Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA4892

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
15/635396-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek 06HOC; hoofdverdachte; verkoop hennepstekken, terugkoop en doorverkopen bladafval, in- en verkoop wiet; deelname criminele organisatie; leiding geven aan een criminele organisatie; medeplegen witwassen; gewoonte witwassen. Verdachte heeft zich in het kader van het op peil houden van de legale verkoop van binnentuinbenodigdheden gedurende vele jaren in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan de professionele handel in hennepproducten. Hoewel verdachte eerder veroordeeld was tot een voorwaardelijke vrijheidstraf voor soortgelijke feiten, is hij wegens louter winstbejag doorgegaan op de oude voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/635396-06

Uitspraakdatum: 9 mei 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 april 2007, 16 april 2007 en 25 april 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na aanpassing overeenkomstig artikel 314a Wetboek van Strafvordering, tenlastegelegd dat

Feit 1

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 mei 2000 tot en met 25 september 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, en/of te Castricum en/of Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in de uitoefening van beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of verwerkt en/of bewerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep, te weten hennepstekken en/of hennepplanten en/of bestanddelen van hennep(planten), in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

hij, op of omstreeks 26 september 2006, te Uitgeest, en/of te Heerhugowaard, en/of te Castricum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (of meer) grote hoeveelhe(i)d(en) van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten:

(lokatie A1)

- 2 plakken van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd

en/of

- ongeveer 5280 gram hennep,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj

en/of

(lokatie C)

- negen hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

en/of

(lokatie K)

- ongeveer 680 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd

en/of

- ongeveer 72 kilo hennep,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2000 tot en met 30 juni 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [growshop] en/of (een) ander(e) person(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, en/of telen en/of bereiden en/of verwerken en/of bewerken, in elk geval het (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of

- witwassen (strafbaar gesteld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht);

zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

Feit 4

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 26 september 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [growshop] en/of (een) ander(e) person(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11 lid 3 Opiumwet, namelijk het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, en/of telen en/of bereiden en/of verwerken en/of bewerken, van een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 26 september 2006 te Uitgeest en/of te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [growshop] en/of (een) ander(e) person(o)n(en) en/of rechts-perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk witwassen (strafbaar gesteld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht), zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

Feit 5

hij op 26 september 2006 te Heemskerk en/of Zwaag en/of Zaandam, gemeente Zaanstad en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (van) voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van 19.100 euro (aangetroffen in een plastic tas in een kledingkast in de woning [woning]) en/of

- een geldbedrag van 1000 euro (aangetroffen in een enveloppe in een kledingkast in de woning [woning]) en/of

- een geldbedrag van 21.050 euro (aangetroffen in een enveloppe in een kledingkast in de woning [woning]) en/of

- een geldbedrag van 179.391,74 euro op bankrekening 10.12.26.1107 ten name van [bedrijf A] bij de Rabobank althans een vordering(srecht) ter hoogte van 179.391,74 euro op de Rabobank (te weten het tegoed op bankrekening 10.12.26.1107 ten name van [bedrijf A]) en/of

- een geldbedrag van 18.602,51 euro op bankrekening 12.68.37.333 ten name van [bedrijf A] bij de Rabobank althans een vordering(srecht) ter hoogte van 18.602,51 euro op de Rabobank (te weten het tegoed op bankrekening 12.68.37.333 ten name van [bedrijf A])

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op die/dat voorwerp(en) en/of en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die/dat voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren van enig misdrijf;

en/of

die/dat voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van diet/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Feit 6

