Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA5705

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
07-2709
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht de door verweerder aan vergunninghouder verleende bouwvergunning te schorsen. Verzoekster meent dat de bouwvergunning in strijd is met de bouwverordening. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van verweerder dat in voldoende mate is voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, dat voldoende ruimte is aangebracht ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s en dat de aan de orde zijnde weg voldoet aan de in de bouwverordening gestelde eisen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de bouwverordening. Nu zich ook overigens geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44 Ww voordoen, was verweerder gehouden de bouwvergunning te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07- 2709 / AWB 07-1622

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2007

in de zaak van:

OSTARA Vastgoed B.V.,

gevestigd te Purmerend,

eiseres,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Pumerend,

verweerder,

derde partij

City Theater Venlo B.V. / Heidema Holding B.V.,

gevestigd te 's Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2006 heeft verweerder aan City Theater Venlo B.V./Heidema Holding B.V. (hierna: vergunninghoudster) een bouwvergunning verleend voor een gevelwijziging en een interne verbouwing van een bedrijfspand op het perceel IJsendijkstraat 150 te Purmerend.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 september 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 januari 2007, verzonden op 23 januari 2007, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 2 maart 2007 beroep ingesteld. Bij brief van 13 april 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 25 april 2007, alwaar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door R. Brucker, directeur van eiseres en J. Doets. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.H. Correia-Goede en mr. L.J.P. Rog, beiden werkzaam bij de gemeente Purmerend. Namens vergunninghoudster zijn verschenen gemachtigden R.A.J. Franken en mr. M.M. Vrolijk.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Naar aanleiding van de aanvraag om een bouwvergunning heeft verweerder aan vergunninghoudster een bouwvergunning verleend voor een gevelwijziging en een interne verbouwing van het bedrijfspand op het perceel IJsendijkstraat 150 te Purmerend waarbij tien bedrijfsruimten worden gecreëerd met ieder een eigen overheaddeur.

2.3 Aangezien vergunninghoudster eiseres heeft medegedeeld de bouwactiviteiten te willen afronden, heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de bouwvergunning wordt geschorst.

2.4 Eiseres is van mening dat het bouwplan niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2.5.30 en 5.1.2 van de bouwverordening en de bouwvergunning daarom op grond van artikel 44 Woningwet (Ww) moet worden geweigerd.

Eiseres verwacht grote overlast door het ontbreken van voldoende laad- en loscapaciteit voor de tien geplande bedrijfsruimten. De afstand van de gevel van vergunninghoudster tot de erfgrens van eiseres is volgens eiseres 5.5 meter. Op de bouwtekeningen is te zien dat aan de kant waar de overheaddeuren zullen worden geplaatst, tevens veertien parkeerplaatsen zijn gepland waarvoor minimaal een breedte van 1.75 meter moet worden gereserveerd. Het idee dat vrachtwagens aan de achterzijde van het pand zullen parkeren om vervolgens met een steekkar, pompwagen of heftruck de goederen naar de geplande bedrijfsruimten te brengen, acht eiseres volstrekt ongeloofwaardig. Volgens eiseres zullen vrachtwagens dan ook voor de overheaddeuren stoppen om te laden en te lossen.

Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat verweerder een norm hanteert van twee parkeerplaatsen per 75 m² bedrijfsruimte en dat het aantal parkeerplaatsen op het perceel IJsendijkstraat 150 niet aan deze norm voldoet.

Eiseres voert voorts aan dat de weg dermate smal is dat auto's niet kunnen passeren wanneer een vrachtwagen voor een van de overheaddeuren staat te laden of te lossen en dat dit tevens gevolgen heeft voor hulpverlenende diensten.

Indien vrachtwagenchauffeurs ervoor kiezen hun vrachtwagen aan de zijkant van het pand van vergunninghoudster te parkeren om vervolgens hun goederen 130 meter verderop af te leveren of op te halen, meent eiseres dat zij de toegang tot haar pand zullen blokkeren.

2.5 Uit het bepaalde in artikel 44 Ww volgt dat een bouwvergunning dient te worden geweigerd, indien zich één of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoen, doch dat de vergunning moet worden verleend, indien een weigeringsgrond ontbreekt. Indien een bouwaanvraag niet voldoet aan de bouwverordening doet zich de weigeringsgrond voor genoemd in het eerste lid, onder b, en dient de bouwvergunning te worden geweigerd.

2.6 Artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening luidt: Indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente dan wordt bedoeld in het eerste en het tweede lid, en de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Artikel 2.5.30, vijfde lid, van de bouwverordening luidt: Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Artikel 5.1.2 van de bouwverordening, voor zover van belang, luidt:

1. Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.

2. Een geschikte verbindingsweg moet (...):

a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;

b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en

c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.

3. (...)

4. Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.

5. (...)

2.7 Onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat het bouwplan niet in strijd is met de bouwverordening.

2.8 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.9 De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van verweerder dat in voldoende mate is voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat aan de voorzijde van het bedrijfspand 14 laad- en losplaatsen zullen worden gecreëerd en dat dit, gelet op de bestemming "handel en nijverheid" en de grootte van de gemiddelde bedrijfsruimten van 94 m², voldoende is om te kunnen voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen. Gelet op het feit dat de bedrijfsruimten, zowel overdag als 's avonds, zullen worden gebruikt voor kleinschalige opslag is het immers niet aannemelijk dat alle 14 laad- en los plaatsen gelijktijdig zullen worden benut.

2.10 Evenmin is gebleken dat, met het oog op de omvang en de bestemming van het gebouw, niet voldoende ruimte is aangebracht ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's. In totaal zijn er aan beide zijden van het pand van vergunninghoudster 21 parkeerplaatsen aanwezig. Noch in hetgeen eiseres heeft aangevoerd in haar beroepschrift, noch in hetgeen ter zitting is aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter een aanwijzing gevonden dat dit onvoldoende zou zijn. Tevens is niet gebleken dat verweerder beleid hanteert dat voorschrijft dat per 75 m² bedrijfsruimte, gebouwd op grond met de bestemming "handel en nijverheid", in twee parkeerplaatsen moet zijn voorzien.

2.11 Voorts is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met artikel 5.1.2 van de bouwverordening. De aan de orde zijnde weg is een verbindingsweg die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer. De weg heeft een breedte van ten minste 4.5 meter, is over een breedte van ten minste 3.25 meter verhard en is geschikt voor vrachtauto's. Tevens zijn er nabij het pand opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig.

2.12 Gelet op bovenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de bouwverordening. Nu zich ook overigens geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44 Ww voordoen, was verweerder gehouden de bouwvergunning te verstrekken.

2.13 Voor zover de grieven van eiseres zien op de door haar gemeende overlast die de toekomstige situatie met zich mee zal brengen, kan behandeling daarvan achterwege blijven nu deze grieven niet kunnen leiden tot weigering van de bouwvergunning op grond van artikel 44 Ww.

2.14 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Nu het beroep ongegrond is, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het desbetreffende verzoek wordt derhalve afgewezen.

2.15 Van de zijde van vergunninghoudster is verzocht om een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzieningenrechter, en op 7 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.