Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA3889

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
05/2482
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Integrale beoordeling hoogte aan de vennootschap opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen. Bestuurder terecht aansprakelijk gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0998

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2482

Uitspraakdatum: 19 april 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser

en

de ontvanger van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 22 november 2004 aansprakelijk gesteld voor de in een bijlage bij de beschikking opgenomen aan A B.V. opgelegde belastingaanslagen tot een bedrag van € 13.532.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 mei 2005 de aansprakelijkstelling gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 juni 2005, ontvangen bij de rechtbank op 15 juni 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft voor de zitting op verzoek van de rechtbank nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2007 te Haarlem. Eiser is hoewel behoorlijk uitgenodigd daar – zonder bericht - niet verschenen. Namens verweerder is verschenen B.

2. Feiten

2.1. Eiser stond in het handelsregister in de periode van 11 december 1987 tot en met 23 augustus 2003 ingeschreven als bestuurder van A B.V. (hierna: de vennootschap).

2.2. Aan de vennootschap zijn de volgende naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen met verhoging wegens niet volledige betaling op aangifte opgelegd:

aanslagnummer dagtekening tijdvak bedrag

1 26 februari 2003 december 2002 € 6.905

2 29 april 2003 januari 2003 € 861

3 28 mei 2003 februari 2003 € 817

4 26 mei 2003 maart 2003 € 1.300

5 31 oktober 2003 april 2003 € 1.306

6 31 oktober 2003 mei 2003 € 1.239

7 31 oktober 2003 juni 2003 € 739

2.3. Deze belastingaanslagen zijn onbetaald gebleven. Over de feiten en omstandigheden die van belang zijn geweest bij de vaststelling van de aanslagen is nog geen rechterlijke uitspraak gedaan.

2.4. Tot de stukken van het geding behoren twee van de (administrateur van de) vennootschap afkomstige zogeheten IKB-uitdraaien over 2002 en 2003, waarin als volgt is vermeld:

“(...)

Verloop LB 2002 (...) (in euro’s)

Tijdvak Val. Soort Fiscaal Ingehouden Bruto Afdracht naheffing (.....)

loon LB/PVV loonheffing aangifte

januari EUR AANG 2.996 873 873 873

februari EUR AANG 2.996 873 873 873

maart EUR AANG 2.996 873 873 0

NAHEF 873

april EUR AANG 2.996 873 873 873

mei EUR AANG 2.996 873 873 0

NAHEF 873

juni EUR AANG 2.996 873 873 873

juli EUR AANG 2.996 873 873 286

NAHEF 587

augustus EUR AANG 2.996 873 873 672

NAHEF 201

september EUR AANG 2.996 873 873 350

NAHEF 523

oktober EUR AANG 2.996 873 873 873

november EUR AANG 2.996 873 873 604

NAHEF 269

december EUR AANG 18.842 6.278 6.278 0 6.278

NAHEF

Totaal: 51.798 15.881 15.881 6.277 9.604

(...)

Verloop LB 2003 (...) ( in euro’s)

Tijdvak Val. Soort Fiscaal Ingehouden Bruto Afdracht naheffing (...)

loon LB/PVV loonheffing aangifte

januari EUR AANG 3.996 1.182 1.182 399

NAHEF 783

februari EUR AANG 3.996 1.182 1.182 439

NAHEF 743

maart EUR AANG 3.996 1.182 1.182 0

NAHEF 1.182

april EUR AANG 3.996 1.188 1.188 0

NAHEF 1.188

VERM

mei EUR AANG 3.996 1.188 1.188 0

NAHEF 1.188

VERM

juni EUR AANG 3.996 1.188 1.188 516

NAHEF 672

juli EUR AANG 3.996 1.205 1.205 1.205

augustus EUR AANG 6.554 2.224 2.224 0

NAHEF 2.224

september EUR AANG 0 0 0 0

oktober EUR AANG 0 0 0 0

november EUR AANG 0 0 0 0

Totaal: 34.526 10.539 10.539 2.559 7.980

(...)”

2.5. Tot de stukken van het geding behoort voorts een tweetal door (de administrateur van) de vennootschap opgemaakte verzamelloonstaten waarin als volgt is vermeld:

“Verzamelloonstaten 2003 (...)

Trefwoord: X Loon: e 25.892 (...)

Verzamelloonstaten 2003 (...)

Trefwoord: Y Loon: e 8.640 (...)”

2.6. Voorts behoren tot de stukken van het geding kopieën van de aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 en 2003 ten name van eiser, waarin als volgt is vermeld:

“(...) 2002 (...)

3a Loon en andere inkomsten van uzelf uit tegenwoordige dienstbetrekking die onder de loonheffing vielen (...)

Naam van uw werkgever(s) ingehouden loonheffing loon

A BV € 11694 € 38838

(...) ______ _______

€ 11694 € 38838 (...)

(...) 2003 (...)

3a Loon, uitkering Ziektewet en andere inkomsten van uzelf uit tegenwoordige dienstbetrekking die onder de loonheffing vielen (...)

Naam van uw werkgever(s) ingehouden loonheffing loon

A BV € 7689 € 25892

(...)”

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser terecht als bestuurder aansprakelijk is gesteld voor de onder 2.2. genoemde aanslagen.

3.2. Eiser stelt dat de belastingaanslagen ten onrechte aan de vennootschap zijn opgelegd, zodat hij daarvoor ook niet aansprakelijk kan zijn. Door de vennootschap is sedert eind 2002 geen loon meer uitbetaald en hij heeft vanaf november 2002 geen werkzaamheden meer verricht, zodat er ook geen loonheffing verschuldigd kan zijn.