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 31 december 2005 te Heerhugowaard en/of Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te Uitgeest en/of te Heemskerk en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar krachtens die gewoonte, (telkens) van een of meer geldbedrag(en), te weten

op 28 januari 2005 een bedrag van 11.000 euro

op 31 januari 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 11 februari 2005 een bedrag van 2.500 euro en/of

op 19 februari 2005 een bedrag van 3.000 euro en/of

op 25 februari 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 25 februari 2005 een bedrag van 5.922 euro en/of

op 25 februari 2005 een bedrag van 1.078 euro en/of

op 4 maart 2005 een bedrag van 700 euro en/of

op 9 maart 2005 een bedrag van 3.500 euro en/of

op 11 maart 2005 een bedrag van 2.000 euro en/of

op 18 maart 2005 een bedrag van 10.000 euro en/of

op 23 maart 2005 een bedrag van 10.000 euro en/of

op 29 maart 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 5 april 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 8 april 2005 een bedrag van 3.000 euro en/of

op 12 april 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 14 april 2005 een bedrag van 10.000 euro en/of

op 21 april 2005 een bedrag van 6.000 euro en/of

op 26 april 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 2 mei 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 13 mei 2005 een bedrag van 6.000 euro en/of

op 21 mei 2005 een bedrag van 7.500 euro en/of

op 30 mei 2005 een bedrag van 7.500 euro en/of

op 3 juni 2005 een bedrag van 6.000 euro en/of

op 7 juni 2005 een bedrag van 1.786 euro en/of

op 10 juni 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 17 juni 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 24 juni 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 15 juli 2005 een bedrag van 1.127.00 en/of

op 21 juli 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 2 augustus 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 12 augustus 2005 een bedrag van 2.000 euro en/of

op 19 augustus 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 26 augustus 2005 een bedrag van 2.600 euro en/of

op 31 augustus 2005 een bedrag van 5.000 euro en/of

op 19 oktober 2005 een bedrag van 3.000 euro en/of

op 2 november 2005 een bedrag van 3.000 euro

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op die/dat voorwerp(en) en/of en/of verborgen en/of verhuld wie die/dat geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren van enig misdrijf;

en/of

die/dat geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Feit 7

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 26 september 2006 te IJmuiden, gemeente Velsen en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam en/of Zaandam, gemeente Zaanstad en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (van) een of meer geldbedrag(en), te weten

- een bedrag van 50.000 euro, te weten een overboeking d.d. 2 mei 2006 van rekeningnummer 126837333 ten name van [bedrijf A] naar rekeningnummer 1844157 ten name van [bedrijf B] en/of

- een bedrag van 25.000 euro, te weten een overboeking d.d. 2 mei 2006 van rekeningnummer 126837333 ten name van [bedrijf A] naar rekeningnummer 1844157 ten name van [bedrijf B],

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op die/dat voorwerp(en) en/of en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die/dat voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren van enig misdrijf

en/of

die/dat voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van diet/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Feit 8

hij op of omstreeks 26 september 2006 te Heemskerk opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, te weten een of meer (18) horloge(s) voorzien van de naam en/of het merk “Breitling” en/of “Cartier” en/of "Rolex" en/of "Franck Muller" en/of “Panerai” en/of “Jaeger leCoultre” en/of “IWC” en/of “Louis Vuitton” en/of “Patek Philippe” en/of “Corum”en/of “Tag Heuer” heeft ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd, uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Standpunten van partijen ten aanzien van het bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

3.2 Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte bepleit dat de onder 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat verdachte derhalve van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

4. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

4.1 Vrijspraken

Feit 2

Ten aanzien van de twee plakken hasj genoemd in feit 2, overweegt de rechtbank het volgende. In het dossier bevindt zich een geschrift bevattende een goederenlijst van de in de growshop te Uitgeest aangetroffen goederen, waaronder twee plakken hasj (map 28, p. 61). Echter, in het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de inbeslaggenomen plakken ook daadwerkelijk bestaan uit het gebruikelijke vaste mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep. Bij gebreke hiervan zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de aanwezigheid hiervan.

