Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6227

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
15/740107-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Draagwijdte verschoningsrecht van raadsman bij inbeslagname strafdossier. Naar het oordeel van de rechtbank maken afschriften van tot het strafdossier behorende stukken die van de zijde van het parket zijn verstrekt aan de raadsman van verdachte en door diens tussenkomst in handen komen van verdachte, door dit enkele verloop van zaken geen onderdeel uit van de vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en cliënt. Dat oordeel zal anders moeten luiden als en voor zover die stukken door hetzij de raadsman hetzij de verdachte zijn voorzien van vragen of opmerkingen die kennelijk zijn geplaatst in het kader van de bespreking van de zaak ter voorbereiding van de verdediging. Voor het geval in geplaatste opmerkingen van de zojuist bedoelde aard wordt verwezen naar bepaalde onderstrepingen in de tekst of andere toegevoegde kenmerken, komt aan de desbetreffende onderstrepingen of kenmerken eveneens de betekenis toe, dat deze behoren tot de beschermwaardige vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en cliënt. In zulke gevallen komt het oordeel of bepaalde stukken object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toe aan de desbetreffende advocaat. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden dient het belang dat de waarheid aan het licht komt, te prevaleren boven het verschoningsrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 98
Wetboek van Strafvordering 218
Wetboek van Strafvordering 407
Wetboek van Strafvordering 446
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 199
NBSTRAF 2007/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE RAADKAMER

Appelnummer: 07/920

Parketnummer: 15/740107-07

Datum: 23 mei 2007

BESLISSING IN HOGER BEROEP

BESCHIKKING

op het in de zaak tegen verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te PI Amsterdam, HvB Demersluis

door de officier van justitie op 7 mei 2007 ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 27 april 2007, houdende de beslissing een aantal voor inbeslagneming vatbare voorwerpen (procesdossier) niet in beslag te nemen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de processtukken alsmede van de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van verdachte, zoals deze zijn toegelicht tijdens het op 15 mei 2007 gehouden onderzoek in raadkamer; de inhoud van het daarvan afzonderlijk opgemaakte proces-verbaal moet als hier ingelast worden beschouwd.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

In verband met de verdenking een ernstig levensdelict te hebben begaan verbleef verdachte in de laatste maanden van 2006 en in januari 2007 in voorlopige hechtenis. In de maanden december 2006 en januari 2007 deelde hij een cel met [celgenoot]. Verdachte is vervolgens gedagvaard en veroordeeld terzake van bedreiging. Ten aanzien van het onderzoek naar de moord waarvan hij werd verdacht werd een zogenaamde "doorstart" gemaakt. Tijdens dit onderzoek zocht [celgenoot] contact met het onderzoeksteam. In een drietal vervolgens afgelegde verklaringen doet [celgenoot] mededelingen omtrent wat hij van verdachte heeft gehoord en omtrent hetgeen hij heeft meegemaakt tijdens hun gezamenlijke verblijf in de cel, dat relevant zou kunnen zijn in het licht van de verdenking van moord. Hij verklaart dat verdachte zich druk maakte over het onderzoek naar de zaak en veel vragen stelde, onder meer over de mogelijkheden van DNA-onderzoek; ook verklaart hij dat verdachte hem stukken van het strafdossier liet lezen, daarover vragen stelde en daarin onderstrepingen of kruisjes zette bij bepaalde, wellicht bezwarende passages. Deze nieuwe informatie vormde de aanleiding verdachte opnieuw aan te houden. Teneinde aansluitend een doorzoeking te laten plaatsvinden op het adres van verdachte werd door de officier van justitie een vordering daartoe gedaan. In het aan die vordering ten grondslag liggende proces-verbaal aanvraag doorzoeking zijn met zoveel woorden ook genoemd de onderzoeksdossiers Fitter als goederen waarop de doorzoeking ter inbeslagneming gericht zou moeten zijn. Tijdens de doorzoeking in de woning [woning] te Zaandam hebben opsporingsambtenaren in een vuilniszak een ongeordende stapel papieren aangetroffen. Omdat zich in deze stapel kennelijk brieven afkomstig van de advocaat van verdachte en kennelijk delen uit het procesdossier bevonden, heeft de rechter-commissaris de papieren meegenomen naar het kabinet teneinde aldaar te bezien wat wel en niet voor inbeslagneming vatbaar zou zijn.

