Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA5554

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05/2016 en 05/2018
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BC8839, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rekening-courantschuld. Vaststellingsovereenkomst aflossing. Schuld was bij de aanslagregeling over 1997 nog niet afgewikkeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1035

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB05/2016 en 05/2018

Uitspraakdatum: 11 april 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Y, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 29 december 2001 heeft verweerder aan eiser een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1998 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 453.780 (f 1.000.000). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder deze aanslag bij uitspraak van 7 juni 2005 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 64.492 (f 142.121).

Met dagtekening 5 november 2003 heeft verweerder aan eiser een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2000 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 142.434 (f 313.883). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder het belastbaar inkomen bij uitspraak van 10 februari 2006 gehandhaafd.

Eiser heeft met een tweetal brieven van 19 mei 2005 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslagen over 1998 en 2000. Verweerder heeft een selectie van de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Op 15 februari 2006 en 29 augustus 2006 heeft eiser nadere stukken ingediend, die door de griffier in afschrift aan verweerder zijn doorgezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2006 te Haarlem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde A. Namens verweerder zijn verschenen B en C. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd, welke de rechtbank tot de stukken van het geding rekent.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser exploiteerde een postzegelhandel in de vorm van een eenmanszaak. Ten behoeve van deze eenmanszaak heeft eiser van een door hem beheerste besloten vennootschap, D B.V., bedragen in rekening-courant geleend.

2.2. Met betrekking tot deze rekening-courantvordering (verder: de vordering) hebben D B.V., eiser en verweerder in april 1997 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarvan de inhoud luidt als volgt:

“Overeenkomst

De ondergetekenden,

1. [eiser], hierna te noemen “de schuldenaar” en

2. D B.V., hierna te noemen “de BV” en

3. (…) “de inspecteur”,

- stellen vast dat de schuldenaar tot de BV in een zodanige relatie staat dat hij/zij daaruit inkomsten pleegt te genieten en dat de schuldenaar per 31 december 1996 debet staat bij de BV tot een bedrag van f 1.026.066;

- menen dat de opnamen die tot de debetstand hebben geleid tot inkomsten in materiële zin zouden kunnen worden aangemerkt of dat deze als genoten ten titel van een voorschot op inkomsten zouden kunnen worden beschouwd;

- wensen geschillen te vermijden en komen overeen het er voor te zullen houden dat de opnamen vóór 31 december 1996 beoogden een geldlening tot stand te brengen, die niet het karakter draagt van voorschot op inkomsten of van inkomsten in materiële zin.

Daartoe komen partijen het volgende overeen:

a. Ingaande 1 januari 1997 zal de bovenomschreven schuld in maximaal 10 jaar (...)worden afgelost.

b. De jaarlijkse aflossing bedraagt minimaal f 102.067

c. De rente bedraagt minimaal 6% per jaar.

d. Rente en aflossing worden jaarlijks daadwerkelijk betaald.

e. De schuldenaar verbindt zich overigens geen geld van de BV te lenen, noch van een andere vennootschap waarop hij/zij als directeur en/of aandeelhouder een overwegende invloed heeft.

f. De BV verklaart een eventuele afboeking op de lening en/of rente nimmer ten laste van de fiscale winst te zullen brengen.

g. Indien ultimo van enig jaar een schuld bestaat die strijdig is met wat hierboven is overeengekomen, dan zal het afwijkende gedeelte op genoemd tijdstip als netto winstuitdeling worden aangemerkt en zal de BV hiervan op de voorgeschreven wijze aangifte doen voor de dividendbelasting (gebruteerd), waarbij de BV deze verschuldigde belasting voor haar rekening neemt en vervolgens afdraagt.

j. De schuldenaar en de BV verklaren op duidelijke wijze het verloop van hun wederzijdse lening(en) jaarlijks in hun aangifte, respectievelijk jaarstukken te zullen vermelden (…)”

2.3. In de loop van 1997 heeft eiser € 20.971 (f 46.214) op de vordering afgelost. Over het bedrag van de schuld in rekening-courant heeft eiser geen rente vergoed.

2.4. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 heeft verweerder, in afwijking van bovengenoemde vaststellingsovereenkomst, onder meer het bedrag van de schuld in rekening-courant, per ultimo 1997 groot € 444.637 (f 979.852), in zijn geheel als winstuitdeling aangemerkt en tot het inkomen van eiser gerekend. Verweerder heeft daarnaast dividendbelasting nageheven ter zake van de aflossingstermijnen die eiser uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst over de jaren 1999 tot en met 2002 aan D B.V. verschuldigd is.

