Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6438

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
AWB 07-1368 en 07-1369
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Carport in strijd met verleende bouwvergunning; in dwangsombesluit is de overtreding onvoldoende omschreven; in casu dient de last verdere bouw na te laten zó te worden ingelezen dat de last wordt opgelegd voor zover in strijd met de vergunning wordt gebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07 - 1368 en 07 - 1369

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2007

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te Nieuw-Vennep,

eiseres,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Aan eiseres is - bij besluit van 15 december 2005 - lichte bouwvergunning verleend voor de bouw van een carport en een hekwerk op het perceel van eiseres, [adres].

Bij besluit van 21 september 2006, verzonden op 25 september 2006, heeft verweerder eiseres gelast de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de afwerking van de carport en het aanbrengen van het hekwerk met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- ineens.

Bij besluit van 25 september 2006, verzonden op 29 september 2006, heeft verweerder eiseres gelast de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de (verdere) afwerking van de carport en het aanbrengen van het hekwerk met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden op verbeurte van een dwangsom van € 4.000,- ineens.

Tegen deze dwangsombesluiten heeft eiseres bij brief van 3 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 februari 2007 beroep ingesteld.

Bij brief van 21 februari 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 maart 2007, alwaar eiseres in persoon is verschenen, vergezeld van haar vader, tevens aannemer, [x], wonende te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.P. Hoogewerf en E.Eggen, beide werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat is gebouwd in afwijking van de verleende vergunning, aangezien de carport met circa 1.30 meter is verlengd. Verweerder is derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.3 Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal het bestuursorgaan dat bevoegd is met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.4 Met betrekking tot het eerste primaire besluit, gedateerd 21 september 2006, overweegt de voorzieningenrechter dat het besluit de stillegging van de bouw betreft, terwijl niet duidelijk wordt omschreven waaruit de overtreding bestaat. Verweerder heeft volstaan met de algemene formulering dat in strijd met de verleende bouwvergunning wordt gebouwd. De opgelegde last lijkt op het eerste gezicht duidelijk: er dient te worden gestopt met verdere bouwwerkzaamheden. De last betreft als zodanig een nalaten. Evenwel dient, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in zodanig geval de last zo te worden ingelezen dat de bouw dient te worden gestopt voor zover er in strijd met de vergunning wordt gebouwd. In het onderhavige geval leidt dit tot de hieronder volgende overweging.

2.5 Dat de verlenging van de carport in strijd met de bouwvergunning is, is zoals gezegd, niet in geschil. Ten aanzien van het dichtmaken van de zijwand van de carport heeft de aannemer, tevens vader van eiseres, ter zitting betoogd dat deze niet in strijd is met de verleende bouwvergunning. Hij heeft daarbij gewezen op de bij de bouwvergunning behorende tekening van het bouwplan, waarop de betreffende rabbatdelen naar zijn mening met lijnen staan aangegeven. De stelling van eiseres en haar vader dat de buitenzijde aldus mag worden afgedicht, c.q. dat een dichte wand vergund is, is van de zijde van verweerder niet of onvoldoende weersproken. Voor zover de bouwtekeningen onvoldoende uitsluitsel omtrent de stelling van eiseres en haar vader geven, omdat daarop een tekening van het zijaanzicht ontbreekt, overweegt de voorzieningenrechter dat een eventuele omissie in de (constructie)tekeningen voor risico van verweerder moet blijven, aangezien een aanvraag voor een bouwvergunning wordt beoordeeld aan de hand van de bij een bouwplan behorende tekening(en), waarop bouw, afmetingen, constructies en dergelijke staan aangegeven.

2.6 Nu eiseres en haar vader/aannemer zich in redelijkheid op het standpunt konden en mochten stellen dat het dichtmaken van de zijwand vergund was, kan de opgelegde last geen betrekking hebben op werkzaamheden die het dichten van de wand betreffen. Hieraan doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af dat het dichtmaken de hele lengte, dus inclusief het niet vergunde deel, van de carport besloeg. Verweerder heeft immers nagelaten de overtreding te preciseren en van een burger kan niet worden verwacht dat hij/zij weet - of zoals in casu het er redelijkerwijs voor mocht houden -, dat waar bepaalde werkzaamheden als zodanig zijn vergund, namelijk het dichtmaken van de zijwand, deze werkzaamheden niet zouden zijn toegestaan als ze betrekking hebben op een niet vergund deel van het bouwwerk, namelijk de verlenging.

2.7 Nu de bij het primaire besluit van 21 september 2006 opgelegde last onvoldoende omschreven is, kan het thans bestreden besluit voor zover het dit primaire besluit betreft dan ook niet in stand blijven. Het beroep is in zoverre gegrond. Dit betekent dat, nu aan het primaire besluit een gebrek kleeft, daaraan niet het rechtsgevolg, namelijk het verbeuren van een dwangsom, was verbonden.

