummerd 87), dat verweerder in de veronderstelling verkeerde dat het besluit van 13 juli 2005 na de uitspraak van 21 december 2006 niet meer bestond en zich dus vrij voelde al dan niet een ander besluit te nemen. Daarnaast is in het raadsvoorstel dat heeft geleid tot het besluit van 25 januari 2007 en dat als productie 3 bij het verzoek is gehecht, het volgende opgenomen: "Deze "noodkreet", die in feite door de nieuwe prognose wordt bevestigd, deed ons op 28 februari 2006 besluiten om aan het schoolbestuur toestemming te verlenen om het krediet voor de acht lokalen in de Dijkwijk, te gebruiken voor de bouw van acht lokalen bij de St. Petrusschool".

2.5 Ook uit hetgeen door verweerder ter zitting naar voren is gebracht, kan de voorzieningenrechter niet zonder meer afleiden dat de kwesties geheel los staan van elkaar. Immers, verweerder stelt dat het besluit van 25 januari 2007 betrekking had op de uitbreiding van 't Kofschip waarvoor in juli 2005 een accoord is verkregen en de voorzieningenrechter kan dit accoord slechts lezen in het besluit van 13 juli 2005. Verweerder had naar het oordeel van de voorzieningenrechter veel verwarring kunnen voorkomen door in ieder geval opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2005 te beslissen alvorens het besluit van 25 januari 2007 te nemen.

2.6 De voorzieningenrechter is desalniettemin van oordeel dat er geen aanleiding is voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Zij acht daartoe het volgende van belang.

2.7 Gelet op uitlatingen van verweerder ter zitting concludeert de voorzieningenrechter dat, hoewel de kwesties wellicht niet losstaan van elkaar, het onderhavige besluit niet afdoet, althans niet hoeft af te doen, aan hetgeen in de uitspraak van 21 december 2006 is geoordeeld met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2005. Daarbij is van belang dat verweerder heeft gesteld alsnog op korte termijn met inachtneming van de uitspraak van 21 december 2006 een besluit te gaan nemen op het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2005, dat de situatie thans ten aanzien van Dijkwijk weer anders is dan in 2005 werd voorzien en dat verzoekster hoe dan ook in het geval verzoekster een tekort aan lokalen aannemelijk kan maken, gelet op de wettelijke regeling dienaangaande, een recht heeft op uitbreiding.

2.8 De stelling van verzoekster, dat met de realisering van de lokalen aan de Schoklandstraat deze onderdeel gaan uitmaken van de totale gemeentelijke onderwijscapaciteit en dit kan betekenen dat verzoekster zelf bij een nijpend tekort geen nieuw lokaal kan bouwen maar aangewezen zal zijn op een leegstaand lokaal elders, moge zo zijn maar is niet van dien aard dat dit op dit moment opweegt tegen het belang van verweerder en van het SKOV om een actueel nijpend tekort aan lokalen op te lossen. Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat het besluit van 28 februari 2006 onbevoegd is genomen, oordeelt de voorzieningenrechter dat beoordeling hiervan zich niet leent voor behandeling in een procedure als de onderhavige, terwijl anderzijds ook niet op voorhand is gebleken dat sprake is van onbevoegdheid.

2.9 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.10 In verband met hetgeen in 2.5 is overwogen, ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder uit te spreken (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van het verzoek). De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding het verzoek van de SKOV om het CPOW in de door SKOV gemaakte kosten te veroordelen toe te wijzen.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek af;

3.2 veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakt proceskosten tot een bedrag van € 644,- te betalen door de gemeente Edam/Volendam aan verzoekster

3.3 Gelast dat de gemeente Edam/Volendam het betaalde griffierecht ad € 281 aan verzoekster vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, en op 10 april 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H.J. de Boer, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.