Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA3988

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
15/630673-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bedreiging, art. 285 Sr. Gevoerde verweren:1. geen sprake van vrees en 2. beroep op noodweer. Beide verweren zijn door de rechtbank verworpen. 1. Wat er ook zij van de gevoelens van aangever, het tonen van, richten op en vervolgens doorladen van een vuurwapen tijdens een ruzie in een horecagelegenheid is naar zijn aard voldoende om in het algemeen vrees op te wekken. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor een strafbare bedreiging. 2. De rechtbank concludeert uit de bewijsmiddelen dat verdachte zich beide keren willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een gewelddadige confrontatie met anderen voor de hand lag en waarbij verdachte zich gedwongen zou kunnen zien gebruik te moeten maken van zijn pistool. Onder deze omstandigheden komt aan verdachte een beroep op noodweer met betrekking tot feit 1 en 2 niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630673-06

Uitspraakdatum: 11 april 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 maart 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Flevoland, huis van bewaring Almere Binnen.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2006 te Purmerend, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] een pistool (althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) getoond en/of (vervolgens) doorgeladen en/of (vervolgens) gericht op die [slachtoffer 1], terwijl hij, verdachte, op ongeveer twee meter afstand van die [slachtoffer 1] stond, en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik schiet je, ik schiet je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 20 juli 2006 te Purmerend, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of andere aldaar aanwezige personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool, althans een (op) vuurwapen (gelijkend voorwerp) uit zijn broeksband gepakt en/of (vervolgens) getoond aan en/of gericht op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of andere aldaar aanwezige personen;

3.

hij (op een of meer tijdstippen gelegen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2006 tot en met 20 juli 2006 te Purmerend, (telkens) een of meer wapens van categorie III, te weten (telkens) een pistool, van het merk "Bernardelli", type P.One, kaliber 9 millimeter Para, en/of (telkens) munitie van categorie III, te weten (telkens) (ongeveer) negen, althans een of meer scherpe kogelpatronen van het kaliber 9mm Luger, voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsverweren:

De raadsman voert aan dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, aangezien er geen sprake is geweest van een bedreigende situatie, nu [slachtoffer 1] het tonen van het pistool niet als een bedreiging heeft opgevat. Hij zei immers zelf: “Schiet maar, schiet maar”.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Wat er ook zij van de gevoelens van aangever, het tonen van, richten op en vervolgens doorladen van een vuurwapen tijdens een ruzie in een horecagelegenheid is naar zijn aard voldoende om in het algemeen vrees op te wekken. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor een strafbare bedreiging.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op 19 juli 2006 te Purmerend, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] een pistool getoond en vervolgens doorgeladen en vervolgens gericht op die [slachtoffer 1], terwijl hij, verdachte, op ongeveer twee meter afstand van die [slachtoffer 1] stond, en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik schiet je, ik schiet je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op 20 juli 2006 te Purmerend, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool uit zijn broeksband gepakt en vervolgens getoond aan en gericht op die [slachtoffer 2];

3.

hij op meer tijdstippen gelegen in de periode van 19 juli 2006 tot en met 20 juli 2006 te Purmerend, telkens een wapen van categorie III, te weten telkens een pistool, van het merk "Bernardelli", type P. One, kaliber 9 millimeter Para, en telkens munitie van categorie III, te weten telkens ongeveer negen scherpe kogelpatronen van het kaliber 9mm Luger, voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in hem verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3 Bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

De rechtbank baseert het bewijs van feit 1 op de volgende bewijsmiddelen.

[slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat [verdachte] binnen kwam in café [café] en dreigend op hem af kwam lopen. Vervolgens heeft verdachte een vuurwapen uit zijn broeksband getrokken. Aangever zag en hoorde dat verdachte het vuurwapen doorlaadde (dossierpagina 159 mutatienummer PL 1100/ 06-051970). In een aanvulling op deze aangifte heeft [slachtoffer 1] op 20 juli 2006 een verklaring afgelegd, waarin hij aangeeft dat verdachte het pistool op hem heeft gericht ter hoogte van zijn borst. Verdachte stond ongeveer twee meter van hem vandaan en zei: “Ik schiet je, ik schiet je” (dossierpagina 166).