Ten aanzien van de 72 kilogram hennep en 680 gram hasj, genoemd in feit 2, overweegt de rechtbank het volgende. De enkele verklaring van verdachte [medeverdachte 6] welke hij heeft afgelegd bij de politie, inhoudende dat de in zijn woning aangetroffen hennepproducten toebehoorden aan [de growshop] en hij deze thuis bewaarde op verzoek van onder andere verdachte, is niet voldoende voor bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van deze hennepproducten door verdachte. Immers heeft [medeverdachte 6] deze verklaring herroepen bij de rechter-commissaris en bovendien heeft hij verklaard dat een groot deel van de aangetroffen stof van hemzelf is. De rechtbank zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

Feiten 5 en 7

De rechtbank is van oordeel dat voor het onder feit 5, tweede tot en met vijfde gedachtenstreepje, en het onder feit 7 tenlastegelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is en spreekt verdachte daarom vrij van deze feiten. Deze feiten betreffen beide het witwassen van gelden, waarvan is vast komen te staan dat deze toebehoren aan [bedrijf A], te weten contanten aangetroffen in de woning van [medeverdachte 2], banksaldi en door [bedrijf A] aan [bedrijf B] uitgeleend geld. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geld afkomstig is van de illegale handel door [de growshop] Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de daadwerkelijke zeggenschap over [bedrijf A] had en dat de inkomsten van [bedrijf A] niet controleerbaar zijn gebleken en kunstmatig werden opgehoogd.

In het dossier zijn echter, zo constateert de rechtbank, geen feiten te vinden waaruit zou blijken dat er gelden van [de growshop] naar [bedrijf A] zijn gegaan. Zo bevinden zich in het dossier bijvoorbeeld geen onderzoeksresultaten op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat er sprake was van een kunstmatige verhoging van de opbrengst uit kamerverhuur bij [bedrijf A]. Alleen al daarom kan niet geconcludeerd worden dat er geld is witgewassen via [bedrijf A]. Hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd ten aanzien van de zeggenschap over [bedrijf A] behoeft dan ook geen bespreking.

Feiten 3 en 4

De rechtbank is voorts van oordeel dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden dat de witwashandelingen die de rechtbank wel bewezen zal verklaren, plaats vonden in het kader van de criminele organisatie waarvan de rechtbank verdachtes lidmaatschap bewezen zal verklaren. De rechtbank beschouwt deze handelingen als individuele acties van verdachte al dan niet tezamen met een enkele ander. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met witwassen, zoals onder de feiten 3 en 4 onder andere tenlastegelegd.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

Feit 1

hij op tijdstippen in de periode van 2 mei 2000 tot en met 25 september 2006 te Uitgeest en te Zwaag, gemeente Hoorn, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens in de uitoefening van beroep of bedrijf, telkens opzettelijk, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden hennep, te weten hennepstekken en/of hennepplanten en/of bestanddelen van hennepplanten, in elk geval telkens een of meer hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

hij op 26 september 2006 te Uitgeest en te Heerhugowaard, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten:

- ongeveer 5280 gram hennep;

en

- negen hennepplanten;

zijnde hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 3

hij in de periode van 2 mei 2000 tot en met 30 juni 2006 te Uitgeest en te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door hem, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [de growshop] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden hennep, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

Feit 4

hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 26 september 2006 te Uitgeest en te Zwaag, gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door hem, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [de growshop] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11 lid 3 Opiumwet, namelijk het telkens in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, van hoeveelheden hennep, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

Feit 5

hij op 26 september 2006 te Heemskerk tezamen en in vereniging met een ander van een geldbedrag van 19.100 euro (aangetroffen in een plastic tas in een kledingkast in de woning [woning]) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op dat geldbedrag en/of heeft verborgen en/of verhuld wie dat geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was van enig misdrijf;

Feit 6

hij in de periode van 01 januari 2005 tot en met 31 december 2005 te Heerhugowaard en Zaandam, gemeente Zaanstad, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte toen en daar krachtens die gewoonte, telkens van geldbedragen, te weten

op 28 januari 2005 een bedrag van 11.000 euro

op 31 januari 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 11 februari 2005 een bedrag van 2.500 euro en

op 19 februari 2005 een bedrag van 3.000 euro en

op 25 februari 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 25 februari 2005 een bedrag van 5.922 euro en

