Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA5875

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
06/397
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Ook bijtelling privé-gebruik van een auto van de zaak voor als de auto meer dan 15 jaar oud is. Waarde voor box 3 van de onroerende zaak is door verweerder aannemelijk gemaakt. Eiser heeft een lagere waarde niet aannemelijk gemaakt. Geen vermindering heffingsrente nu direct na aangifte voorlopige aanslag is vastgesteld en voorlopige teruggave is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/397

Uitspraakdatum: 25 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is voor het jaar 2002 met dagtekening 2 februari 2005 een aanslag (aanslagnummer 000.00.000) in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 34.911 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 45.233. Bij de aanslag is € 724 heffingsrente in rekening gebracht. Op hetzelfde aanslagbiljet is bij afzonderlijke beschikking een nog te verrekenen verlies uit werk en woning uit voorafgaande jaren verrekend met het inkomen uit werk en woning.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2005 de aanslag en de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij beroepschrift van 20 december 2005, ontvangen bij de rechtbank per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007 te Haarlem.

Eiser is daar in persoon verschenen, vergezeld van A. Namens verweerder zijn verschenen B en C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

a. In maart 2003 heeft eiser aangifte gedaan van een inkomen uit werk en woning van € 30.487. In dit bedrag was uitsluitend opgenomen loon uit vroegere dienstbetrekking.

Eiser heeft in de zogenoemde box 3 aan gemiddelde waarde van de bezittingen een bedrag van € 944.067 aangegeven. Daarbij heeft eiser als waarde van zijn onroerende zaken gemiddeld opgegeven € 812.810 (gemiddelde van € 812.720 en € 812.900). Na aftrek van de gemiddelde waarde van de schulden ten bedrage van € 778.194 heeft hij een gemiddelde rendementsgrondslag aangegeven van € 165.873, hetgeen na aftrek van een heffingsvrij vermogen van € 18.146, resulteerde in een gemiddelde rendementsgrondslag van € 147.727. Bij de specificatie van de overige onroerende zaken heeft eiser voor de onroerende zaak a-straat 1 boven als waarde op 1 januari en 31 december 2002 opgegeven € 81.860. In de aangifte is een terug te ontvangen bedrag van € 9.002 berekend.

b. Bij voorlopige aanslag is aan eiser een voorlopige teruggave verleend van € 8.167.

c. Verweerder heeft het inkomen uit werk en woning gecorrigeerd en € 4.424 hoger vastgesteld dan de aangifte in verband met bijtelling voor een BMW-auto en een Suzuki-auto die D B.V. (hierna: de BV) aan eiser ter beschikking heeft gesteld.

In box 3 heeft verweerder de aangegeven gemiddelde rendementsgrondslag gecorrigeerd met een vordering ad € 192.856 op mevrouw E en de totale waarde van eisers onroerende zaken, waaronder de onroerende zaak a-straat 1 boven, vastgesteld op € 1.575.164. Bij de schulden heeft verweerder de posten onderhoud panden gecorrigeerd en het bedrag aan schulden verlaagd met € 20.563 (1/1) en € 35.211 (31/12). De gemiddelde rendementsgrondslag heeft verweerder na vermindering met het heffingsvrij vermogen aldus vastgesteld op € 1.130.824. Verweerder is daarbij uitgegaan van een waarde voor a-straat 1 huis en 1 boven tezamen van € 750.000.

3. Geschil

3.1 In geschil zijn thans nog a. de bijtelling voor privé-gebruik van de auto’s bij het inkomen uit werk en woning, b. de waarde van a-straat 1 boven, c. de bijtelling in de rendementsgrondslag van de vordering op mevrouw E en d. de heffingsrente.

3.2 Eiser betwist de bijtelling voor privé-gebruik van de auto’s, bepleit een lagere waarde voor a-straat 1 boven, voert aan dat hij in 2002 geen vordering had op mevrouw E en bestrijdt de verschuldigdheid van heffingsrente.