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting van 3 november 2006 een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van feit 1 waarin hij verklaart dat hij een vuurwapen getrokken heeft en dat hij dit gericht heeft op [slachtoffer 1] om hem bang te maken (proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 november 2006).

Naast deze twee verklaringen van aangever en verdachte, heeft [slachtoffer 3] verklaard dat hij zag dat verdachte een pistool uit zijn broeksband haalde en dit doorlaadde. Verdachte richtte het pistool op zijn broer [slachtoffer 1]. Verdachte heeft gezegd: “Ik maak jullie af” (dossierpagina 198 mutatienummer PL 1100/ 06-051970).

De rechtbank baseert het bewijs van feit 2 op de volgende bewijsmiddelen.

[slachtoffer 2] verklaart op 21 juli 2006 dat hij op 20 juli 2006 zag dat verdachte een wapen uit zijn broeksband trok. Hij zag dat verdachte het wapen schuin voor zich uit naar beneden richtte. Vervolgens zag hij dat verdachte een steegje in rende en zich om draaide in zijn richting. [slachtoffer 2] zag dat verdachte het pistool in zijn richting had gekeerd en gericht hield (proces-verbaal nr 0480 – 095/2006, dossierpagina 60-61).

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 november 2006 een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van feit 2 waarin hij verklaart dat hij een wapen heeft getrokken op 20 juli 2006 (proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 november 2006).

Daarnaast is door een groot aantal getuigen verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte zijn pistool ook heeft gericht op [slachtoffer 2], te weten [getuige 1] (p. 42), [getuige 2] (p.71), [getuige 3] (p. 82) en [getuige 4] (p.85).

De rechtbank acht deze getuigenverklaringen echter - ook in samenhang bezien - onvoldoende concreet om daarnaast bewezen te achten, zoals de officier van justitie voorstaat, dat verdachte op andere aanwezigen dan [slachtoffer 2] heeft gericht en aldus ook deze anderen heeft bedreigd.

Ten aanzien van feit 3 baseert de rechtbank zich op de navolgende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 november 2006 verklaard dat hij op 19 en 20 juli 2006 een pistool bij zich droeg. Ook verklaart verdachte dat hij dit pistool heeft weggegooid in de tuin waar later een wapen is gevonden (proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 november 2006). Dit laatste wordt bevestigd door het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 30, mutatienummer PL 1100/06-052239). Naar dit wapen is ook onderzoek gedaan (proces-verbaal van bevindingen vuurwapens, dossierpagina 60, mutatienummer PL1262/06-089719), waaruit blijkt dat het een wapen is van catergorie III van de Wet Wapens en Munitie.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

- ten aanzien van feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

- ten aanzien van feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

- ten aanzien van feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie

5. Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 dient te worden vrijgesproken omdat verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsman stelt - zakelijk weergegeven - het navolgende.

Ten aanzien van feit 1 hebben verdachte en [slachtoffer 1] verklaard dat [slachtoffer 1] verdachte eerst een klap in zijn gezicht heeft gegeven. Vervolgens is de pitbull van [slachtoffer 3] op verdachte gesprongen. Verdachte heeft toen zijn pistool gepakt om een einde te maken aan deze dreigende situatie en heeft derhalve uit noodweer gehandeld.

Ten aanzien van feit 2 dient de situatie vanuit het oogpunt van verdachte te worden bezien. Verdachte is steeds blijven zeggen dat hij [slachtoffer 2] niet kent, en niet heeft gehoord dat deze zich als politieman bekend maakte of dat hij zou worden aangehouden. Vervolgens komt [slachtoffer 4] aanrennen, waar verdachte al een langlopend conflict mee heeft. Verdachte voelde zich aangevallen door [slachtoffer 4] en de hem onbekende man. Hierdoor is een explosieve situatie ontstaan. Verdachte heeft zijn pistool gepakt om [slachtoffer 4] en de onbekende man af te schrikken. Hij heeft het pistool echter niet op iemand gericht. Verdachte rent vervolgens weg en draait zich in een steegje half voorover gebogen om en houdt het pistool in de richting van [slachtoffer 2], maar heeft niet gericht. Ook ten aanzien van feit 2 kan verdachte zich beroepen op noodweer.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het navolgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 november 2006 verklaard dat hij op 19 juli 2006 in Purmerend was en dat een vriend van hem, [betrokkene], ruzie had gekregen in café [café]. Verdachte gaat vervolgens het café binnen om verhaal te halen. Verdachte had bovendien een pistool bij zich, naar zijn zeggen omdat hij ruzie heeft met [slachtoffer 4].

Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij de volgende dag op 20 juli 2006 bij een flat op de Meteorenweg te Purmerend is gaan zitten. De rechtbank constateert dat deze flat in de buurt van het huis van [slachtoffer 1] staat, degene die hij de vorige dag met een vuurwapen heeft bedreigd. Verdacht heeft voorts verklaard dat hij een pistool bij zich had voor het geval dat [slachtoffer 4] bij hem in de buurt zou komen (proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 november 2006).

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verdachte zich beide keren willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een gewelddadige confrontatie met anderen voor de hand lag en waarbij verdachte zich gedwongen zou kunnen zien gebruik te moeten maken van zijn pistool. Onder deze omstandigheden komt aan verdachte een beroep op noodweer met betrekking tot feit 1 en 2 niet toe.

De rechtbank constateert dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van hetgeen onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

- toewijzing van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 500,- en voor het overige niet ontvankelijk en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel;

- onttrekking aan het verkeer van een patroon, een wapen, een huls en een patroonhouder;

- teruggave aan de rechthebbende van een wapen Walther P5, een patroonhouder, een patroon en een sneltrekholster;

- teruggave aan verdachte van een teenslipper en een sleutel.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland Regio Midden- en Oost Nederland Unit Lelystad uitgebrachte rapport van 22 maart 2007 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 19 juli 2006, in een kroeg vol mensen zijn pistool gepakt, doorgeladen en gericht op [slachtoffer 1].

Daarbovenop is verdachte op 20 juli 2006 naar de buurt gegaan waar [slachtoffer 1] woont. Toen verdachte werd aangehouden, heeft hij wederom zijn pistool uit zijn broeksband getrokken en deze op een rechercheur gericht. Delicten als onderhavige brengen bij betrokkenen, maar ook bij de cafébezoekers en buurtbewoners angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij in een overvolle kroeg en vervolgens de volgende dag in een drukke buurt mensen heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en daarbij zijn vuurwapen heeft gericht op die personen. Dit geldt te meer nu op 20 juli de verbalisant ter plaatse was in de uitoefening van zijn functie. De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat verdachte meerdere malen is veroordeeld tot gevangenisstraffen voor geweldsdelicten, waaronder mishandelingen en bedreiging. Desondanks heeft verdachte er geen blijk van gegeven inmiddels doordrongen te zijn van het strafwaardige van zijn handelen en zich wederom aan soortgelijke feiten schuldig gemaakt.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport d.d. 22 maart 2007. Hieruit blijkt dat verdachte op geen enkele wijze berouw toont voor zijn daden. Verdachte wordt geschetst als een calculerende jongen die weloverwogen egocentrische beslissingen neemt. Verdachte heeft al jaren geleden gekozen voor een leven met criminele activiteiten en is van plan daarmee verder te gaan. De kans op recidive wordt dan ook zeer hoog geschat.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een die vrijheidsbeneming medebrengt, dient te worden opgelegd.

6.3 Vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat, aangezien deze schade niet van eenvoudige aard is, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1750,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat , aangezien deze schade niet van eenvoudige aard is, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

6.4 Beslag

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een patroon, een wapen van Bernardelli P. one, een huls en een patroonhouder dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan en met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid.

Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet en met het algemeen belang.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36b, 36c, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht

26, 55 van de Wet Wapens en Munitie

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

– een patroon brons. Luger lapau 9mm;

– een wapen van Bernardelli P. one;

– een huls Lapua 9 mm luger;

– een patroonhouder zwart.

Gelast de teruggave aan rechthebbende ([slachtoffer 2]) van:

– een wapen Walther P5 serienummer: 089030;

– een patroonhouder zwart Action III 9 mm met 6 patronen;

– een patroon Action III 9 mm uit de kamer van een vuurwapen;

– een sneltrekholster.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

– een teenslipper bruin;

– een sleutel zilver uit jeansbroek van verdachte.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Vos- De Greeve, voorzitter,

mrs. Kingma en Van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 april 2007.

Mrs. Vos- De Greeve en Van der Bijl zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.