2.8 Met betrekking tot het primaire besluit van 25 september 2006 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Niet is betwist dat in strijd met de bouwstop van 21 september 2006 is doorgebouwd. Daaraan doet niet af dat, naar eiseres heeft tegengeworpen, er alleen werkzaamheden werden verricht ten behoeve van de afwerking aan de binnenzijde (mede) ter bescherming tegen weersinvloeden. Ook deze werkzaamheden zijn immers onder bouwwerkzaamheden te begrijpen. Verweerder heeft ook in dit besluit verzuimd de precieze overtreding te noemen, maar naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt was daarover dienaangaande dermate voldoende duidelijkheid verschaft, dat daarin niet een grond is gelegen voor het oordeel dat de overtreding of de last niet in voldoende mate omschreven zouden zijn en verweerder om die reden niet bevoegd zou zijn tot handhaving over te gaan.

Eiseres heeft tevens aangevoerd dat het dwangsombesluit ten onrechte ook het plaatsen van het hekwerk stillegt, terwijl daar niets illegaals aan is.

Dit betoog slaagt niet, aangezien het hekwerk een onlosmakelijk onderdeel van zowel het bouwplan als de daarvoor verleende bouwvergunning is en de overtreding - het in strijd met deze bouwvergunning bouwen - zich tevens daartoe uitstrekt.

2.9 Met betrekking tot de vraag of er reden was van handhaving af te zien op grond van een concreet zicht op legalisatie van de illegale situatie, is van belang dat verweerder bij brief van 21 november 2006 aan eiseres heeft bericht dat het thans bestaande bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan - de afstand van de carport tot de woning is minder dan 5 meter geworden en het bouwperceel wordt thans voor meer dan 1/3 bebouwd - en dat ter zitting is gewezen op een brief van verweerder van 22 maart 2007, waarin eiseres is bericht dat is besloten tot afwijzing van haar verzoek om vrijstelling ten behoeve van een bouwplan in de door eiseres gewenste zin, te weten de verlengde carport met behoud van de dichte zijwand zoals deze is gerealiseerd.

Er bestaat derhalve thans geen concreet zicht op legalisatie. Evenmin zijn er andere bijzondere omstandigheden aangevoerd of gebleken die ertoe zouden moeten leiden dat van handhaving zou moeten worden afgezien.

2.10 Eiseres heeft voorts gewezen op haar belang bij plaatsing van het hekwerk, omdat het hek bescherming tegen vandalisme biedt, hetgeen des te dringender is omdat zij voor haar werk veel in het buitenland is. Gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid die verweerder inzake handhaving toekomt, ziet de voorzieningenrechter hierin geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen, - het op voorhand aan te nemen algemeen belang van verweerder bij handhaving en het door eiseres aangevoerde belang bij bescherming tegen vandalisme van met name haar auto - niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

2.11 Met betrekking tot de bij het primaire besluit van 25 september 2006 opgelegde dwangsom overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Eiseres heeft aangevoerd dat deze te hoog is, omdat het bedrag niet in verhouding staat tot de kosten van het illegaal gebouwde gedeelte, door haar becijferd op € 678,-. Verweerder heeft evenwel terecht de hoogte van de kosten van hele bouwplan in ogenschouw genomen, waarbij terecht, naar ter zitting namens verweerder is opgemerkt, niet is uitgegaan van geringere kosten, omdat de aannemer van het werk de vader van eiseres is. Verweerder heeft erop gewezen dat er een voldoende financiële prikkel moet zijn om aan de last te voldoen en dat is aangesloten bij het beleid om een minimumbedrag van € 2.500,- aan een last te verbinden.

Nu in casu sprake is van een tweede overtreding en verweerder in eerste instantie de dwangsom op een lager bedrag dan het minimumbedrag heeft gesteld en dat bedrag voor de tweede overtreding heeft verdubbeld tot € 4.000,-, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder een te hoge dwangsom heeft vastgesteld.

2.12 Het beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover betrekking hebbend op het primaire besluit van 25 september 2006, is derhalve ongegrond.

2.13 Gegeven de beslissingen in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.14 Nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn er geen termen voor een proceskostenveroordeling. Gelet op overweging 2.7, waarbij het beroep deels gegrond is verklaard, is er aanleiding te bepalen dat het door eiseres in de procedure 07 - 1369 betaalde griffierecht wordt vergoed.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond, voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op het primaire besluit van 21 september 2006;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 19 januari 2007 in zoverre;

3.3 verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 gelast dat de gemeente Haarlemmermeer het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 141,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 27 maart 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.