3.3 Verweerder is op deze vier punten een andere mening toegedaan dan eiser. De correctie voor de bijtelling privé-gebruik auto’s dient nader te worden vastgesteld op € 1.010. De gemiddelde waarde van de onroerende zaken in box 3 dient volgens verweerder vastgesteld te worden op € 1.197.500, waaronder gemiddeld € 337.500 voor a-straat 1 boven en € 332.500 voor a-straat 1 hs. Tegenover de vordering op mw. E dient een schuld aan de BV te worden opgenomen van € 192.856. Verweerder concludeert vanwege ook zijns inziens noodzakelijke verminderingen tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een inkomen uit werk en inkomen van € 31.497 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.412 (4 % van € 560.304). De heffingsrente dient in verband met de vermindering van de aanslag eveneens te worden verminderd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Uit het standpunt van verweerder in beroep volgt, dat de aanslag moet worden verminderd en dat het beroep om die reden gegrond is. De rechtbank zal thans beslissen op de resterende geschilpunten.

Privé-gebruik auto’s

4.2 Niet is in geschil dat in 2002 aan eiser door de BV ook voor privédoeleinden een BMW-auto en een Suzuki-auto ter beschikking zijn gesteld. In Afdeling 3.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn bepalingen opgenomen voor de waardering van niet in geld genoten inkomen. Ingevolge artikel 3.145, eerste lid, Wet IB 2001, zoals dat in het onderhavige jaar luidde, wordt het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25 % van de waarde van de auto. Ingevolge artikel 3.145, zevende lid, Wet IB 2001, zoals dat luidde voor het jaar 2002, is – voor zover hier van belang – de waarde a. van een personenauto: de catalogusprijs en c. van een personenauto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: de waarde in het economisch verkeer.

4.3 Verweerder heeft nadat eiser in bezwaar kentekenbewijzen van de BMW (afgiftedatum 7 oktober 1985) en de Suzuki Alto (afgiftedatum 23 juni 1987) had overgelegd, in de bezwaarfase bij brief van 2 februari 2005 (bijlage 46 bij verweerschrift) en in beroep de bijtelling op basis van deze ouderdom opnieuw berekend en uiteindelijk in het verweerschrift bepleit de bijtelling vast te stellen op € 1.010.

4.4 Eiser heeft tegen verweerders standpunt ingebracht dat de auto’s ouder zijn dan 15 jaar en dat daarom bijtelling niet aan de orde is. Eisers standpunt vindt geen steun in de wet zoals hiervoor onder 4.2 aangehaald. Daar is immers geregeld op welke wijze de bijtelling bij auto’s ouder dan 15 jaar moet worden bepaald, maar niet dat de bijtelling voor auto’s ouder dan 15 jaar nihil moet zijn. Voorts is gesteld noch gebleken dat de waarde in het economisch verkeer van de auto’s lager is dan verweerder heeft bepleit. De rechtbank zal daarom verweerder in zijn in beroep bepleite standpunt volgen.

