Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6728

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
05-6458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft niet tijdig WVA verklaringen aangevraagd. Op grond van de wettelijke regeling heeft zij geen recht op vermindering afdracht langdurig werklozen. Verweerder heeft de enkelvoudige belasting nageheven en boetes opgelegd. Belastingrechter is niet bevoegd met toepassing van art. 65 AWR de vermindering toe te passen. Beroep op het evenredigheidsbeginsel kan evenmin slagen omdat verweerder geen beleidsvrijheid heeft bij het toepassen van de wettelijke regeling. Gelet op de financiele consequenties voor eiseres worden de boetes verminderd naar nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1170
FutD 2007-1131
Belastingadvies 2007/16.11

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummers: AWB 05/6458, 05/6459, 05/6460 en 05/6461

Uitspraakdatum: 10 april 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,

gevestigd te Z, eiseres,

gemachtigde drs. B te Z,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres de volgende naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd:

Aanslagnummer datum jaar belasting boete heffingsrente

1234.56.789.A.01.9500 27-12-2004 1999 € 68.024 € 3.401 € 11.884

1234.56.789.A.01.0500 26-04-2005 2000 € 13.453 € 672 € 2.083

1234.56.789.A.01.1500 26-04-2005 2001 € 75.560 € 3.778 € 8.405

1234.56.789.A.01.2501 26-04-2005 2002 € 43.566 € 2.178 € 3.408

Eiseres heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaarschriften ingediend die bij verweerder zijn binnengekomen op 10 januari 2005 (nr. 1234.56.789.A.01.9500) respectievelijk op 6 mei 2005 (nrs 1234.56.789.A.01.0500 en 1234.56.789.A.01.1500) en op 10 mei 2005 (nr. 1234.56.789.A.01.2501). Bij de in één geschrift opgenomen uitspraken op bezwaar van 11 oktober 2005 heeft verweerder de naheffingsaanslag met nummer 1234.56.789.A.01.9500 verminderd tot € 57.301 aan enkelvoudige belasting. Voorts is bij deze naheffingsaanslag de boete verminderd tot € 2.865 en de heffingsrente tot € 10.010. Verweerder heeft de overige naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld. De beroepschriften van eiseres tegen deze uitspraken zijn op 21 november 2005 ter griffie van de rechtbank ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007 te Haarlem. Verschenen zijn de gemachtigde van eiseres drs. B, bijgestaan door C alsmede namens verweerder mr. D bijgestaan door E.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Deze pleitnota wordt tot de stukken van het geding gerekend.

2. De feiten

2.1. Eiseres is een door het G te Z gesubsidieerde instelling die voor een aanzienlijk deel van de uitvoering van haar welzijnsactiviteiten afhankelijk is van de inzet van medewerkers (hierna: ID-werknemers) met een in- en doorstroombaan, voorheen Melkert 1-baan genoemd.

De activiteiten van eiseres bestaan onder andere uit het verzorgen van kinder- en jeugdopvang, het beheer over speeltuinen, traditioneel buurthuiswerk en het inzetten van buurtconciërges.

2.2. De loonkosten van de ID-werknemers worden langs twee wegen gesubsidieerd. Enerzijds wordt via de gemeente een loonkostensubsidie verstrekt via F. Hiervoor geldt als voorwaarde dat de ID-werknemers beschikken over een ID-verklaring die wordt afgegeven door de Sociale Dienst. Aan eiseres zijn vorenbedoelde ID-verklaringen afgegeven. Anderzijds kan eiseres een afdrachtvermindering voor langdurig werklozen claimen.

2.3. Op 8 oktober 2003 heeft eiseres suppletieaangiften ingediend voor de jaren 1999 en 2000. Op 7 april 2004 heeft eiseres suppletieaangiften ingediend voor de jaren 1999 tot en met 2003 waarbij de eerder ingediende suppletieaangiften zijn komen te vervallen.

2.4. Tijdens een boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de suppletieaangiften onderzocht. De bevindingen daarvan zijn verwoord in een controlerapport van 19 januari 2005. Uit het onderzoek is gebleken dat eiseres voor een aantal ID-werknemers afdrachtvermindering van loonbelasting/premie volksverzekering voor langdurig werklozen heeft geclaimd, terwijl voor hen geen verklaring langdurig werklozen als bedoeld in artikel 8, lid 1, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna WVA-verklaring) in de administratie aanwezig was.

2.5. De verklaring voor het ontbreken van een aantal WVA-verklaringen is dat eiseres deze niet tijdig heeft aangevraagd bij het Arbeidsbureau dan wel het Centrum voor Werk en inkomen (hierna: CWI).

2.6. Van de nageheven enkelvoudige belasting hebben de volgende bedragen betrekking op de vermindering afdracht langdurig werklozen:

Aanslagnummer Datum Betreffende het jaar: Enkelvoudige belasting

1234.56.789.A.01.9500 27-12-2004 1999 € 36.164

1234.56.789.A.01.0500 26-04-2005 2000 € 13.453

1234.56.789.A.01.1500 26-04-2005 2001 € 75.614

1234.56.789.A.01.2501 26-04-2005 2002 € 39.465

Bij de uitspraken op bezwaar is met betrekking tot de naheffingsaanslag met nummer 1234.56.789.A.01.9500 de enkelvoudige belasting, voorzover deze ziet op de vermindering afdracht langdurig werklozen, met € 10.723 (ƒ 23.631) verminderd tot € 25.441.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd voor zover deze zien op de afdrachtvermindering voor langdurig werklozen. Voorts is in geschil of terecht boetes zijn opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de in de naheffingsaanslag met nummer 1234.56.789.A.01.9500 opgenomen enkelvoudige belasting tot een bedrag van (€ 57.301 – € 25.441) € 31.860, vernietiging van de naheffingsaanslagen met de nummers 1234.56.789.A.01.0500 en 1234.56.789.A.01.1500 en vermindering van de in de naheffingsaanslag met nummer 1234.56.789.A.01.2501 opgenomen enkelvoudige belasting tot (€ 49.566 – € 39.465) € 10.101. Voorts concludeert eiseres tot vermindering van de boetes.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 8, lid 1, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wet) is de afdrachtvermindering langdurig werklozen (voor zover hier van belang) van toepassing met betrekking tot de werknemer voor wie de inhoudingsplichtige over een WVA-verklaring beschikt.

Artikel 9, lid 1, van de Wet bepaalt dat de verklaring langdurig werkloze een schriftelijk stuk is, waarin de Centrale organisatie werk en inkomen jegens de inhoudingsplichtige verklaart dat de aanstaande werknemer of de werknemer een langdurig werkloze is onderscheidelijk was op het tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking.

Artikel 13 van de Wet juncto artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Uitvoeringsregeling) bepaalt dat de inhoudingsplichtige uiterlijk binnen vier maanden (tot 1 juli 1999 binnen twee maanden) na de dag van indiensttreding van de langdurig werkloze, de arbeidsorganisatie verzoekt de WVA-verklaring te verstrekken. Een verzoek dat na de genoemde periode wordt gedaan, wordt niet in behandeling genomen.

4.2. Vaststaat dat eiseres niet over WVA-verklaringen beschikte in de zin van de hiervoor vermelde wettelijke regeling . Op grond van de hiervoor vermelde wettelijke regeling heeft eiseres derhalve geen recht op de vermindering afdracht langdurig werklozen.

4.3. Eiseres beroept zich op toepassing van het vertrouwensbeginsel. Zij stelt zich op het standpunt dat zij voor de betreffende werknemers voldoet aan alle materiële vereisten voor verkrijging van een WVA-verklaring. De benodigde WVA-verklaringen zijn enkel niet aanwezig omdat deze buiten de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling genoemde termijn zijn aangevraagd. Eiseres voert aan dat zij onder die omstandigheden erop mag vertrouwen dat verweerder met toepassing van artikel 65 van de Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR) ambtshalve de vermindering afdracht langdurig werklozen van toepassing verklaart en de naheffingsaanslagen vernietigt respectievelijk op dit punt vermindert.

4.4. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in gevallen als de onderhavige nooit artikel 65 AWR wordt toegepast.

4.5. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Nog daargelaten de stelling van eiseres dat zij voldoet aan de materiële voorwaarden voor verkrijging van de WVA-verklaringen, is de belastingrechter niet bevoegd tot het ambtshalve toepassen van de vermindering afdracht langdurig werklozen met toepassing van artikel 65 AWR. Verweerder kan daaraan evenmin worden gehouden.

4.6. Eiseres beroept zich voorts op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank begrijpt het beroep van eiseres in die zin dat de nadelige gevolgen van de naheffingsaanslagen onevenredig zijn ten opzichte van de omstandigheid dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd enkel omdat niet is voldaan aan een formele voorwaarde voor toepassing van de vermindering afdracht langdurig werklozen. Eiseres heeft, kort samengevat, toegelicht dat de ID-banen volledig worden gefinancierd met subsidie en de afdrachtvermindering langdurig werklozen. Aldus zullen de naheffingsaanslagen leiden tot ernstige financiële consequenties bij eiseres.

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan niet slagen omdat aan verweerder bij het al dan niet toepassen van de wettelijke regeling voor vermindering afdracht langdurig werklozen, geen beleidsvrijheid toekomt. Aan een belangenafweging op grond van het evenredigheidsbeginsel komt de rechter dan niet toe.

4.7. Ook overigens is uit de wetsgeschiedenis, noch uit de jurisprudentie of uit beleid van de staatssecretaris van financiën af te leiden dat eiseres bij het ontbreken van de WVA-verklaring op de enkele grond dat deze buiten de daarvoor geldende termijn zijn aangevraagd, recht zou hebben op vermindering afdracht langdurig werklozen.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep in zoverre ongegrond.

4.9. Op grond van het bepaalde in artikel 67c AWR heeft de inspecteur verzuimboetes opgelegd van 5% van de nageheven enkelvoudige belasting. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van eiseres sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gelet echter op hetgeen eiseres onweersproken heeft gesteld omtrent de ernstige financiële consequenties van de naheffingsaanslagen voor haar, acht de rechtbank een boete van nihil passend en geboden. De stelling van verweerder dat de financiële consequenties voor eiseres bij het bepalen van de verzuimboete zijn meegewogen, kan de rechtbank niet volgen. In zoverre is het beroep gegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank Haarlem:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de opgelegde boetes;

- vermindert de bij beschikking opgelegde boetes tot nihil en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraken op bezwaar;

- bepaalt dat de uitspraken op bezwaar voor het overige in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J.H.M. Milder-Wolbers, voorzitter, en mrs. A.A. Fase en mr. M.J. Leijdekker, leden van deze rechtbank. De beslissing is op 10 april 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh-Vanherck als griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.