Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA4602

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
05/2720
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kosten dwangbevel. Eis tot apart verzoek tot uitstel van betaling na ingesteld beroep niet in strijd met Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belangenafweing van wetgever in formele zin bij invoering kostenwet is niet van redelijke grond ontbloot. Artikel 6 EVRM niet geschonden want in rekening brengen betekeningskosten heeft geen punitief karakter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0996
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2702

Uitspraakdatum: 1 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de ontvanger van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres bij beschikking van 27 april 2005 voor het betekenen van een dwangbevel per post met bevel tot betaling, een bedrag van € 10.295 in rekening gebracht.

Verweerder heeft, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van 8 juni 2005 het in rekening gebrachte bedrag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 juni 2005, ontvangen bij de rechtbank op 28 juni 2005, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 27 juli 2005.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2006 te Haarlem.

Namens eiseres is daar verschenen A (bestuurder), bijgestaan door B. Namens verweerder is verschenen C.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Met dagtekening 25 augustus 2004 is aan eiseres een naheffingsaanslag loonbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: lb/pvv) opgelegd over de jaren 1999 tot en met 2002 (aanslagnummer 000000, te vermeerderen met de daarover verschuldigde heffingsrente en met een boete, beide bij afzonderlijke beschikking doch in hetzelfde geschrift vastgesteld (hierna gezamenlijk aangeduid als: de naheffingsaanslag). Het in totaal te betalen bedrag bedroeg € 191.142. Op 6 oktober 2004 kwam bij de Belastingdienst een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag binnen waarbij tevens uitstel van betaling werd gevraagd voor de periode dat het bezwaarschrift in behandeling zou zijn. In verband hiermee werd door verweerder op 7 oktober 2004 uitstel verleend voor het gehele bedrag totdat op het bezwaarschrift zou zijn beslist.

2.2. Met dagtekening 16 februari 2005 werd het verleende uitstel ingetrokken omdat er inmiddels op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag was beslist. Hierbij werd vermeld dat betaling binnen tien dagen na dagtekening diende plaats te vinden. Omdat er geen betaling volgde werd met dagtekening 21 maart 2005 een aanmaning verzonden, waarin nogmaals een termijn van tien dagen is gegeven voor betaling en is meegedeeld dat daarna zou worden overgegaan tot verdere invorderingsmaatregelen. Ook hierna volgde geen betaling en op 27 april 2005 werd het dwangbevel betekend, waarbij de onderhavige betekeningskosten in rekening zijn gebracht.

2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslag voordat voornoemd dwangbevel aan haar is betekend. In verband hiermee heeft eiseres op 10 mei 2005 een verzoek om uitstel van betaling ingediend. In het verzoek van 10 mei 2005 wordt voorts verwezen naar een brief van 29 april 2005, waarin eiseres eerder heeft verzocht om uitstel van betaling op de naheffingsaanslag. Verweerder heeft vervolgens uitstel van betaling verleend tot op het beroep zou zijn beslist. Het beroep tegen de naheffingsaanslag is niet-ontvankelijk verklaard en het verzet daartegen is ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak in verzet is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad had ten tijde van de sluiting van het onderzoek ter zitting in deze zaak daarin nog geen uitspraak gedaan.

2.4. Eiseres heeft op 2 februari 2005 rechtsgeldig betalingsonmacht gemeld met betrekking tot belastingaangiften lb/pvv en omzetbelasting voor het tijdvak december 2004 voor zichzelf alsmede voor aan haar gelieerde vennootschappen. Tevens is daarbij met betrekking tot dat tijdvak verzocht om uitstel van betaling. De meldingen zijn op 25 februari 2005 bevestigd door verweerder. Daarbij is aangegeven dat het verzoek om uitstel van betaling niet kan worden ingewilligd. Op 19 april 2005 en 3 mei 2005 zijn dienaangaande dwangbevelen met bevel tot betaling betekend. Voorts is aan eiseres met betrekking tot de aanslag lb/pvv 2005 van 26 april 2005, op 14 juni 2005 een dwangbevel met bevel tot betaling betekend. Bij al deze dwangbevelen zijn betekeningskosten in rekening gebracht. Op 21 juni 2005 zijn genoemde dwangbevelen gevolgd door een hernieuwd bevel tot betaling waarna op 27 juni 2005 voor deze aanslagen beslag werd gelegd; de hierop betrekking hebbende stukken zijn op 28 juni 2005 betekend. De datum van executoriale verkoop in verband met dit beslag is op 6 juli 2005 door verweerder verschoven naar 7 oktober 2005.

3. Geschil

In geschil is of terecht en tot het juiste bedrag kosten voor het per post betekenen van het dwangbevel in rekening zijn gebracht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat eiseres (tijdig) kennis heeft kunnen nemen van de naheffingsaanslag waarop het onderhavige dwangbevel ziet.

4.2. Het betoog van eiseres dat het in rekening brengen van de dwangbevelkosten strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat er ook ter zake van deze naheffingsaanslag rechtsgeldig betalingsonmacht is gemeld en de ontvanger voor overige belastingschulden niet tot dwanginvordering is overgegaan, kan de rechtbank niet volgen. Zoals blijkt uit de vaststaande feiten zijn aan de meldingen van betalingsonmacht op 2 februari 2005 geen gevolgen verbonden voor dwanginvordering met betrekking tot de openstaande aanslagen. In het midden kan blijven of ook voor de aanslag waarop de onderhavige betekeningskosten zien, rechtsgeldige melding van betalingsonmacht heeft plaatsgevonden. Wel is de datum van executoriale verkoop met betrekking tot die andere aanslagen opgeschort tot 27 oktober 2005. Een verschil in behandeling met het onderhavige geval levert dit echter niet op nu de dwanginvordering voor de onderhavige aanslag op dat moment al was opgeschort door het verleende uitstel van betaling. De stelling van eiseres dat sprake is van een coulanter beleid ten aanzien van de invordering van andere aanslagen, vindt geen steun in de vaststaande feiten.

4.3. Verweerder heeft ter zitting toegegeven dat op het moment van uitreiking van het dwangbevel bij hem bekend was dat beroep (in cassatie) was ingesteld inzake de naheffingsaanslag waarop het bevel ziet. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat zo’n beroep niet automatisch inhoudt dat uitstel wordt verleend en dat dit pas pleegt te gebeuren nadat daartoe een verzoek wordt gedaan; verweerder wenst daarbij de mogelijkheid te behouden om te beoordelen of uitstel van betaling in de omstandigheden van het individuele geval wenselijk is (zie de Leidraad Invordering bij artikel 25, § 1, lid 3 en § 2, lid 1a). Vast staat dat het verzoek om uitstel in het onderhavige geval is gedaan nadat het dwangbevel is betekend. Voor zover eiseres heeft bedoeld zich op het standpunt te stellen dat deze handelwijze strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat verweerder, in overeenstemming met de Leidraad Invordering, in redelijkheid ertoe heeft kunnen besluiten slechts na een apart verzoek daartoe uitstel van betaling te verlenen en niet automatisch daartoe over te gaan als tegen de desbetreffende belastingaanslag in beroep wordt gegaan. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht is de bedoeling van deze gedragslijn invordering van het belastinggeld in een vroeg stadium veilig te stellen en is daarbij in beginsel niet relevant of de aanslag al dan niet onherroepelijk vaststaat. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat als later uitstel wordt gevraagd, zoals in het onderhavige geval ook is gebeurd, geen verdere invorderingsmaatregelen plegen te worden genomen. Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder in het onderhavige geval van genoemde gedragslijn had moeten afwijken.

4.4. Eiseres stelt voorts dat het in rekening brengen van de onderhavige kosten disproportioneel is in relatie tot de hoogte van de aanslag en dientengevolge in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in bijzonder met de op de voet van artikel 3:4 van de Awb door verweerder te maken belangenafweging en evenredigheid van het besluit in verhouding tot het met het besluit te dienen doelen.

4.5. Verweerder heeft ter zake van het in rekening brengen van kosten op de voet van artikel 1 van de Kostenwet gehandeld binnen het kader van de artikelen 3 en 4 van de Kostenwet. De hoogte van het in rekening gebrachte bedrag is in beginsel gerelateerd aan de hoogte van de op basis van de naheffingsaanslag verschuldigde belasting. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het in rekening te brengen bedrag is gebonden aan een wettelijk maximum en dat dit maximum in het onderhavige geval is toegepast. Het staat de wetgever in beginsel vrij om voor de berekening van deze kosten een forfaitaire regeling als de onderhavige in het leven te roepen, ook al zou deze regeling er in individuele gevallen toe kunnen leiden dat een hoger bedrag moet worden betaald dan in werkelijkheid met de betekening van het dwangbevel is gemoeid. Honorering van het betoog van eiseres zou er in wezen toe leiden dat de rechtbank – in strijd met artikel 120 van de Grondwet – de wet in formele zin zou toetsen aan een fundamenteel rechtsbeginsel van de Nederlandse rechtsorde, in casu het evenredigheidsbeginsel in strikte zin, dat buiten artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nog geen uitdrukking heeft gevonden in enige, een ieder verbindende verdragsbepaling die in dit geding van toepassing is. Indien de rechtbank op grond van omstandigheden welke bij de totstandkoming van artikel 3 van de Kostenwet door de formele wetgever in de afweging zijn betrokken, dus in gevallen waarvoor zij nu juist is geschreven, dat artikel buiten toepassing zou laten, zou zulks aan die bepaling haar verbindende kracht ontnemen. Dat is de rechter ingevolge artikel 120 van de Grondwet verboden (HR 14 april 1989, nr. 13822, NJ 1989, 469). Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Kostenwet liggen de volgende overwegingen aan het tarief ten grondslag:

“Het thans voorgestelde tarief voor de vervolgingskosten - evenals het bestaande trouwens - heeft een dualistisch karakter omdat het beoogt een synthese tot stand te brengen tussen het aan iedere nalatige in rekening brengen van de door hem individueel veroorzaakte kosten en het geven van een met de hoogte van het gevorderde belastingbedrag variërende betalingsprikkel. Dit leidt er uiteraard toe, dat geen van beide oogmerken volledig wordt bereikt. Aan welk van de twee oogmerken voor iedere kostencategorie afzonderlijk het grootste gewicht moet worden toegekend, hangt uiteraard mede af van de eisen, die de hantering van het kostentarief in de praktijk stelt. In dat tarief kan echter - ook voor zover het een kostenbedrag vordert dat de werkelijke kosten te boven gaat - niet een administratieve boete worden gezien of een element van rentevergoeding.” (Kamerstukken II 1967/68, 8910, nr. 5, blz. 2)

Hieruit blijkt dat de wetgever bewust ervoor heeft gekozen om met het tarief voor de vervolgingskosten niet alleen de daadwerkelijke kosten te verhalen, maar ook een betalingsprikkel in het leven te roepen. De wetgever moet daarmee geacht worden bewust te hebben aanvaard dat in voorkomende gevallen, zoals in casu, sprake is van een discrepantie tussen het in rekening gebrachte bedrag en de daadwerkelijke betekeningskosten (vergelijk ook HR 18 maart 1998, BNB 1998/156 en HR 7 juni 2000, BNB 2000/374).

Voor zover eiseres zich heeft beroepen op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, dient ook dit beroep te worden verworpen. EHRM, 10 juni 2003, Application no. 27793/95 (M.A. e.a. tegen Finland), FED 2003/604, overwoog immers:

“According to the Court's well-established case-law, an interference, including one resulting from a measure to secure payment of taxes, must strike a `fair balance' between the demands of the general interest of the community and the requirements of the protection of the individual's fundamental rights. The concern to achieve this balance is reflected in the structure of Article 1 [of the First Protocol] as a whole, including the second paragraph: there must be a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aims pursued.

Furthermore, in determining whether this requirement has been met, it is recognised that a Contracting State, not least when framing and implementing policies in the area of taxation, enjoys a wide margin of appreciation and the Court will respect the legislature's assessment in such matters unless it is devoid of reasonable foundation”.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de belangenafweging door de wetgever in formele zin, zoals die hiervóór is weergegeven, van redelijke grond is ontbloot.

4.6. Het betoog van eiseres dat het in rekening brengen van de betekeningskosten een punitief karakter heeft waarop artikel 6 van het EVRM van toepassing is, faalt eveneens. Dat het in rekening gebrachte bedrag mogelijk hoger is dan de kosten die in werkelijkheid met de betekening gemoeid zijn en dat het in rekening brengen van genoemde kosten door de belastingschuldige als punitief wordt ervaren, maakt dit oordeel niet anders. Zoals hiervoor onder 4.5 is weergegeven heeft het in rekening brengen van de betekeningskosten ten doel het geven van een met de hoogte van het gevorderde belastingbedrag variërende betalingsprikkel en het in rekening brengen van de door de belastingplichtige individueel veroorzaakte kosten. Beide doelstellingen dienen in hun onderlinge samenhang te worden beschouwd. Van een vergeldingsdoel is geen sprake. Artikel 6 EVRM is niet geschonden.

4.7. De rechtbank acht ook overigens geen grond aanwezig het in rekening gebrachte bedrag te matigen of de beschikking te vernietigen.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. J.L. Bruinsma, en mr. S.C.W. Douma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.