De rechter-commissaris heeft zich op het standpunt gesteld, dat aangenomen moet worden dat het in de woning van verdachte aangetroffen procesdossier is toegezonden door verdachte's raadsman. Brieven en andere schriftelijke stukken die door of aan de geheimhouder zijn geschreven, behoren, aldus de rechter-commissaris, tot de vertrouwelijke correspondentie, ook als die stukken bij de cliënt thuis worden aangetroffen. De rechter-commissaris heeft vervolgens beslist dat de (deels gevulde) enveloppen van raadsman aan cliënt, brieven van raadsman aan cliënt en kopieën van gedeelten van het procesdossier niet in beslag worden genomen, maar aan verdachte ter hand worden gesteld.

Gelet op de in de appelakte gebruikte bewoordingen en de toelichting in raadkamer moet het hoger beroep geacht worden zich te beperken tot die stukken die vanwege het parket van de officier van justitie aan de raadsman van verdachte zijn verstrekt in verband met de tegen verdachte gerezen verdenking en de onderzoeksresultaten daaromtrent.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank - opnieuw rechtdoende - zal bepalen dat de in de woning van verdachte aangetroffen dossiers alsnog in beslag dienen te worden genomen teneinde aan de politie ter hand te worden gesteld.

Ontvankelijkheid

De raadsman van verdachte heeft op twee verschillende gronden de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het door hem ingestelde hoger beroep, betwist. In de eerste plaats, zo stelt hij, leert een analoge toepassing van artikel 407, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering dat partieel appel uitgesloten is. In de tweede plaats zou geen sprake zijn van een appellabele beschikking van de rechter-commissaris, aangezien niet aannemelijk is dat sprake is geweest van een vordering van de officier van justitie tot inbeslagneming.

Dit verweer dient in beide onderdelen te worden verworpen.

De in artikel 407, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreft het hoger beroep van einduitspraken. Voor analoge toepassing van juist dit artikellid ziet de rechtbank geen aanleiding: daargelaten het feit dat hetgeen in het tweede lid van artikel 407 is bepaald (beperking van het beroep tot één of meer van de gevoegde feiten) eerder voor analoge toepassing in aanmerking zou komen, vat de rechtbank de in artikel 446 Wetboek van Strafvordering gegeven regeling naar de kennelijke bedoeling van de wetgever op in die zin, dat het openbaar ministerie in hoger beroep kan komen van alle beschikkingen van de rechter-commissaris waarbij of voor zover een krachtens het Wetboek van Strafvordering gedane vordering niet is toegewezen.

In de hierboven opgenomen weergave van de door de rechtbank als vaststaand aangenomen feitelijke gegevens komt reeds tot uitdrukking dat en waarom de beschikking van de rechter-commissaris er een is op een vordering van de officier van justitie tot (doorzoeking ter) inbeslagneming. Voor zover in het verweer wordt uitgegaan van het ontbreken van zo'n vordering, mist het feitelijke grondslag.

Draagwijdte van het verschoningsrecht

Waar het hoger beroep geacht moet worden zich te beperken tot die stukken die vanwege het parket van de officier van justitie aan de raadsman van verdachte zijn verstrekt in verband met de tegen verdachte gerezen verdenking en de onderzoeksresultaten daaromtrent, dient de kwestie onder ogen te worden gezien of het verschoningsrecht van de advocaat meebrengt dat zulke stukken, die via zijn kantoor en mogelijk vergezeld van een begeleidend schrijven of voorzien van aantekeningen, zonder meer object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken.

Het impliciete oordeel daaromtrent, vervat in de beschikking van de rechter-commissaris, wordt door de officier van justitie bestreden met de opvatting dat de processtukken die door de raadsman aan verdachte ter hand zijn gesteld doordat ze als bijlage achter een brief in een envelop zijn gestopt, niet vallen onder de vertrouwelijke correspondentie en derhalve wel voor inbeslagneming vatbaar zijn. A fortiori zou deze opvatting gelding hebben voor delen van het dossier die zich niet in een envelop bevinden. Aantekeningen tenslotte, die verdachte in het dossier heeft gemaakt zijn (kennelijk) bestemd voor zijn eigen dossierstudie en bevatten geen correspondentie tussen verdachte en zijn raadsman, aldus nog steeds de officier van justitie.