De waarde van a-straat 1 boven

4.5 Ingevolge artikel 5.19 Wet IB 2001 worden bezittingen in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer.

4.6 Tijdens een gesprek met eiser op 25 augustus 2004 heeft verweerder de indruk gekregen dat eiser mee wilde werken aan minnelijke taxatie van alle onroerende zaken van eiser voor box 3 waaronder a-straat 1 boven. Naderhand bleek dat eiser toch niet wilde meewerken aan aanwijzing van wederzijdse taxateurs. Verweerder heeft vervolgens opdracht gegeven aan F, taxateur onroerende zaken bij de Belastingdienst te P, de onroerende zaken te waarderen. In een rapport van 1 maart 2005 heeft deze taxateur na opname de waarde in verhuurde staat van a-straat 1 boven (in dat rapport aangeduid als a-straat 1-II) op peildatum 1 januari 2002 geschat op € 330.000 en op 1 januari 2003 op € 345.000. Hij schatte de waarde vrij van huur en gebruik per 1 januari 2004 op € 360.000. Omdat er sprake is van een huurder heeft hij een waarde drukkende factor toegepast. Als huuropbrengst heeft hij een bedrag van € 6.430 per jaar vermeld. Hij vermeldt dat de woning een totale oppervlakte heeft van ca. 240 m2, inwendig in oude staat verkeert en voorzien is van isolatieglas. In een brief van 16 maart 2005 heeft hij zijn taxatie nader toegelicht. Hij geeft aan dat hij rekening heeft gehouden met het feit dat de huurder op 1 januari 2004 72 jaar oud was, dat de waarde in verhuurde staat is gesteld op 60% van de leegwaarde en dat de 60 % norm overeen komt met een contante waarde van de leegwaarde na circa 13 jaar. Hij wijst erop dat eiser a-straat 1 hs door G makelaardij per 1 juni 2001 heeft laten taxeren, waarbij een waarde is vastgesteld van € 500.000 in verhuurde staat, terwijl hij dat appartement heeft getaxeerd op € 310.000.

4.7 Eiser heeft bij zijn aangifte een waarde voor a-straat 1 boven aangegeven van € 81.860. Hij heeft een taxatierapport overgelegd, gedateerd 23 juli 2002, van H waarin als onderhandse verkoopwaarde in de huidige verhuurde staat is vermeld € 100.000. In het rapport is als doel van de taxatie opgenomen financiële positiebepaling door opdrachtgever. Als opdrachtgever is vermeld de “BV, t.a.v. eiser”. Bij brief van 12 maart 2006 (gedingstuk A11) heeft eiser een brief overgelegd van I van 29 december 2005, waarin deze aan a-straat 1 boven een waarde toekent per 1 januari 2006 van € 190.000 k.k. bij onderhandse verkoop in verhuurde staat. Hij vermeldt een huur van € 5.800. De waarden heeft hij bepaald op basis van waarneming van de onroerende zaak, kennis van de markt en op basis van door de opdrachtgever, eiser, verkregen informatie.

4.8 Taxateur F heeft bij brief van 21 maart 2006 (bijlage bij gedingstuk A14, de brief van verweerder van 23 maart 2006 aan de rechtbank) zijn taxatie in reactie op de taxatie van I nogmaals toegelicht. Hij wijst op verkopen van verhuurde appartementsrechten voor 40 tot 50 maal de jaarhuur. In reactie hierop heeft I bij brief van 2 mei 2006 (stuk 7 bij de brief van eiser aan de rechtbank van 25 juli 2006 (de zogenoemde pleitnota) zijn waardering toegelicht en aangegeven te hebben gewerkt met een factor van 33 maal de jaarhuur.

4.9 Bij brief van 28 januari 2007 heeft eiser aan de rechtbank meegedeeld, dat hij het hele pand a-straat 1 heeft overgedragen op 1 maart 2007. In de door hem overgelegde akte is een totale verkoopprijs van € 1.120.000 vermeld.

4.10 Uit de door partijen verstrekte gegevens, waaronder het taxatierapport van F van 18 februari 2005 betreffende a-straat 1 hs (bijlage P10 bij het beroepschrift), blijkt dat ook dat appartementsrecht werd verhuurd. Dat appartementsrecht bestaat evenals a-straat 1 boven uit drie verdiepingen, zoals vermeld in de koopakte bij de brief van eiser van 28 januari 2007 aan de rechtbank (gedingstuk A30). F heeft dat appartement getaxeerd op € 325.000 per 1 januari 2002. Eiser heeft deze waardering als niet te hoog geaccepteerd (pagina 18 van zijn beroepschrift). Eiser had als waarde van die onroerende zaak in zijn aangifte vermeld € 175.613.

4.11 In zijn brief van 28 januari 2007 en ter zitting heeft eiser gesteld dat bij de verkoop van a-straat 1 aan de bovenwoning een waarde van € 245.000 zou zijn toegekend en aan de benedenwoning € 875.000.

4.12 Tegen de achtergrond van de hiervoor vermelde feiten en stellingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat taxateur F de waarde van a-straat 1 boven per 1 januari 2002 en 31 december 2002 met de waarden € 330.000 en € 345.000 hoger heeft vastgesteld dan de waarde van die zaak op die data in het economisch verkeer. Een lagere waarde heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De waarde opgenomen in de aangifte kwam niet overeen met het taxatierapport van H, waarover eiser toen al moet hebben beschikt. De taxatie van I, die eiser later heeft ingebracht, wijst bovendien op een veel hogere waarde dan de in de aangifte aangegeven waarde. De rechtbank heeft daarnaast geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van taxateur F. Zijn waardering is voldoende overtuigend gemotiveerd. Aan de taxatie van I komt daartegenover onvoldoende bewijskracht toe voor een lagere waardering. Daarbij weegt mee dat eiser zelf de gegevens voor die taxatie heeft aangedragen en dat de verkoop met transportdatum 1 maart 2007 op een veel hogere waarde wijst dan I heeft opgegeven. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een zeer aanzienlijke stijging van de waarde van het pand tussen de waardering door Is en de verkoop. De door eiser overgelegde stukken wettigen voorts niet de conclusie dat de appartementen afzonderlijk zijn verkocht voor de bedragen die eiser heeft genoemd. Bovendien stond hij zelf bij zijn aangifte een waardeverhouding voor van circa 82 : 176 voor het bovenappartement in verhouding tot de benedenwoning. Ook in die verhouding zou a-straat 1 boven bij de verkoopprijs van € 1.120.000 maal 82/258 is circa € 360.000 opgebracht hebben. Ook hiervan uitgaande is de taxatie van F ondanks het tijdsverloop op € 330.000 en € 345.00 niet te hoog.

4.13 De rechtbank zal daarom verweerder in zijn taxatie van deze onroerende zaak volgen.

Bijtelling in de rendementsgrondslag van de vordering op mevrouw E

4.14 Dat er een vordering uit 1994 van € 192.856 op mevrouw E bestaat, heeft eiser niet betwist. Eiser heeft echter gesteld dat hij in 2002 geen rechthebbende op, c.q. crediteur van de vordering was. De vordering zou zijn overgegaan naar zijn BV. Verweerder heeft daar tegenover erop gewezen, dat eiser wisselende standpunten heeft ingenomen over de vraag tot wiens vermogen de vordering in 2002 behoorde.

4.15 De rechtbank kan echter thans in het midden laten of de vordering invloed heeft gehad op de hoogte van de rendementsgrondslag omdat verweerder bij verweerschrift het standpunt heeft ingenomen dat tegenover de vordering van eiser op mevrouw E in verband met de overname door eiser van deze vordering van de BV een schuld van eiser tot een even groot bedrag aan de BV staat. Voor het jaar 2002 verhoogt de vordering op mevrouw E ook in de visie van verweerder eisers inkomen uit sparen en beleggen daarom per saldo niet.

4.16 De rechtbank zal, mede gelet hetgeen onder 4.15 is overwogen, verweerder daarom volgen in zijn standpunt bij verweerschrift over de in aanmerking te nemen rendementsgrondslag.

Heffingsrente

4.17 Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een aanslag wordt vastgesteld. Ingevolge het derde lid wordt de heffingsrente berekend met betrekking tot inkomstenbelasting over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. Ingevolge artikel 30h in verband met 30f, vijfde lid, Awr wordt heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van de aanslag na verrekening met voorlopige aanslagen.