2.5. Vervolgens is bezwaar en beroep ingesteld tegen de hierna te noemen belastingaanslagen:

2.5.1. Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 ten name van eiser.

Bij uitspraak van 23 maart 2004 (kenmerk P02/03976) heeft het gerechtshof te Amsterdam het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een met een te betalen bedrag van € 114.051 (f 251.336). Op 10 februari 2006 is de aanslag ambtshalve verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 135.900 (f 299.484), waarvan € 25.590 (f 56.393) belast tegen het bijzondere tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna Wet IB 1964).

2.5.2. Vennootschapsbelasting 1997 ten name van D B.V.

Bij uitspraak van 24 december 2001 (kenmerk P01/00145) heeft het Gerechtshof te Amsterdam onder meer de in 2.2. geciteerde overeenkomst aangemerkt als een rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Het Hof heeft de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 235.430 (f 518.820).

2.5.3. Het onderhavige beroep (kenmerk 05/2016) dat zich keert tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 ten name van eiser.

2.5.4. Vennootschapsbelasting 1999 ten name van D B.V.

Het beroep tegen deze aanslag is bij uitspraak van 3 november 2004 door het Gerechtshof te Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard (kenmerk 03/03609). De aanslag was berekend naar een belastbaar bedrag van € 20.952 (f 46.172).

2.5.5. Het onderhavige beroep (kenmerk 05/2018) dat is gericht tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 ten name van eiser.

2.5.6. Vennootschapsbelasting 2000 ten name van D B.V.

Bij uitspraak van 8 september 2005 (kenmerk 05/1303) heeft de rechtbank Haarlem het beroep gegrond verklaard, het belastbaar bedrag verminderd en vastgesteld op € 18.158 (f 40.016).

2.5.7. Naheffingsaanslagen dividendbelasting 1999, 2000, 2001, 2002.

Bij uitspraken van 3 november 2004 heeft het Gerechtshof te Amsterdam het beroep tegen de naheffingsaanslagen dividendbelasting 1999 (kenmerk 03/03610), 2000 (03/03611), 2001 (03/03612)en 2002 (03/03613) wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Op 25 november 2005 heeft de Hoge Raad het door D B.V. ingestelde beroep in cassatie ongegrond verklaard (arresten genummerd 41.684 tot en met 41.687).

2.6. In de jaren 1998 en 2000 heeft eiser geen aflossingen en rentebetalingen gedaan op de voet van de eerder aangehaalde vaststellingsovereenkomst van april 1997.

2.7. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 is verweerder naar eigen inzicht van de door eiser ingediende aangifte afgeweken. De ingediende aangifte over 2000 is gecorrigeerd met een winstuitdeling ter hoogte van de som van de (i) jaarlijkse aflossing op de schuld in rekening courant (€ 46.561 ofwel f 102.607), (ii) een rentevergoeding over het openstaande bedrag van de rekening courant-schuld (€ 18.158 ofwel f 40.016) en (iii) de nageheven dividendbelasting (€ 21.551 ofwel f 47.493); tezamen € 86.271 (f 190.116).

1998 2000

Aangegeven belastbaar inkomen: f nihil f 129.058

Bij: winstuitdeling 1.000.000 190.116

Af: vlg. art. 45(4) IB 1964 beperkte renteaftrek -/- 5.291

Vastgesteld belastbaar inkomen: f 1.000.000 313.883

2.8. Nadat verweerder in de beroepsfase alsnog uitspraken heeft gedaan op de bezwaren tegen de aanslagen van eiser over 1998 en 2000, luiden de belastbare inkomens over die jaren als volgt.

1998 2000

Vastgesteld belastbaar inkomen: f 1.000.000 f 313.883

Af: 857.879 -

Nader vastgesteld belastbaar inkomen: f 142.121 f 313.883

Het belastbaar inkomen over 1998 bestaat uit de som van het aangegeven onzuivere inkomen (€ 1.496 ofwel f 3.297), de overeengekomen aflossing (€ 46.561 ofwel f 102.607) ter zake van de schuld in rekening-courant, en de nageheven dividendbelasting (€ 16.435 ofwel f 36.217). De door eiser aan D B.V. verschuldigde rente, door verweerder gesteld op € 2.793 (f 6.156), is tegelijkertijd als onttrekking en als aftrekpost in aanmerking genomen en heeft derhalve per saldo geen invloed op de hoogte van het inkomen.

