Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6696

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06-12228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank honoreert het beroep op het vertrouwensbeginsel. Gelet op de omstandigheden van het geval heeft de mededeling van een ambtenaar dat het oprichten van een bedrijfswoning mogelijk is het gerechtvaardigd vertrouwen bij eiser gewekt dat een bouwvergunning zou worden verleend en dient deze mededeling aan verweerder te worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 12228

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2007

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H.F. Dijkstra, advocaat te Purmerend,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2006 heeft verweerder geweigerd een bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van een bedrijfsgebouw tot bedrijfsgebouw met bedrijfswoning op het adres [adres] te [plaatsnaam], kadastraal bekend als [plaatsnaam], [kadastraal nummer]

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 augustus 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 november 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 december 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend, gedateerd 8 januari 2007.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 maart 2007, alwaar eiser - vergezeld van zijn partner, [partner ] - in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.I. Hiemstra, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

2. Overwegingen

2.1 Eiser, exploitant van een autoreparatiebedrijf en handelaar in automobielen, heeft in januari 2006 een bedrijfsgebouw op het adres [adres] te [plaatsnaam] gekocht. Hij heeft verweerder op 15 maart 2006 verzocht een bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van dit bedrijfsgebouw tot een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning. Verweerder heeft geweigerd een bouwvergunning te verlenen omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en het ontwerpbestemmingsplan.

2.2 Het perceel waarop dit bouwplan betrekking heeft valt onder het bestemmingsplan 'Industrieterrein West-Knollendam', vastgesteld door de gemeenteraad op 29 april 1969 en goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland op 2 juni 1970. Het bouwplan is gelegen op grond met de bestemming 'Openbaar groen, plantsoen of berm, groenstrook' als bedoeld in artikel 9 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (planvoorschriften) en op grond met de bestemming 'water' als bedoeld in artikel 10 planvoorschriften. Beide bestemmingen staan het bouwen van een bedrijfsgebouw niet toe. Voor de vestiging van de bestaande bedrijven heeft verweerder destijds vrijstelling van het bestemmingsplan verleend, evenals voor het oprichten van enkele dienstwoningen. De onderhavige grond heeft in het op 22 november 2005 vastgestelde ontwerpbestemmingsplan 'Bedrijventerrein Molletjesveer' de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden B (31.1)' waarop evenmin een bedrijfswoning is toegestaan.

2.3 Gelet op artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, Woningwet (Ww) moet de bouwvergunning worden geweigerd in geval met strijdigheid met het bestemmingsplan, tenzij vrijstelling verleend wordt van het bestemmingsplan.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft zich in de bezwaarfase beraden over de vraag of hij gebruik wenst te maken van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Verweerder wil van deze bevoegdheid geen gebruik maken omdat het ontwerp-bestemmingsplan, waarin de visie van de gemeente op toekomstige ontwikkelingen is neergelegd, geen mogelijkheden voor het oprichten van bedrijfswoningen meer heeft. De gemeente acht het oprichten van bedrijfswoningen binnen een bedrijventerrein dat is aangewezen voor milieuhinderlijke bedrijven vanuit planologisch oogpunt niet passend. In het ontwerp zijn slechts de reeds bestaande legale bedrijfswoningen bestemd. Volgens verweerder had eiser hiervan ten tijde van de aanvraag op de hoogte kunnen zijn nu het voorontwerp op 5 januari 2006 ter inzage is gelegd.

2.5 De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn primaire stelling dat er geen sprake is van strijdigheid met het geldende bestemmingsplan omdat hierin de mogelijkheid is geboden om een bedrijfswoning bij een bedrijfsruimte te realiseren en dat velen ook van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. De in geding zijnde grond heeft immers de bestemmingen 'openbaar groen, plantsoen of berm, groenstrook' en 'water' waarop geen bedrijfswoningen zijn toegestaan. Het door eiser aangehaalde artikel 6 van de planvoorschriften waarin wel bedrijfswoningen worden toegestaan, ziet uitsluitend op gronden met de bestemming 'Industriële bedrijven, klasse A (BIA)' waarvan in dit geval geen sprake is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat verweerder de bouwvergunning moet weigeren tenzij verweerder vrijstelling van het bestemmingsplan verleent.

2.6 Artikel 19 WRO kent verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Ter beoordeling van de rechtbank staat derhalve de vraag of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot de weigering van de vrijstelling heeft kunnen besluiten. In het kader van deze afweging mag verweerder wel degelijk een groot gewicht toekennen aan zijn beleidsvisie omtrent de toekomstige planologische ontwikkelingen voor het in geding zijnde gebied. Dit betekent dat verweerder zich bij de weigering om vrijstelling te verlenen mocht baseren op het ontwerp-bestemmingsplan waarin de bestaande bedrijfswoningen zijn bestemd en nieuwe bedrijfswoningen niet mogelijk worden gemaakt. Eiser heeft ter zitting overigens niet aannemelijk kunnen maken dat het voorontwerp-bestemmingsplan nog wel de mogelijkheid bood om bedrijfswoningen op te richten. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat - zoals verweerder heeft gesteld - het voorontwerp-bestemmingsplan evenmin bedrijfswoningen toestond. De grieven van eiser die zien op de totstandkoming van het nieuwe bestemmingsplan, treffen in zoverre geen doel.