op 25 februari 2005 een bedrag van 1.078 euro en

op 4 maart 2005 een bedrag van 700 euro en

op 9 maart 2005 een bedrag van 3.500 euro en

op 11 maart 2005 een bedrag van 2.000 euro en

op 18 maart 2005 een bedrag van 10.000 euro en

op 23 maart 2005 een bedrag van 10.000 euro en

op 29 maart 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 5 april 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 8 april 2005 een bedrag van 3.000 euro en

op 12 april 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 14 april 2005 een bedrag van 10.000 euro en

op 21 april 2005 een bedrag van 6.000 euro en

op 26 april 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 2 mei 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 13 mei 2005 een bedrag van 6.000 euro en

op 21 mei 2005 een bedrag van 7.500 euro en

op 30 mei 2005 een bedrag van 7.500 euro en

op 3 juni 2005 een bedrag van 6.000 euro en

op 7 juni 2005 een bedrag van 1.786 euro en

op 10 juni 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 17 juni 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 24 juni 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 15 juli 2005 een bedrag van 1.127.00 en

op 21 juli 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 2 augustus 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 12 augustus 2005 een bedrag van 2.000 euro en

op 19 augustus 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 26 augustus 2005 een bedrag van 2.600 euro en

op 31 augustus 2005 een bedrag van 5.000 euro en

op 19 oktober 2005 een bedrag van 3.000 euro en

op 2 november 2005 een bedrag van 3.000 euro

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op die voorwerpen en/of verborgen en/of verhuld wie die geldbedragen voorhanden hebben gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren van enig misdrijf;

en/of

die geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemde geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl verdachte wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 8

hij op 26 september 2006 te Heemskerk opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, te weten 18 horloges voorzien van de naam en/of het merk “Breitling” en/of “Cartier” en/of Rolex en/of "Franck Muller" en/of “Panerai” en/of “Jaeger leCoultre” en/of “IWC” en/of “Louis Vuitton” en/of “Patek Philippe” en/of “Corum”en/of “Tag Heuer” in voorraad heeft gehad.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.3 Bewijsmiddelen

4.3.1. Feiten 1 tot en met 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 onder andere op grond van het volgende bewijsmiddel:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij vennoot is van [de growshop], dat zijn medevennoten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] waren en dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] werkzaam waren bij [de growshop].

4.3.2. Feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 1 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de verkoop van hennepstekken:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende de erkenning dat door de betrokkenen bij [de growshop] werd bemiddeld tussen kopers en verkopers van hennepstekken teneinde het klantenbestand van de growshop met betrekking tot de legaal te verkopen goederen op peil te houden;

- de in een viertal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 6], inhoudende dat door de betrokkenen bij [de growshop] inkomsten werden gegenereerd uit de verkoop van hennepstekken (map 22, pagina’s 31-36, 42-49, 51-52, 53-66);

- de agenda uit het filiaal van [de growshop] te Uitgeest (map 2, pagina’s 301-317) en de agenda uit het filiaal van [de growshop] te Zwaag (map 28, pagina’s 158-173). Uit deze agenda’s blijkt duidelijk de georganiseerde werkwijze met betrekking tot de handel in hennepstekken, welke dezelfde is als de werkwijze die heeft geleid tot een veroordeling van verdachte door onder andere het gerechtshof te Amsterdam in 2005 wegens handel in hennepstekken in [de growshop] naar aanleiding van het onderzoek Hollandse Tuin.

Ten aanzien van de duiding van de werkwijze:

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte en zijn mededaders gebezigde werkwijze, hoewel door de betrokkenen aangeduid als ‘bemiddeling’ in hennepstekken, aan te merken is als medeplegen van verkoop. Op het moment dat klanten van de growshop hennepstekken wensten te bestellen, hebben verdachten ervoor gezorgd dat deze daadwerkelijk besteld en geleverd werden aan de klant. Klanten bestelden hennepstekken in de winkel of via de telefoon. Deze bestellingen werden genoteerd in de agenda’s in de growshops. Verdachten namen vervolgens contact op met de leverancier die de stekken drie maal per week per auto bezorgde bij de growshop in Uitgeest. Deze stekken werden vervolgens door verdachten aan de klanten geleverd in het filiaal Uitgeest en in het filiaal Zwaag. Dat de levering van de stekken in de omgeving van en niet in de winkels zelf plaatsvond, doet daar niet aan af. Er is immers sprake geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking dat dit bemiddelen valt onder het medeplegen van verkoop en levering.

