Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6149

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-04-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
15/635728-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne; koerier; verminder toerekeningsvatbaar; beroep op overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/635728-06

Uitspraakdatum: 16 april 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 april 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

PRIMAIR:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 14 december 2006, te Schiphol, gemeente

Haarlemmermeer, en/of Purmerend, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (vanuit Venezuela en/of Groot-Brittanie) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1884 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

SUBSIDIAIR:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 14 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Purmerend opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1884 gram, in elk geval (een) (handels)-hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vierde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft

verdachte opzettelijk

- zijn adres als ontvangstadres aangeboden/gebruikt en/of doen gebruiken en/of

- voornoemde (handels)hoeveelheid verdovende middelen in ontvangst doen nemen en/of genomen;

2.

PRIMAIR:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2005 tot en met 29 december 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Purmerend, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine of heroine, zijnde cocaine of heroine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

SUBSIDIAIR:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2005 tot en met 29 december 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Purmerend opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaine of heroine, zijnde cocaine of heroine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vierde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk

- zijn adres als ontvangstadres aangeboden/gebruikt of doen gebruiken en/of

- heeft hij, voornoemde (handels-)hoeveelheid verdovende middelen in ontvangst genomen en/of

- heeft hij deze (handels-)hoeveelheid verdovende middelen opgeslagen (in de box behorende bij zijn woning).

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

Ten aanzien van de tenlastelegging overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat zowel het onder 1 primair als onder 1 subsidiair tenlastegelgde de opzettelijke invoer van 1884 gram cocaïne betreft met een zelfde pleegdatum, en dat het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde beide de opzettelijke invoer van een (grote) hoeveelheid cocaïne of heroïne betreft met een zelfde pleegdatum. Het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde is enkel een meer specifieke omschrijving van de handelingen die verdachte in dit kader verweten worden. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging dan ook aldus dat verdachte is tenlastegelegd de opzettelijke invoer van 1884 gram cocaïne, alsmede de opzettelijke invoer van een (grote) hoeveelheid cocaïne of heroïne in twee varianten, namelijk invoer of verlengde invoer, waarbij de varianten als te kiezen alternatieven zijn tenlastegelegd.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.1 Standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit.

3.2 Standpunt van de verdediging

Ter zitting heeft de raadsman van verdachte bepleit dat van feit 2 vrijgesproken dient te worden bij gebrek aan bewijs. De raadsman is van mening dat hetgeen verdachte onder 1 subsidiair is tenlastegelegd, te bewijzen zou kunnen zijn.

4. Standpunt van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

4.1 Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er voor het onder twee tenlastegelegde feit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is en spreekt verdachte daarom vrij van dit feit.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat

hij in de periode van 1 december 2006 tot en met 14 december 2006 te Purmerend opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1884 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk

- zijn adres als ontvangstadres aangeboden en doen gebruiken en

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in ontvangst doen nemen.

Hetgeen aan verdachte onder feit 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- Het proces-verbaal waarin staat vermeld dat er op 9 december 2006 op de luchthaven van Gatwick te Engeland een pakket van DHL werd aangetroffen met daarin vermoedelijk cocaïne. Dit pakket is met toestemming van de bevoegde autoriteiten doorgeleverd aan de geadresseerde (dossierpagina 5), zijnde verdachte.

- Het proces-verbaal van bevindingen waarin staat beschreven dat het betreffende pakket op 14 december 2006 aan het adres [adres] te Purmerend is bezorgd en door [betrokkene] in ontvangst is genomen (dossierpagina 41 – 43).

- Het proces-verbaal van technisch onderzoek waaruit blijkt dat in het pakket ongeveer 1884 gram crème kleurige stof is aangetroffen (dossierpagina 142 – 145).

- Een laboratoriumrapport van het Nederlands Forensisch Instituut waaruit blijkt dat de aangetroffen stof cocaïne bevat (dossierpagina 167, 168).

- De bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd bij het verhoor door de rechter-commissaris waarbij de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling werd getoetst.

- De gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte ter zitting.

