Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA4933

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
15/635401-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

06HOC; bedrijf; deelname criminele organisatie; terugkoop en doorverkopen bladafval hennepplanten, in- en verkoop wiet (henneptoppen) en stelselmatige handel in hennepstekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/635401-06

Uitspraakdatum: 9 mei 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 april 2007 en 25 april 2007 in de zaak tegen:

[verdachte/growshop],

gevestigd te [vestiging]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na aanpassing en wijziging ter terechtzitting, tenlastegelegd dat

Feit 1

zij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 mei 2000 tot en met 25 september 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, en/of te Castricum en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in de uitoefening van beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of verwerkt en/of bewerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep, te weten hennepstekken en/of hennepplanten en/of bestanddelen van hennep(planten), in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

zij, op of omstreeks 26 september 2006, te Uitgeest en/of te Castricum in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (of meer) grote hoeveelhe(i)d(en) van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten:

(lokatie A1)

- 2 plakken van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd

en/of

(locatie A2)

- ongeveer 5280 gram hennep,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj

en/of

(lokatie K)

- ongeveer 680 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd

en/of

- ongeveer 72 kilo hennep,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3

zij in of omstreeks de periode van 2 mei 2000 tot en met 30 juni 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband dat werd gevormd door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of (een) ander(e) person(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, en/of telen en/of bereiden en/of verwerken en/of bewerken, in elk geval het (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of

- witwassen (strafbaar gesteld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht);

Feit 4

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 26 september 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5], en/of (een) ander(e) person(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11 lid 3 Opiumwet, namelijk het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, en/of telen en/of bereiden en/of verwerken en/of bewerken, van een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

en/of

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 26 september 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband dat werd gevormd door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of (een) ander(e) person(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk witwassen (strafbaar gesteld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht);

Feit 5

zij op 26 september 2006 te Heemskerk en/of Zwaag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in verenging met anderen, althans alleen (van) (een) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag van 19.100 euro (aangetroffen in een plastic tas in een kledingkast in de woning Vogelkers 55) en/of

- een geldbedrag van 1000 euro (aangetroffen in een enveloppe in een kledingkast in de woning Vogelkers 55) en/of

- een geldbedrag van 21.050 euro (aangetroffen in een enveloppe in een kledingkast in de woning Vogelkers 55) en/of

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op die/dat geldbedrag(en) en/of en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die/dat geldbedrag(en) voorhanden heeft/ hebben gehad, terwijl zij, verdachte en haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van enig misdrijf

en/of

die/dat geldbedrag(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Standpunten van partijen ten aanzien van het bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

3.2 Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte bepleit dat de onder 2 - voor wat betreft locatie K -, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat verdachte derhalve van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

4. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

4.1 Gedeeltelijke vrijspraken

Feit 2

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen bewijsmiddel - in de zin van een testrapport - bevindt waaruit blijkt dat de aangetroffen twee plakken hasj, zoals tenlastegelegd onder feit 2, eerste gedachtenstreepje (locatie A1), ook daadwerkelijk een mengsel bevat als bedoeld in de Opiumwet. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het bezit hiervan.

Ten aanzien van de 72 kilogram hennep en 680 gram hasj, genoemd in feit 2, derde en vierde gedachtestreepje (lokatie K), overweegt de rechtbank het volgende. De enkele verklaring van [medeverdachte 6] welke hij heeft afgelegd bij de politie, inhoudende dat de in zijn woning aangetroffen hennepproducten toebehoorden aan de [growshop] en hij die thuis bewaarde op verzoek van één of meer van de vennoten, is niet voldoende voor bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van deze hennepproducten door verdachte. Immers heeft [medeverdachte 6] deze verklaring herroepen bij de rechter-commissaris en bovendien heeft hij verklaard dat een groot deel van de aangetroffen stof van hemzelf is. De rechtbank zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

Feiten 3 en 4

De rechtbank is voorts van oordeel dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden dat er in het kader van de criminele organisatie waarvan de rechtbank verdachtes lidmaatschap bewezen zal verklaren witwashandelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank beschouwt de bij medeverdachte [medeverdachte 7] bewezenverklaarde witwashandelingen als individuele acties van deze medeverdachte al dan niet tezamen met een enkele ander. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met witwassen, zoals onder de feiten 3 en 4 onder andere tenlastegelegd.