Ten aanzien van de terugkoop en het doorverkopen van bladafval:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende de erkenning dat door de betrokkenen bij [de growshop] afval ingenomen werd, waaronder blad en stelen van hennepplanten;

- de in een drietal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 6], inhoudende dat door de betrokkenen bij [de growshop] inkomsten werden gegenereerd uit de in- en verkoop van bladafval (map 22, pagina’s 31-36, 51-52, 53-66).

Ten aanzien van de in- en verkoop van wiet (henneptoppen):

Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat de betrokkenen bij [de growshop] zich naast de handel in hennepstekken en bladafval ook inlieten met de in- en verkoop van wiet (henneptoppen). Stelselmatige handel, welke gebaseerd zou moeten worden op een constante stroom van goederen en afnemers, kan echter niet wettig en overtuigend bewezen worden. Bewezenverklaard kan slechts worden dat incidenteel in wiet werd gehandeld, welke bewezenverklaring de rechtbank baseert op:

- de in een proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], inhoudende dat hij weet dat er wiet bij [de growshop] werd verhandeld (map 20, pagina 98);

- de in een tweetal processen-verbaal opgenomen verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 6], inhoudende dat door de betrokkenen bij [de growshop] inkomsten werden gegenereerd uit de in- en verkoop van wiet (map 22, pagina’s 31-36 en 53-66);

- de in een proces-verbaal opgenomen verklaring van getuige [getuige 1] inhoudende dat hij er een enkele keer is bij geweest dat er wiet werd gebracht bij [de growshop] in Zwaag (map 2, pagina’s 166-167).

Ten aanzien van de bewezenverklaarde periode:

De rechtbank overweegt dat in het jaar 2000 een groot onderzoek is uitgevoerd naar de illegale verkoop van hennepstekken door de betrokkenen bij [de growshop] (toen nog een vennootschap bestaande uit twee vennoten). Dit onderzoek (“Hollandse Tuin”) heeft in 2005 geleid tot een veroordeling van verdachte door het gerechtshof te Amsterdam.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zijn toenmalig enige medevennoot en hijzelf al snel na afloop van het onderzoek Hollandse Tuin merkten dat de omzet van de growshop terugliep, aangezien klanten in de growshop niet alle benodigdheden, en met name niet de hennepstekken, voor hun kwekerijen op één en dezelfde plaats konden verkrijgen. Om die reden begonnen de door verdachte als bemiddeling aangeduide activiteiten met betrekking tot het bestellen en de levering van hennepstekken al vrij snel na afloop van het onderzoek in 2000.

Op basis van het vorenstaande en de verklaring van [betrokkene 3], inhoudende dat zij medio 2000 de hennepplantjes voor haar hennepkwekerij had gekocht bij de growshop te Uitgeest, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in ieder geval sinds de tenlastegelegde begindatum van 2 mei 2000 schuldig heeft gemaakt aan de handel in hennepstekken.

Er zijn echter pas vanaf juni 2004 aanwijzingen voor stelselmatige handel in hennepstekken. Dit volgt uit:

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 6] dat ene [betrokkene 1] gedurende ongeveer 9 maanden hennepstekken leverde aan [de growshop] en dat sinds deze [betrokkene 1] in 2005 werd aangehouden voor sigarettensmokkel, onder andere een persoon, door [medeverdachte 6] aangeduid als [bijnaam], de stekken leverde (map 22, pagina’s 31-36 en 42-50);

- het in het dossier aangehaalde onderzoek contra [betrokkene 1] (map 18);

- de erkenning van verdachte ter terechtzitting.