2.7 Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil tussen partijen is dat eiser - voorafgaand aan de koop van het bedrijfspand - zich samen met zijn partner tot de Front Office Bouwen en Wonen van verweerder heeft gewend met het verzoek of het realiseren van een bedrijfswoning op het onderhavige perceel mogelijk was. Op grond van de aan eiser verstrekte informatie, inhoudende dat er geen beletselen waren voor een bedrijfswoning, is eiser overgegaan tot de koop van het bedrijfspand. Anders dan in het besluit op bezwaar en het verweerschrift heeft verweerders gemachtigde ter zitting bevestigd dat de betreffende ambtenaar van de Front Office, [ambtenaar] destijds aan eiser heeft medegedeeld dat het oprichten van een bedrijfswoning mogelijk is, hetgeen volgens verweerders gemachtigde ten tijde van het gesprek ook nog het geval was. Verweerder heeft in dit verband echter benadrukt dat deze uitlatingen hoogstens in algemene termen zijn gedaan en dat de betreffende ambtenaar, gelet op zijn functie, bovendien niet bevoegd is tot het doen van dergelijke toezeggingen.

2.8 Ook indien verweerder moet worden gevolgd in zijn kwalificatie dat sprake is van een mededeling in algemene bewoordingen, doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de conclusie dat deze mededeling niet anders kan worden verstaan dan als een mededeling dat een bouwvergunning kan worden verleend.

2.9 Voor beantwoording van de vraag of deze mededeling van een ambtenaar bij eiser de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat een bouwvergunning zou worden verleend en of deze mededeling toegerekend dient te worden aan verweerder, acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang. Gelet op hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht, is voldoende komen vast te staan dat de ambtenaar de informatie heeft gegeven aan de hand van een concrete vraagstelling met betrekking tot het bedrijfspand aan de [adres], waarbij eiser het in geding zijnde perceel op de aanwezige kadastrale kaart heeft aangewezen. In het gesprek is tevens aan de orde gekomen dat eiser stond voor de keuze het bedrijfspand te kopen, waarbij voor hem doorslaggevend was of een bedrijfswoning kon worden gerealiseerd. Zoals ook ter zitting bevestigd is de ambtenaar een zeer ervaren medewerker van de Front Office Bouwen en Wonen, tot wiens taak het behoort om desgevraagd informatie te verstrekken. Het had in ieder geval op zijn weg gelegen om eiser te wijzen op het ontwerpbestemmingsplan voor het bedrijventerrein. Temeer - zoals ter zitting bevestigd - de planologische ontwikkelingen voor het in geding zijnde gebied een kwestie van lange adem is en de nodige discussie in de gemeente heeft meegebracht, zou dit juist reden moeten zijn om in de informatieverstrekking terughoudend te zijn wat betreft toekomstige bouwmogelijkheden.

2.10 In het licht van bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank bij eiser gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat een bouwvergunning zou worden verleend en dient dit vertrouwen te worden gehonoreerd. Het besluit van verweerder om een bouwvergunning te weigeren is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat het beroep gegrond is, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

2.11 Het lijkt de rechtbank opportuun dat verweerder in het kader van de nieuwe besluitvorming tevens aandacht besteedt aan de door eiser ter zitting genoemde voorbeelden van bedrijfswoningen die blijkens de overgelegde foto's ten tijde van de zitting op het bedrijventerrein in aanbouw waren.

2.12 Nu het beroep gegrond dient te worden verklaard, is er op grond van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van het geding. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) wordt voor de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand €644,- toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting waarbij het gewicht van de zaak als gemiddeld is aangemerkt).

2.13 Op grond van artikel 1, onder d, van het Besluit kunnen verletkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de verletkosten in verband met vier uren tijdverzuim ten bedrage van € 75,- per uur in verband met het bijwonen van de zitting van 7 maart 2007. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit wordt het bedrag van de verletkosten vastgesteld overeenkomstig het tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen €4,54 en €53,09 per uur bedraagt. De verletkosten kunnen uitsluitend worden vergoed voor zover men deze redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor het bijwonen van de zitting vier uren tijdverzuim heeft gehad. De rechtbank begroot de redelijkerwijs gemaakte verletkosten op 4 x € 53,09 ofwel € 212,36. De reiskosten voor het bijwonen van de zitting worden - berekend op basis van het openbaar vervoer - vastgesteld op een bedrag van € 9,92.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 9 november 2006;

3.3 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 866,28, te betalen door gemeente Zaanstad aan eiser;

3.4 gelast dat gemeente Zaanstad het door eiser betaalde griffierecht van € 141,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, rechter, en op 7 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.