Feit 5

Ten aanzien van de geldbedragen welke zijn aangetroffen in de woning van medeverdachte [medeverdachte 4], overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier is gebleken dat het eerstgenoemde bedrag van 19.100 euro door verdachte [medeverdachte 7] aan zijn vader, [medeverdachte 4], in bewaring is gegeven. Duidelijk is geworden dat met de illegale verkoop van hennepproducten door de vennoten en medewerkers van verdachte veel geld werd verdiend. Echter, in het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat behalve vennoot [medeverdachte 7] en zijn ouders, ook de andere vennoten wetenschap hadden van het feit dat zich een geldbedrag in de woning van de ouders van [medeverdachte 7] bevond dat afkomstig was van de growshop.

In het dossier bevinden zich voorts geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de tevens tenlastegelegde bedragen van 1.000 euro en 21.050 euro die zijn aangetroffen in een enveloppe in de kledingkast in de woning van [medeverdachte 4], uit misdrijf afkomstig zijn. Immers blijkt niet dat deze bedragen afkomstig zijn van opbrengsten uit (deels) illegale handel door de growshop. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van witwassen danwel heling van alle genoemde bedragen.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

Feit 1

zij op tijdstippen in de periode van 2 mei 2000 tot en met 25 september 2006 te Uitgeest en te Zwaag, gemeente Hoorn, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens in de uitoefening van beroep of bedrijf, telkens opzettelijk, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden hennep, te weten hennepstekken en/of hennepplanten en/of bestanddelen van hennepplanten, in elk geval telkens een of meer hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

zij op 26 september 2006 te Uitgeest, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten:

- ongeveer 5280 gram hennep;

zijnde hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 3

zij in de periode van 2 mei 2000 tot en met 30 juni 2006 te Uitgeest en te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door haar, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden hennep, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 4

zij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 26 september 2006 te Uitgeest en te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door haar, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11 lid 3 Opiumwet, namelijk het telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, van hoeveelheden hennep, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.3 Bewijsmiddelen

4.3.1. Feiten 1 tot en met 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 onder andere op grond van het volgende bewijsmiddel:

- de in een proces-verbaal opgenomen verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3], tevens vennoot van verdachte, inhoudende dat de vennoten van [de growshop] [medeverdachte 7], [medeverdachte 1], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] zelf zijn en dat [medeverdachte 6] werkzaam was bij [de growshop] (map 17, pagina 63).

4.3.1. Feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 1 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de verkoop van hennepstekken:

- de in een viertal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 6], inhoudende dat door de betrokkenen bij de [growshop] inkomsten werden gegenereerd uit de verkoop van hennepstekken (map 22, pagina’s 31-36, 42-49, 51-52, 53-66);

- de agenda uit het filiaal van [de growshop] te Uitgeest (map 2, pagina’s 301-317) en de agenda uit het filiaal van [de growshop] te Zwaag (map 28, pagina’s 158-173), waaruit duidelijk de georganiseerde werkwijze met betrekking tot de handel in hennepstekken blijkt;

- de in een viertal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 8], inhoudende de erkenning dat hij circa 4 maanden met een frequentie van ongeveer twee maal per week op bestelling hennepstekken bracht bij [growshop] in Uitgeest om te verkopen (map 26, pagina’s 40-44, 48-53, 64-75 en 141-146).

Ten aanzien van de duiding van de werkwijze:

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte en haar mededaders gebezigde werkwijze aan te merken is als medeplegen van verkoop. Op het moment dat klanten van verdachte hennepstekken wensten te bestellen, hebben vennoten en/of medeverdachten ervoor gezorgd dat deze daadwerkelijk besteld en geleverd werden aan de klant. Klanten bestelden hennepstekken in de winkel of via de telefoon. Deze bestellingen werden genoteerd in de agenda’s in de filialen Uitgeest en Zwaag van verdachte. Vennoten en/of medeverdachten namen vervolgens contact op met de leverancier die de stekken drie maal per week per auto bezorgde bij het filiaal in Uitgeest. Deze stekken werden vervolgens door verdachten aan de klanten geleverd in het filiaal Uitgeest en in het filiaal Zwaag. Er was van een dermate nauwe en bewuste samenwerking dat sprake was van het medeplegen van verkoop en levering.

Ten aanzien van de terugkoop en het doorverkopen van bladafval:

- de in een drietal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 6], inhoudende dat door de betrokkenen bij de [growshop] inkomsten werden gegenereerd uit de in- en verkoop van bladafval (map 22, pagina’s 31-36, 51-52, 53-66);

- de in een proces-verbaal opgenomen verklaring van medeverdachte [medeverdachte 9], inhoudende dat het klopt dat zowel in Uitgeest als in Zwaag hennepproducten werden opgekocht en weer doorverkocht en dat de prijs 22,50 euro per zak hennepblad bedroeg (map 23, pagina’s 233-242).

Ten aanzien van de in- en verkoop van wiet (henneptoppen):

Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat de betrokkenen bij de [growshop] zich naast de handel in hennepstekken en bladafval ook inlieten met de in- en verkoop van wiet (henneptoppen). Stelselmatige handel, welke gebaseerd zou moeten worden op een constante stroom van goederen en afnemers, kan echter niet wettig en overtuigend bewezen worden. Bewezenverklaard kan slechts worden dat incidenteel in wiet werd gehandeld, welke bewezenverklaring de rechtbank baseert op:

- de in een proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4], inhoudende dat hij weet dat er wiet bij [de growshop] werd verhandeld (map 20, pagina 98);

- de in een tweetal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 6], inhoudende dat door de betrokkenen bij de [growshop] inkomsten werden gegenereerd uit de in- en verkoop van wiet (map 22, pagina’s 31-36 en 53-66);

- de in een proces-verbaal opgenomen verklaring van getuige [getuige 1] inhoudende dat hij er een enkele keer is bij geweest dat er wiet werd gebracht bij [de growshop] in Zwaag (map 2, pagina’s 166-167).

Ten aanzien van de bewezenverklaarde periode:

Zoals door medeverdachte [medeverdachte 7] in dit onderzoek is verklaard, is door de vennoten besloten is om bij wijze van bemiddeling en uit het oogpunt van behoud van de klandizie de illegale verkoop van hennepstekken aan klanten van verdachte voort te zetten. Op basis van het vorenstaande en de verklaring van [betrokkene 1], inhoudende dat zij medio 2000 de hennepplantjes voor haar hennepkwekerij had gekocht bij de growshop te Uitgeest, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in ieder geval sinds de tenlastegelegde begindatum van 2 mei 2000 schuldig heeft gemaakt aan de handel in hennepstekken.

Er zijn echter pas vanaf juni 2004 aanwijzingen voor stelselmatige handel in hennepstekken. Dit volgt uit:

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 6] dat ene [betrokkene 2] gedurende ongeveer 9 maanden hennepstekken leverde aan [de growshop] en dat sinds deze [betrokkene 2] in 2005 werd aangehouden voor sigarettensmokkel, onder andere een persoon, door [medeverdachte 6] aangeduid als “[bijnaam]”, de stekken leverde (map 22, pagina’s 31-36 en 42-50);

- het in het dossier aangehaalde onderzoek contra [betrokkene 2] (map 18);

- de in een viertal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 8], inhoudende de erkenning dat hij circa 4 maanden met een frequentie van ongeveer twee maal per week op bestelling hennepstekken bracht bij [growshop] in Uitgeest om te verkopen. (map 26, pagina’s 40-44, 48-53, 64-75 en 141-146).

4.3.2. Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 2 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de 5280 gram hennep:

- een geschrift bevattende een goederenlijst van de op lokatie A2 aangetroffen goederen, waaronder een zwarte plastic bak met daarin een hoeveelheid hennepresten (map 28, pagina 125);

- een geschrift bevattende afbeeldingen van de op lokatie A2 aangetroffen hennepresten (map 28, pagina 110);

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een verslag van de weging van de aangetroffen hennepresten en de positieve narco-test die is uitgevoerd op een monster van die hennepresten (map 14a, pagina’s 48-49).

4.3.3. Feiten 3 en 4

De rechtbank zal deze feiten gezamenlijk behandelen, daar het inhoudelijk dezelfde feiten betreft, doch in periode gescheiden door de wetswijziging per 1 juli 2006 met betrekking tot deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feiten 3 en 4 op grond van het navolgende:

Uit het dossier is gebleken dat de vier vennoten van [de growshop] samen met [medeverdachte 4] en anderen in georganiseerd verband hebben gehandeld in hennepstekken en hennepafval. De rechtbank verwijst hiervoor naar de bij feit 1 opgesomde bewijsmiddelen. Dit georganiseerd verband blijkt uit de werkwijze die de leden van de organisatie erop nahielden.

Kort omschreven, houdt die werkwijze in dat klanten de stekken in de beide winkels van verdachte bestelden. Bestellingen werden – blijkens een aantal telefoontaps waarin bellende klanten hiervoor werden verwezen naar de winkels – uit angst voor ontdekking nauwelijks telefonisch opgenomen. In beide filialen werden in de agenda’s de bestellingen opgeschreven; waren ze geleverd, dan werden de bladzijdes uit de agenda’s gescheurd. [Medeverdachte 9], vennoot van verdachte, belde de gewenste aantallen stekken vervolgens door naar de leverancier, [medeverdachte 8], die de stekken bezorgde. Uit het dossier is gebleken dat de transacties met betrekking tot de hennepstekken heimelijk plaatsvonden in de omgeving van het filiaal in Uitgeest. De dozen met stekken werden daar namelijk rechtstreeks overgeladen van het busje van [medeverdachte 8] in de auto’s van de klanten of in de auto van [medeverdachte 1], vennoot van verdachte, om meegenomen te worden naar de winkel in Zwaag voor de klanten aldaar.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de vof:

De illegale handel zoals hierboven omschreven vormde een significant onderdeel van de bedrijfsvoering van verdachte. De strafbare feiten werden begaan door en/of met instemming van al de vennoten, zo blijkt uit het dossier. Deze feiten kunnen dan ook worden toegerekend aan verdachte.

Alle aangehaalde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

- Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C gegeven verbod;

- Ten aanzien van feit 3:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- Ten aanzien van feit 4:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie en de overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

De officier van justitie heeft gevorderd dat opgelegd wordt een geldboete ter hoogte van € 100.000,-.

De raadsman heeft verzocht om verdachte een aanzienlijk lagere straf op te leggen, omdat verdachte merendeels vrijgesproken dient te worden, en in verband met de vervolging van de individuele vennoten.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

De verdachte en diens medeverdachten hebben zich in het kader van het op peil houden van de legale verkoop van binnentuinbenodigdheden gedurende vele jaren in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan de professionele handel in hennepproducten. Hoewel twee van de vennoten reeds eerder veroordeeld waren voor soortgelijke feiten, is men wegens louter winstbejag doorgegaan op de oude voet.

De uit hennepplanten verkregen stof is bij gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar is daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Bovendien heeft verdachte er met haar handelwijze voor gezorgd dat hennepkwekerijen, welke veel overlast en gevaar voor de omgeving veroorzaken, in stand konden blijven.

Het plegen van bovenstaande handelingen binnen het kader van een criminele organisatie is een ernstig feit, aangezien het een platform biedt voor het plegen van strafbare feiten en leden van een zodanige organisatie een constante druk voelen om de illegale doelstellingen van de organisatie te verwezenlijken.

Naast deze strafbare handelingen heeft de rechtbank ten aanzien van de op te leggen straf in overweging genomen dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat alle vier de vennoten van verdachte thans voor dezelfde feiten zijn veroordeeld en daarbij, nu verdachte een vennootschap onder firma is, ieder voor zich hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de straf, te weten een geldboete, welke aan verdachte wordt opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat een geldboete van na te noemen hoogte moet worden opgelegd.

7.2 Beslag

7.2.1. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat alle inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze goederen behoren de verdachte toe.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en kunnen dienen tot het plegen van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en/of het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 23, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 140;

Opiumwet: 3, 11, 11a.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 5 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de overige bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000,-.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1.00 STK Tas

AH

plastic tas inhoud restafval hennep A-2500-1;

- 2.00 STK Drugs

HASJ

2 plakken A1301-1;

- 1.00 STK Diverse Kl:wit

BAKJE plastic

inhoud metalen plaatjes met rest hasj A-1301;

- 1.00 DS Drugs

WIET

hout sigaardoos inhoud 2 zakjes wiet A-1402-;

- 1.00 ZAK Drugs

WIET

A-1402-2;

- 1.00 STK Drugs

JOINTS

tas free record shop voorgedraaid joint A140;

- 1.00 STK Diverse

HENNEPAFVAL

1 bak A-R-0-4;

- 1.00 STK Diverse

DROOGREK

A.R.0.2;

- 1.00 STK Drugs

HENNEPPLANTEN

uit minikwekerij B-1-1-1;

- 1.00 STK Diverse

VERSNIJDINGS middel

BA-1-1-;

- 1.00 STK Weegschaal

ELEKTRISCH

A.R.0.7;

- 1.00 STK Diverse

VACUMMSYSTEEM

A.R.0.6;

- 1.00 STK Diverse

BLADBLAZER;

- 1.00 STK Diverse

HASHDROGER;

- 1.00 STK Mes

DOLK

mes zat niet in schede-lag los ca 46cm B-1-2.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Kingma, voorzitter,

mrs. De Vries en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Alexander en De Mos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 mei 2007.