4.3.3. Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 2 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de 5280 gram hennep:

- een geschrift bevattende een goederenlijst van de in de growshop te Uitgeest aangetroffen goederen, waaronder een zwarte plastic bak met daarin een hoeveelheid hennepresten (map 28, pagina 125);

- een geschrift bevattende afbeeldingen van de in de growshop te Uitgeest aangetroffen hennepresten (map 28, pagina 110);

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een verslag van de weging van de aangetroffen hennepresten en de positieve narco-test die is uitgevoerd op een monster van die hennepresten (map 14a, pagina’s 48-49).

Ten aanzien van de negen hennepplanten:

- een proces-verbaal van doorzoeking van het woonperceel van verdachte, inhoudende dat in een glazen kast in de achtertuin van het woonperceel een negental vermoedelijk hennepplanten is aangetroffen (map 28, pagina’s 215-217;

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een verslag van de positieve narco-test die is uitgevoerd op een monster van een op het woonperceel van verdachte aangetroffen plant (map 14a, pagina 57);

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.3.4. Feiten 3 en 4

De rechtbank zal deze feiten gezamenlijk behandelen, daar het inhoudelijk dezelfde feiten betreft, doch slechts in periode gescheiden door de wetswijziging per 1 juli 2006 met betrekking tot deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feiten 3 en 4 op grond van het navolgende:

Uit het dossier is gebleken dat de vier vennoten van [de growshop] samen met verdachte [medeverdachte 2] en anderen in georganiseerd verband hebben gehandeld in hennepstekken en hennepafval. De rechtbank verwijst hiervoor naar de bij feit 1 opgesomde bewijsmiddelen. Dit georganiseerd verband blijkt uit de werkwijze die de leden van de organisatie erop nahielden.

Kort omschreven, houdt die werkwijze in dat klanten de stekken in de beide winkels van [de growshop] bestelden. Bestellingen werden – blijkens een aantal telefoontaps waarin bellende klanten hiervoor werden verwezen naar de winkels – uit angst voor ontdekking nauwelijks telefonisch opgenomen. In beide filialen werden in de agenda’s de bestellingen opgeschreven; waren ze geleverd, dan werden de bladzijdes uit de agenda’s gescheurd. De gewenste aantallen stekken werden vervolgens doorgebeld naar de leverancier die de stekken bezorgde. Uit hetgeen bij de politie en ter terechtzitting is verklaard, blijkt dat de transacties met betrekking tot de hennepstekken heimelijk plaatsvonden in de omgeving van het filiaal in Uitgeest. De dozen met stekken werden daar namelijk rechtstreeks overgeladen van het busje van de leverancier in de auto’s van de klanten of in de auto van verdachte [medeverdachte 1] om meegenomen te worden naar de winkel in Zwaag voor de klanten aldaar.

4.3.5. Feit 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 5 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal doorzoeken waarin wordt gerelateerd dat er geld in beslag is genomen in de woning [woning], en de bijbehorende goederenlijst, waaruit blijkt dat een geldbedrag van 19.100 euro is aangetroffen in een zwarte plastic tas in de bodem van een kledingkast (map 29, pagina’s 20 en 25);

- de verklaring van [medeverdachte 2], inhoudende dat hij wist dat er wiet en stekken werden verhandeld bij [de growshop] en dat hiermee veel geld werd verdiend en dat zijn zoon [verdachte] hem een zwarte plastic zak met heel veel geld in bewaring heeft gegeven. Deze zak lag onder in de kledingkast (map 20, pagina 98).

Uit het onderzoek is gebleken dat geld werd verdiend met de handel in hennepstekken. Dit blijkt uit de verklaringen van verdachten [medeverdachte 9] (map 26, pagina 65) en [medeverdachte 6] (map 22, pagina 34), en daarnaast uit de verklaringen van hennepkwekers [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (map 2, respectievelijk pagina 2 en pagina 10) die spreken over de prijzen van hennepstekken. De rechtbank leidt uit deze verklaringen, in samenhang bezien, af dat ook [de growshop] een marge berekende over de geleverde hennepstekken. Omdat verdachte een leidinggevende functie had bij [de growshop], gaat de rechtbank ervan uit dat hij in elk geval een deel van de opbrengsten van de verkoop van hennepstekken ontving. Van de aangetroffen 19.100 euro is gebleken dat deze toebehoorden aan verdachte. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat juist dit bedrag van legale herkomst zou zijn. Het gaat immers om contanten die heimelijk werden bewaard. De rechtbank neemt daarom aan dat op z’n minst een deel van dit geld van strafbare feiten afkomstig is.