2.9. Met dagtekening 10 februari 2006 heeft verweerder het op de aanslag over 1998 verschuldigde bedrag verminderd door de ingehouden dividendbelasting, groot € 16.435 ofwel f 36.217, op de voet van artikel 63 Wet IB 1964 als voorheffing op de verschuldigde inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen in aanmerking te nemen.

2.10. Eveneens met dagtekening 10 februari 2006 heeft verweerder het op de aanslag over 2000 verschuldigde bedrag verminderd door de ingehouden dividendbelasting, groot € 21.551 ofwel f 47.493, op de voet van artikel 63, Wet IB 1964 als voorheffing op de verschuldigde inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen in aanmerking te nemen.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht correcties heeft aangebracht op de door eiser ingediende aangiften, hetgeen door eiser wordt betwist en door verweerder wordt verdedigd.

Eiser stelt dat zijn schuld in rekening-courant aan D B.V. drie keer in de heffing van belasting is betrokken en hij acht dat niet terecht. Hij betoogt dat het bedrag van de schuld (i) bij D B.V. als onttrekking is belast met vennootschapsbelasting, (ii) is begrepen in de ten laste van eiser nageheven dividendbelasting, en (iii) bij eiser in 1997 in aanmerking is genomen als winstuitdeling voor de inkomstenbelasting. De door verweerder toegezegde ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1997 was bij het instellen van het beroep nog niet verleend. Het in latere jaren nogmaals in aanmerking nemen van een in 1997 vereffende schuld is niet gerechtvaardigd. Bovendien heeft verweerder ten onrechte de nageheven dividendbelasting (nog) niet als voorheffing in aanmerking genomen bij de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen. Voor beperking van de renteaftrek ziet eiser geen reden. Eiser concludeert tot vermindering van de belastingaanslagen tot een belastbaar inkomen over 1998 van nihil en een belastbaar inkomen over 2000, overeenkomstig de ingediende aangifte, van € 58.564 (f 129.058).

Verweerder stelt dat alle toegezegde (ambtshalve) verminderingen inmiddels zijn verleend. Hij concludeert tot gegrondverklaring en tot bevestiging van de in 2.9 en 2.10 bedoelde besluiten.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat met de schuld in rekening-courant de postzegelhandel van eiser is gefinancierd en dat deze postzegelhandel een onderneming vormde, zodat de ter zake verschuldigde rente niet als (in aftrek beperkte) persoonlijke verplichting moet worden beschouwd, maar als aftrekbare kosten.

4. Beoordeling van het geschil

Niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar

4.1.1. Ingevolge artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen doet verweerder binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop. Met schriftelijke toestemming van de Minister van Financiën kan voornoemde termijn met een jaar worden verdaagd, maar van aldus verleende toestemming is de rechtbank in het onderhavige geval niets gebleken. Het niet tijdig nemen van een besluit wordt voor de toepassing van de voorschriften over bezwaar en beroep in artikel 6:2, aanhef en letter b, Awb met een besluit gelijkgesteld.

4.1.2. Namens eiser is op 14 januari 2002 bezwaar gemaakt tegen de aanslag over 1998, en op 20 november 2003 is bezwaar gemaakt tegen de aanslag over 2000. Ten tijde van het instellen van de onderhavige beroepen was de termijn voor het doen van uitspraak op deze bezwaren ruimschoots verstreken. Eiser betoogt met recht dat verweerder ten tijde van het instellen van de beroepen in gebreke was te beslissen op de ingediende bezwaren. Het beroep is in zoverre gegrond.

4.1.3. Inmiddels heeft verweerder uitspraak gedaan op de bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1998 en 2000 en is voorts de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1998 ambtshalve verminderd. De rechtbank neemt voormelde, na het instellen van het onderhavige beroep door verweerder genomen besluiten, mede in aanmerking bij de beoordeling van de door eiser aangevoerde klachten.

De vaststellingsovereenkomst

4.2.1. Eiser stelt dat een winstuitdeling in de jaren 1998 en 2000 buiten de orde is omdat de schuld in rekening-courant aan D B.V. al bij de aanslagregeling over 1997 geheel als uitdeling in de heffing van inkomstenbelasting is betrokken. Verweerder stelt daar tegenover dat de betreffende schuld bij de aanslagregeling over 1997 per abuis is belast. Bij de behandeling van het beroep tegen deze aanslag op 23 september 2003 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het belastbaar inkomen over 1997 moet worden verminderd tot € 135.900 (f 299.484). Aan dit voornemen is met de ambtshalve vermindering van de definitieve aanslag van 10 februari 2006 uitvoering gegeven.

