Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6041

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
133919
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is de kinderrechter van oordeel dat opname en behandeling van de minderjarige in De Koppeling noodzakelijk is in het belang van diens verzorging en opvoeding.

Nu echter de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg) vertraging oploopt, terwijl De Koppeling een gesloten accommodatie is als bedoeld in dit wetsvoorstel, zal thans, in weerwil van hetgeen de advocaat van [minderjarige] terecht opmerkt, een machtiging voor een justitiële jeugdinrichting worden afgegeven. De kinderrechter overweegt daarbij dat het, gelet op de ernstige gedragsproblemen van de minderjarige, noodzakelijk is hem dag en nacht uit huis te plaatsen in een voldoende gestructureerde en veilige omgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

Machtiging uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling

zaak-/rekestnr.: 133919/07-330

beschikking van de kinderrechter d.d. 20 april 2007

naar aanleiding van een verzoek van:

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

verder te noemen: de Stichting,

met betrekking tot de minderjarige:

naam: [naam minderjarige]

geboren: [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]

moeder: [naam moeder]

wonende te [woonplaats]

vader: onbekend

voogdij: Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland

verblijfplaats: [naam[ te Almere

Verloop van de procedure

De Stichting, belast met de voogdij over voornoemde minderjarige, heeft op 21 maart 2007 verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, in een justitiële inrichting voor de duur van een jaar.

Het hulpverleningsplan is bij dat verzoek gevoegd.

Op 21 maart 2007 is het indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg aan de rechtbank overgelegd.

Aan de minderjarige is als raadsvrouwe mr. M.B. Meindersma toegevoegd.

Op 13 april 2007 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Hierbij is verschenen en gehoord:

- de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [naam] (uitvoerend voogdijwerkster).

De moeder heeft zich schriftelijk akkoord verklaard met het verzoek.

De minderjarige is in de gelegenheid gesteld in raadkamer te worden gehoord.

Beoordeling

De raadsvrouwe van [minderjarige] heeft ter zitting aangegeven dat het haar niet gelukt is om met hem in contact te komen, maar dat zij het blijft proberen. Wel wijst zij op het feit dat De Koppeling geen inrichting is in de zin van artikel 261 lid 5 van Boek 1van het Burgerlijk Wetboek en dus is er geen machtiging voor een justitiële jeugdinrichting nodig. Daarnaast zou [minderjarige] mogelijk in het kader van de Bopz moeten worden opgenomen.

De voogdijwerkster geeft aan dat De Koppeling om die machtiging vraagt en dat [minderjarige] wil meewerken aan deze vorm van behandeling.

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is de kinderrechter van oordeel dat opname en behandeling van de minderjarige in De Koppeling noodzakelijk is in het belang van diens verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daarbij dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat behandeling en verblijf in De Koppeling noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Nu echter de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg) vertraging oploopt, terwijl De Koppeling een gesloten accommodatie is als bedoeld in dit wetsvoorstel, zal thans, in weerwil van hetgeen de advocaat van [minderjarige] terecht opmerkt, een machtiging voor een justitiële jeugdinrichting worden afgegeven. De kinderrechter overweegt daarbij dat het, gelet op de ernstige gedragsproblemen van de minderjarige, noodzakelijk is hem dag en nacht uit huis te plaatsen in een voldoende gestructureerde en veilige omgeving. Opname op grond van de wet Bopz kan in dit geval geen oplossing bieden nu deze wet niet is gericht op behandeling van de minderjarige en [de minderjarige] behandeling dringend nodig heeft en deze kan krijgen in De Koppeling.

De rechtbank gaat ervan uit dat de machtiging voor verblijf in een justitiële jeugdinrichting niet ten uitvoer zal worden gelegd zolang de minderjarige zich laat opnemen en behandelen in De Koppeling.

Beslissing

De kinderrechter:

Verleent machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een Justitiële Jeugdinrichting, conform het indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg, welk besluit aan deze beschikking is gehecht met ingang van 20 april 2007 tot 20 april 2008.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. de Rooij als kinderrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2007, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier.