Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA3960

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
26-04-2007
Zaaknummer
15/030268-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ter zake van afpersing, art. 317 Sr. Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd. De rechtbank stelt vast dat de aangifte, los van de vraag of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is, geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. De rechtbank constateert dat uit het dossier naar voren komt dat er druk op [slachtoffer] is uitgeoefend om een geldbedrag te betalen. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij samen met [medeverdachte 2], [slachtoffer] heeft opgezocht bij het pannenkoekenrestaurant en dat zij hem hebben gechanteerd met het bekend maken van zijn buitenechtelijke relatie. Uit geen enkel ander bewijsmiddel dan de aangifte komt naar voren dat [slachtoffer] is bedreigd met geweld, dan wel dat hem is medegedeeld dat zijn vrouw en vriendin onder handen zouden worden genomen. Derhalve dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Zie ook BA3935 en BA3961.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/030268-04

Uitspraakdatum: 11 april 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 maart 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2004 tot en met 31 maart 2004 te Bloemendaal en/of te Heemstede, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 25.000 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), die [slachtoffer] heeft medegedeeld dat:

- als hij het bedrag niet zou betalen de gevolgen voor hem zouden zijn en/of dat verdachte en/of zijn mededader(s), zijn vrouw en vriendin onder handen zou(den) nemen en/of

- hij er voor moest zorgen dat het in orde kwam, anders zou(den) verdachte en/of zijn mededader(s), naar zijn vrouw en vriendin gaan en/of hij wel zou gaan betalen als zij waren aangepakt en/of zijn vriendin en haar zusje dan niet meer helemaal heel zouden zijn en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s), 's avonds terug zou(den) komen en zou(den) beginnen met het verbouwen van zijn vriendin en vervolgens naar hem zou(den) komen en/of

- die [slachtoffer] bij de schouder gepakt en/of in de schouder geknepen en hierbij dreigend de woorden toegevoegd: "Je gaat maar betalen oude man. Anders praten wij morgen voor jou zeer onvriendelijk", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 6 april 2004 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vrijspraak

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie baseert zijn standpunt ten aanzien van feit 1 in grote mate op de aangifte van de heer [slachtoffer]. In tegenstelling tot de raadsman van verdachte acht de officier van justitie de verklaring van aangever wel betrouwbaar. De officier van justitie stelt daarover - zakelijk weergegeven - het navolgende:

De aangever is op het punt van de bedreiging met geweld erg duidelijk. Hij was een geldbedrag schuldig en om ervoor te zorgen dat hij dat ging betalen, is aangever opgezocht door verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. Aangever voelde zich bedreigd, omdat zij hem, zijn vrouw en zijn vriendin iets aan zouden doen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd.

De rechtbank stelt vast dat de aangifte, los van de vraag of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is, geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.

De rechtbank constateert dat uit het dossier naar voren komt dat er druk op [slachtoffer] is uitgeoefend om een geldbedrag te betalen. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij samen met [medeverdachte 2], [slachtoffer] heeft opgezocht bij het pannenkoekenrestaurant en dat zij hem hebben gechanteerd met het bekend maken van zijn buitenechtelijke relatie. Uit geen enkel ander bewijsmiddel dan de aangifte komt naar voren dat [slachtoffer] is bedreigd met geweld, dan wel dat hem is medegedeeld dat zijn vrouw en vriendin onder handen zouden worden genomen. Derhalve dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit 2 heeft begaan in dier voege dat

hij op 6 april 2004 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, waarvan zes (6) maanden vooralsnog niet ten uitvoer behoeven te worden gelegd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten;

- onttrekking aan het verkeer van het alarmpistool, het pistool en de verdovende middelen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 24 juni 2005 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte is in de kast in zijn slaapkamer een zilverkleurig pistool aangetroffen. Dit wapen zat in een schoenendoos en de patroonhouder zat nog in het wapen.

Het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen is verboden. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven. Door dit wapen voor een ander te bewaren heeft verdachte bijgedragen aan het risico dat dergelijke misdrijven worden gepleegd. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3 Beslag

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een alarmpistool, een pistool en verdovende middelen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze goederen behoren de verdachte toe.

Het ongecontroleerde bezit van voormelde, inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36b, 36c van het Wetboek van Strafrecht

26, 55 van de Wet Wapens en Munitie

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit onder 2 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfendertig (35) dagen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het beslag beslist de rechtbank als volgt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

– 1 zwart alarmpistool

– 1 pistool zilver Browning met houder/ scherpe patronen

– 1 gesealde zak met wiet

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Kingma, voorzitter,

mrs. Vos- De Greeve en Van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 april 2007.

Mrs. Vos- De Greeve en Van der Bijl zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.