Mocht de rechtbank van mening zijn dat in casu wel sprake is van vertrouwelijke correspondentie, dan dient in een ernstige zaak als waarvan [verdachte] wordt verdacht, de waarheidsvinding te prevaleren boven het belang van verdachte om kennisneming tegen te gaan, zo heeft de officier van justitie - subsidiair - nog aangevoerd.

Van de zijde van de raadsman van verdachte is daartegen ingebracht dat processen-verbaal na ontvangst hetzij door hemzelf hetzij een kantoorgenoot zijn voorzien van aantekeningen, bijschrijvingen en onderstrepingen. Diezelfde stukken zouden zijn gebruikt tijdens besprekingen over de zaak, bij welke gelegenheden eveneens op die stukken zou zijn geschreven. Daarmee maken deze bijschrijvingen en onderstrepingen deel uit van de vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en verdachte zoals die wordt beschermd door het verschoningsrecht van een advocaat.

Naar het oordeel van de rechtbank maken afschriften van tot het strafdossier behorende stukken die van de zijde van het parket zijn verstrekt aan de raadsman van verdachte en door diens tussenkomst in handen komen van verdachte, door dit enkele verloop van zaken geen onderdeel uit van de vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en cliënt.

Dat oordeel zal anders moeten luiden als en voor zover die stukken door hetzij de raadsman hetzij de verdachte zijn voorzien van vragen of opmerkingen die kennelijk zijn geplaatst in het kader van de bespreking van de zaak ter voorbereiding van de verdediging. Voor het geval in geplaatste opmerkingen van de zojuist bedoelde aard wordt verwezen naar bepaalde onderstrepingen in de tekst of andere toegevoegde kenmerken, komt aan de desbetreffende onderstrepingen of kenmerken eveneens de betekenis toe, dat deze behoren tot de beschermwaardige vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en cliënt. In zulke gevallen komt het oordeel of bepaalde stukken object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toe aan de desbetreffende advocaat. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden dient het belang dat de waarheid aan het licht komt, te prevaleren boven het verschoningsrecht.

Een beoordeling van de door de rechter-commissaris uit de woning van verdachte meegenomen afschriften van (gedeeltes van) het ten aanzien van verdachte aangelegde procesdossier langs de zojuist aangegeven lijnen zal bij uitstek dienen te gebeuren door de rechter-commissaris; deze kan zich in geval van twijfel laten adviseren door de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag, die weer kan opereren in samenspraak met de desbetreffende advocaat.

Op grond van het voorgaande zal het beroep van de officier van justitie gegrond worden verklaard in de omvang als hieronder weergegeven.

BESLIST:

De rechtbank verklaart het hoger beroep van de officier van justitie gegrond in dier voege, dat zij als haar opvatting uitspreekt, dat stukken die via diens raadsman in handen van verdachte komen niet reeds om die reden behoren tot de vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en cliënt en daarmee object zouden uitmaken van de aan de raadsman toekomende bevoegdheid tot verschoning.

Vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

De rechtbank draagt de rechter-commissaris op de op 24 april 2007 in de woning van verdachte aangetroffen afschriften van stukken uit het procesdossier te onderwerpen aan een onderzoek aan de hand van het criterium of daarop vragen of opmerkingen voorkomen die kennelijk zijn geplaatst in het kader van de door verdachte en zijn raadsman te voeren bespreking(en) van de zaak ter voorbereiding van de verdediging, opgevat in de zin zoals hierboven omschreven.

Afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek dienen de desbetreffende pagina's weer in handen gesteld te worden van de verdachte dan wel conform de vordering van de officier van justitie in beslag te worden genomen opdat zij later in handen kunnen worden gesteld van het onderzoeksteam.

Ten aanzien van alle te onderzoeken afschriften van stukken uit het strafdossier bepaalt de rechtbank dat deze stukken zullen worden bewaard op het kabinet van de rechter-commissaris, teneinde een eventueel beroep in cassatie van de officier van justitie of een beklag van de zijde van verdachte als bedoeld in artikel 552a Wetboek van Strafvordering niet illusoir te doen zijn.

Deze beschikking is in raadkamer gegeven op 23 mei 2007 door

mrs. Milius, voorzitter,

Verpalen, rechter,

Hijink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. Hermans, griffier.

Mrs Milius en Hijink zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.