4.3.6. Feit 6

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 6 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal waaruit blijkt dat in de woning van verdachte de navolgende stukken zijn aangetroffen (map 6, pagina’s 196-198):

- een overzicht waarop staat dat [verdachte] op verschillende data contante kasstortingen heeft gedaan (map 6, pagina 202);

- het jaaroverzicht van het jaar 2005, waarin namen en lonen die aan werknemers van [club A] te koppelen zijn, worden genoemd en waarin een lijst staat van de contante stortingen die zijn gedaan (map 6, pagina’s 215-217);

- de verklaring van [getuige 2], waarin zij verklaart over de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij [club A] (map 6, pagina 146);

- de verklaring van [getuige 3] over zijn betrokkenheid bij [club A] (map 6, pagina 156);

- een afgeluisterd telefoongesprek van 20 september 2006, inhoudende dat verdachte een vergadering wil beleggen met de betrokkenen bij de [club A] [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (map 15, pagina 98).

Uit genoemde bewijsmiddelen blijkt dat de stukken die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, op diverse wijzen zijn te koppelen aan de bedrijfsvoering van de [club A] te Zaandam. De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze stukken ook daadwerkelijk die bedrijfsvoering betreffen. Dat betekent dat de rechtbank er tevens van uit gaat dat [verdachte], geld heeft geïnvesteerd in dit bedrijf. Verdachte heeft dit heimelijk gedaan; zijn investeringen komen immers niet terug in de officiële administratie van het bedrijf. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte deze gelden grotendeels uit de opbrengst van strafbare feiten heeft verkregen en aldus heeft witgewassen. Daarbij weegt de rechtbank tevens mee dat verdachte, ter terechtzitting naar de betekenis van deze stukken gevraagd, geen andere uitleg heeft gegeven met betrekking tot de inhoud van de genoemde stukken.

4.3.7. Feit 8

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 8 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- een geschrift bevattende een goederenlijst van de in de woning van verdachte aangetroffen goederen, waaronder een zilverkleurige koffer inhoudende 18 horloges (map 28, pagina 208);

- een geschrift bevattende een aangifte van [aangever] te Amsterdam, inhoudende dat in de woning van verdachte aangetroffen horloges namaak zijn gebleken op grond van de afwijkende uurwerken, het ontbreken van het unieke serienummer, de slechte afwerking van de producten en de inferieure materialen. De aangifte vermeldt voorts dat de merk- en licentiehouders van de merken die op de horloges waren aangebracht, krachtens registratie in de zin van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom exclusief gerechtigd zijn om de betreffende merken in Nederland te voeren (map 28, pagina’s 244-245);

- een geschrift bevattende een brief van F.V.B.M. Mutsaerts, advocaat ten behoeve van Rolex S.A., waaruit blijkt dat Rolex S.A. is ingeschreven als exclusief rechthebbende met betrekking tot het woordmerk Rolex en het beeldmerk Rolex (map 29 laatste pagina’s);

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een verslag van een onderzoek naar de waarde en echtheid van de in de woning van verdachte aangetroffen horloges, met als conclusie dat het imitatie-horloges betreft (map 14a, pagina’s 60-63).

Alle aangehaalde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt.

5. Strafbaarheid van de feiten

5.1 Strafuitsluitingsgrond voor feit 8

Hoewel verdachte door het voorhanden hebben van de in zijn woning aangetroffen horloges, welke valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, in beginsel handelt in strijd met artikel 337, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de strafuitsluitingsgrond “enkele waren voor eigen gebruik”, zoals genoemd in artikel 337, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, van toepassing is. Dit baseert de rechtbank op de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat het een hobbycollectie is welke in de loop van jaren bij elkaar verzameld is en op het feit dat het allemaal verschillende en tamelijk uitzonderlijk vormgegeven exemplaren betreft (zie voor uitleg van het begrip “hobbycollectie” de Kamerstukken II, 1999-200, 26848, nrs. 3 en 5).