Alle aangehaalde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Door de verdediging is bepleit dat verdachte geen strafbare dader is omdat hij, gelet op zijn psychische en verstandelijke gesteldheid, als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden. Volgens de raadsman blijkt deze ontoerekeningsvatbaarheid niet alleen uit de recent over verdachte uitgebrachte rapportages, maar ook uit een ter zitting overgelegde verslaglegging d.d. 7 juli 2005 opgemaakt vanuit de instantie Zodiac.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat sprake is van psychische overmacht, nu verdachte geen ‘nee’ heeft kunnen en hoeven zeggen tegen de Colombiaan van wie hij de opdracht heeft gekregen om het pakket in ontvangst te nemen.

De officier van justitie heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven dat, blijkens de inhoudelijke rapportages omtrent verdachte, aannemelijk is geworden dat verdachte een stoornis heeft waardoor hij verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht. Zij heeft aangegeven dat verdachte op verschillende andere momenten wel duidelijk ‘nee’ heeft kunnen zeggen tegen zijn opdrachtgever. Daarmee acht zij een eventueel beroep op psychische overmacht verworpen.

De rechtbank stelt het navolgende vast.

In het dossier bevindt zich een aantal rapporten omtrent verdachte, te weten een consultbrief d.d. 27 december 2006 van de Forensisch Psychiatrische Dienst; een brief d.d. 23 december 2006 van de GZ-psycholoog [psycholoog] en een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 20 februari 2007.

Uit deze stukken komt naar voren dat verdachte op een licht verstandelijk gehandicapt niveau functioneert en dat hij een psychiatrische stoornis binnen het autistisch spectrum heeft en dat sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. De combinatie van deze elementen maakt dat verdachte, aldus de psycholoog, niet in staat kan worden geacht om voldoende de consequenties van zijn handelen te overzien.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare. Zij acht, op grond van het beeld dat uit de rapportages naar voren komt, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Aldus zijn er omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte verminderen.

Het verweer dat sprake zou zijn van psychische overmacht verwerpt de rechtbank, reeds omdat dit niet inhoudelijk is onderbouwd.

7. Motivering van sancties en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van hetgeen uit voornoemde rapporten is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 1884 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rol die verdachte bij de invoer heeft gespeeld, is dat hij zijn adres beschikbaar heeft gesteld om de aflevering van het pakketje met cocaïne te laten plaatsvinden. Hiervoor zou verdachte ook een beloning krijgen.

Zonder afleveradressen in Nederland zou de organisatie waar verdachte bij betrokken is geraakt, hier geen zaken kunnen doen.

De officier van justitie heeft als straf geëist dat opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Aan de voorwaardelijke straf is een proeftijd gekoppeld voor de duur van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende deze proeftijd dient te gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland.

De raadsman heeft verzocht om verdachte geen straf op te leggen, nu verdachte niet als strafbare dader kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard van het delict alsmede de strafbaarheid van verdachte, een vrijheidsbenemende straf dient te worden opgelegd. Krachtens de oriëntatiepunten straftoemeting van drugskoeriers, waarbij de rechtbank in deze aansluiting zoekt, behoort bij de door verdachte ingevoerde hoeveelheid cocaïne een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van ongeveer 15 maanden.

Nu verdachte als verminderd toerekeningsvatbare dader dient te worden beoordeeld, alsmede in de rol van verdachte, ziet de rechtbank aanleiding om ten voordele van verdachte af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten.

In de persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank voorts aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan.

Voorts acht de rechtbank het van belang dat verdachte na zijn detentie begeleid zal worden door de Reclassering. Zij zal aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf derhalve de voorwaarde van reclasseringstoezicht koppelen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 2 is tenlastegelegd.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ZES (6) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland zolang die instelling dit nodig acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan rechthebbende van 1 identiteitsbewijs meerkleurig op naam van Rubens Miguel da Silva, geboren 07-02-1978.

Gelast de teruggave aan verdachte van de zaken zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 19 maart 2007 onder de nummers 2, 3, 4, 5, 6, 8, 10 en 17.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Monster, voorzitter,

mrs. Wolfs en De Vries-Van den Heuvel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Touwen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 april 2007.