4.18 Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder zich in de bestreden uitspraak op bezwaar niet expliciet heeft uitgelaten over de heffingsrente waartegen eiser in een van zijn bezwaarschriften (bijlage 40 bij verweerschrift) wel bezwaren had aangevoerd. In zijn verweerschrift heeft verweerder alsnog een standpunt ingenomen. De rechtbank zal ook op dit geschilpunt een inhoudelijke beslissing nemen.

4.19 Eiser heeft aangevoerd dat hij bezwaar heeft tegen de heffingsrente omdat verweerder de aanslag te laat heeft vastgesteld. Hij heeft aangifte gedaan in maart 2003 en de aanslag dateert van 2 februari 2005. Hij beroept zich op een uitspraak van de Hoge Raad van 15 mei 2006 (zaaknummer 40.559, LJN: AX0827).

4.20 Deze grief van eiser slaagt niet. Het hiervoor onder 4.17 samengevat wettelijk kader ter zake van de heffingsrente biedt geen ruimte voor vermindering van de uit de wet voortvloeiende heffingsrente indien de aanslag niet korte tijd na de aangifte wordt vastgesteld. In de door eiser aangehaalde uitspraak is onderzocht de stelling van de belanghebbende in die procedure dat het de bedoeling zou zijn geweest van de wetgever dat binnen drie maanden na het indienen van de aangifte de belastingaanslag wordt opgelegd en dat heffingsrente moet worden gematigd als zonder rechtvaardiging de aanslag later wordt opgelegd. Het gerechtshof heeft in die zaak geoordeeld dat die opvatting geen steun vindt in het recht. De Hoge Raad heeft dat oordeel in stand gelaten. De rechtbank ziet geen grond voor een andere uitleg van de wet.

4.21 In diezelfde zaak heeft het gerechtshof onderzocht of de staatssecretaris van Financiën bij de parlementaire behandelingen van de wettelijke bepalingen over heffingsrente ter zake bindende toezeggingen heeft gedaan. Daarbij heeft het gerechtshof onder meer het besluit van de staatssecretaris van 27 september 2000 (nr. CPP 2000/1945, V-N 2000/45.8) betrokken. Het gerechtshof heeft geconcludeerd dat slechts indien een belastingplichtige een duidelijk en volledig verzoek heeft gedaan om een voorlopig aanslag op te leggen, dat feit mee kan brengen dat heffingsrente moet worden gematigd als niet binnen drie maanden de aanslag of voorlopige aanslag wordt opgelegd. De Hoge Raad heeft ook dat oordeel in stand gelaten. De rechtbank ziet geen grond voor een ander oordeel.

4.22 Voor onderhavige zaak betekent een en ander het volgende. Niet is gesteld of gebleken dat eiser een duidelijk en volledig verzoek om snelle vaststelling van een voorlopige aanslag heeft gedaan. Sterker nog, in onderhavige zaak is op basis van eisers aangifte wel voorafgaand aan de aanslag een voorlopige aanslag vastgesteld, waarbij aan eiser in overeenstemming met zijn aangifte een voorlopige teruggave is verleend. Onder die omstandigheden is er ook in het licht van het besluit van de staatssecretaris van 27 september 2000 geen grond voor matiging van de heffingsrente.

4.23 Verweerder heeft echter wel aangegeven dat de heffingsrente moet worden verminderd vanwege zijn standpunt in beroep over de hoogte van de aanslag. Het beroep is derhalve op dit punt ook gegrond en de heffingsrente moet in overeenstemming met vermindering van de aanslag worden verminderd.

Slotsom

4. 24 Gelet op het vorenoverwogene kan de rechtbank als volgt zelf in de zaak voorzien.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder dient wel het betaalde griffierecht te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 31.497 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.412 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- verrekent het verlies uit werk en woning uit voorafgaande jaren met het inkomen uit werk en woning tot het bedrag van € 31.497 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. R.G. Kemmers en A.A. Fase, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.