Nu het voorhanden hebben van deze horloges niet strafbaar is, zal verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 8 worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2 Kwalificatie van de overige feiten

De overige bewezenverklaarde feiten leveren op:

- Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- Ten aanzien van feit 3:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij leider van die organisatie was;

- Ten aanzien van feit 4:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, terwijl hij leider van die organisatie was;

- Ten aanzien van feit 5:

medeplegen van witwassen;

- Ten aanzien van feit 6:

een gewoonte maken van witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie en de overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

De officier van justitie heeft gevorderd dat opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de onder 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten en hem een aanzienlijk lagere straf op te leggen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in het kader van het op peil houden van de legale verkoop van binnentuinbenodigdheden gedurende vele jaren in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan de professionele handel in hennepproducten. Hoewel verdachte eerder veroordeeld was tot een voorwaardelijke vrijheidstraf voor soortgelijke feiten, is hij wegens louter winstbejag doorgegaan op de oude voet.

De uit hennepplanten verkregen stof is bij gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar is daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Bovendien heeft verdachte er met zijn handelwijze voor gezorgd dat hennepkwekerijen, welke veel overlast en gevaar voor de omgeving veroorzaken, in stand konden blijven.

Het plegen van bovenstaande handelingen binnen het kader van een criminele organisatie is een ernstig feit, aangezien het een platform biedt voor het plegen van strafbare feiten en leden van een zodanige organisatie een constante druk voelen om de illegale doelstellingen van de organisatie te verwezenlijken.

Tenslotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van (deels) criminele gelden. Witwassen is een ernstig feit dat door misdrijf verkregen geld de schijn van legitimiteit moet geven en het reguliere financiële verkeer ondermijnt.

Naast deze strafbare handelingen heeft de rechtbank ten aanzien van de op te leggen straf de persoonlijke omstandigheden van verdachte in overweging genomen. Enerzijds is verdachte eerder veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet, hetgeen een strafverzwaring dient op te leveren. Anderzijds is uit een door de raadsman overlegd reclasseringsrapport uit het jaar 2000 gebleken dat de jongste zoon van verdachte lijdt aan taaie slijmziekte en zijn vooruitzichten niet goed zijn, hetgeen reden is om geen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. Deze straf is lager dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank minder feiten heeft bewezen verklaard dan de officier van justitie bewezen acht en de rechtbank sterker rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.2 Beslag

7.2.1. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder nummers 39 en 40 aangeduide goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Dit betreffen joints en vals papiergeld. Deze goederen behoren de verdachte toe.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en kunnen dienen tot het plegen van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en/of het algemeen belang.

7.2.2. Teruggave aan verdachte

De op de beslaglijst onder nummers 6 tot en met 38 aangeduide voorwerpen zullen worden geretourneerd aan verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 140, 420bis, 420ter;

Opiumwet: 3, 11, 11a.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 7 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 8. bewezenverklaarde feit.

Bepaalt dat de overige bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

– 3.00 STK Drugs

JOINTS

c-4-1-1 uit auto

– 1.00 STK Vals Papiergeld

25 GULDEN

c-1-1-1-4 vals biljet 25 gulden

Gelast de teruggave aan verdachte van:

– 1.00 STK Personenauto [kenteken]

BMW 850i AUT Kl: ROOD

– 1.00 STK Koffer

SIERADENKOFFER

in houd 18 imitatie horloge’s C1-1-3-1-a tm r

– 1.00 STK Horloge Kl: roze

VACHERON constantin 763641

c.1.2.4.2.imitatie

– 1.00 STK Horloge Kl: goud

ROLEX datejust

c.1.1.6.2.

– 1.00 STK Horloge Kl: zwart

PATEK PHILLIPE

c.1.1.2.3.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Kingma, voorzitter,

mrs. De Vries en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Alexander en De Mos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 mei 2007.