4.2.2. Op 8 september 2005 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van D B.V. betreffende de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2000. De rechtbank heeft in die uitspraak het standpunt verworpen dat de schuld van eiser aan D B.V. bij de aanslagregeling over 1997 geheel was afgewikkeld. Voor zover eiser dit standpunt thans herhaalt, faalt het beroep. Voor de gronden waar dit oordeel op berust verwijst de rechtbank naar zijn uitspraak van 8 september 2005 (kenmerk 05/1303).

4.2.3. De rechtbank voegt aan evenbedoeld oordeel toe dat er des te minder reden bestaat om eisers klacht toe te wijzen nu verweerder op 10 februari 2006 de aan eiser opgelegde aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1997 ambtshalve heeft verminderd.

4.2.4. Aan eiser kan worden toegegeven dat verweerder weinig doortastend is opgetreden bij het vaststellen en verminderen van aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en vennootschapsbelasting over de jaren waarop de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft. Met name het in 1997 als winstuitdeling in aanmerking nemen van de gehele rekening-courantschuld, de over 1998 ter behoud van rechten aan eiser opgelegde aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van f 1.000.000. (€ 453.780) en de nageheven dividendbelasting die aanvankelijk niet als voorheffing werd meegenomen, cumuleerden bij eiser in een tijdelijke driedubbele belastingheffing. Tot honorering van zijn standpunt kan dat op zichzelf beschouwd echter niet leiden, nu verweerder uitstel van betaling pleegt te verlenen gedurende bezwaar en beroep tot het moment waarop de aanslagen onherroepelijk vast staan, dat in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk heeft gedaan, en verweerder inmiddels ambtshalve aan de klachten van eiser op dit punt is tegemoetgekomen. Verweerder heeft bij de berekening van het bedrag van de uitdeling een aflossing van f 102.607 in aanmerking genomen. De rechtbank begrijpt hieruit en uit de in punt 2.2 genoemde vaststellingsovereenkomst dat verweerder een bedrag van f 102.067 in aanmerking heeft willen nemen. Het belastbaar inkomen dient, hiermee rekening houdend voor 1998 en 2000 met (f 102.607 – f 102.067 = ) f 540 (€ 245) verlaagd te worden.

Beperking van de renteaftrek

4.3.1. Bij de vaststelling van de ten name van eiser gestelde aanslag inkomstenbelasting 2000 is de door eiser aan D B.V. verschuldigde rente van € 18.158 (f 40.016) enerzijds als winstuitdeling in aanmerking genomen en anderzijds als persoonlijke verplichting. In 2000 is zogeheten ‘persoonlijke verplichtingenrente’ ingevolge artikel 45, vierde lid, Wet IB 1964 slechts aftrekbaar voor zover het een bedrag van € 2.401 (f 5.291) niet te boven gaat.

4.3.2. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de rekening-courantschuld van eiser aan D B.V. diende tot financiering van een onderneming en dat de mogelijkheid om de ter zake van die schuld betaalde rente in mindering te brengen op het overige inkomen, daarom ten onrechte onder het bereik van artikel 45, vierde lid, Wet IB 1964 is gebracht.

4.3.3. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de door eiser aan D B.V. over 2000 verschuldigde rente bij de aanslagregeling ten onrechte niet voor het volle bedrag in aanmerking is genomen. Het belastbaar inkomen dient derhalve te worden verminderd met (€ 18.158 ofwel f 40.016 -/- € 2.401 ofwel f 5.291 =) € 15.757 (f 34.725). Ook in zoverre is het beroep gegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 654 (1 punt voor het indienen van samenhangende beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1, en € 10 reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse, voor het door eiser zelf bijwonen van de zitting).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de beslissingen op bezwaar;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 64.247 en bepaalt dat de belasting over het deel van de belastbare som dat, ingevolge artikel 57a, eerste lid, Wet IB 1964 niet op de voet van de tarieftabel wordt belast, 25 percent bedraagt;

- stelt de aan eiser opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 vast naar een belastbaar inkomen van € 126.431 (f 278.618) en bepaalt dat een deel van het inkomen zijnde € 86.271(f 190.116) ingevolge artikel 57a Wet IB 1964 niet op de voet van de tarieftabel wordt belast maar tegen een tarief van 25 percent;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 654 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 74 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 april 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Snitker, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. J.M. van Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.