3.3. Verweerder voert aan dat de naheffingsaanslagen onherroepelijk vast staan en reëel verschuldigd zijn. Eiser kan geen bezwaar maken tegen de aanslagen waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. De hoogte van de aanslagen kan thans alleen nog aan de orde komen in het kader van de vraag of de aanslagen in redelijkheid verschuldigd zijn. In dat kader stelt verweerder dat gezien de namens de vennootschap gedane aangiften, de loonstaten en de aangiften inkomstenbelasting van eiser, eiser wel het gestelde loon heeft ontvangen. Verweerder voert voorts aan dat door de niet-melding van betalingsonmacht wettelijk wordt vermoed dat de niet betaling door de vennootschap te wijten is aan eiser. Bij verweerschrift heeft verweerder daarnaast het standpunt ingenomen dat het beroep desondanks gegrond is, omdat de aansprakelijkstelling dient te worden verlaagd tot € 11.308.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 36 van de Invorderingswet - kort weergegeven en voor zover hier van toepassing - is een lichaam als de vennootschap verplicht om onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling van loonbelasting en/of omzetbelasting in staat is, daarvan mededeling te doen aan verweerder. De bewijslast dat er een melding van betalingsonmacht is gedaan, rust op de bestuurder. Indien niet aan de meldingsverplichting is voldaan, geldt dat een bestuurder aansprakelijk is en dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingsonmacht van de loonbelastingschulden niet is gemeld. De rechtbank begrijpt eisers stelling dat de melding niet vereist was omdat de loonbelastingschulden niet bestonden, aldus dat hij bezwaar maakt tegen de hoogte van de opgelegde belastingaanslagen. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de IW is het maken van bezwaar uitgesloten tegen feiten of omstandigheden die van belang zijn geweest bij de vaststelling van een belastingaanslag en ter zake waarvan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. Nu vaststaat dat er geen rechterlijke uitspraak is gedaan over de aan de vennootschap opgelegde belastingaanslagen, kan de hoogte van de aanslagen integraal door de rechtbank worden beoordeeld in het kader van het door eiser ingestelde beroep.

4.3. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd omdat hij vanaf november 2002 geen werkzaamheden meer heeft verricht en geen loon meer heeft ontvangen van de vennootschap, zodat er ook geen loonbelasting zou kunnen worden nageheven. De juistheid van deze stellingen heeft verweerder terecht bestreden. Eiser, op wie de bewijslast rust dat hij geen recht heeft gehad op loon over deze perioden, heeft zijn stellingen op dit punt immers niet met bewijs onderbouwd. Verweerder heeft daartegenover voldoende aannemelijk gemaakt dat wel loon is betaald en dat de vennootschap de schuldig geworden loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen) niet volledig heeft afgedragen op aangifte. Uit de onder 2.4. genoemde IKB-uitdraaien, die afkomstig zijn van de vennootschap, blijkt allereerst dat de vennootschap ook in december 2002 en in 2003, anders dan eiser stelt, loon heeft betaald. Uit het overzicht over 2002 blijkt voorts dat op een totaal fiscaal loon in december 2002 van € 18.842 € 6.277 loonheffing is ingehouden, maar niet is afgedragen aan de belastingdienst. Uit de IKB-uitdraaien 2003 blijkt dat op een totaal fiscaal loon van € 34.526 de vennootschap € 10.539 loonheffing heeft ingehouden, maar niet meer dan € 2.559 heeft afgedragen. Uit de onder 2.5. genoemde verzamelloonstaten blijkt dat in 2003 ten name van eiser € 25.892 loon is betaald en aan zijn echtgenote Y

€ 8.640. In zijn eigen aangifte inkomstenbelasting heeft eiser over 2002 bovendien ook een totaal fiscaal loon opgegeven van € 38.838, dat hij heeft ontvangen van de vennootschap. Aannemelijk is dat hier in ook een bedrag voor loon over december 2002 is begrepen. Uit vergelijking met de IKB-uitdraai over 2002 blijkt immers dat eiser in 2002 niet de enige werknemer van de vennootschap was. Eiser heeft bij zijn aangifte inkomstenbelasting aan ingehouden loonheffing € 11.693 opgegeven, hetgeen meer is dan de vennootschap voor al het personeel in 2002 heeft afgedragen. Dat eiser in 2003 wel loon heeft ontvangen van de vennootschap blijkt overigens ook uit zijn eigen aangifte voor inkomstenbelasting 2003 waar eiser aan fiscaal loon, ontvangen van de vennootschap, een bedrag van € 25.892 heeft opgegeven en aan ingehouden loonheffing € 7.689.

4.4. Tegenover de betwisting van verweerder aan de hand van de onder 2.4. tot en met 2.6. aangehaalde stukken heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Uit de genoemde stukken blijkt immers dat zowel eiser als de vennootschap eerder blijk hebben doen geven de lonen, waarover de aanslagen zijn opgelegd, te hebben ontvangen, respectievelijk te hebben betaald.

4.5. Uit hetgeen in 4.2 en 4.3. is geoordeeld volgt dat eiser als bestuurder van de vennootschap de betalingsonmacht van de opgelegde aanslagen had behoren te melden. Doordat de melding is verzuimd, is eiser aansprakelijk en wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten. Niet is gesteld of gebleken dat het niet melden van de betalingsonmacht niet aan hem is te wijten. Eiser is derhalve terecht aansprakelijk gesteld.

4.6 Gezien de verlaging van de aansprakelijkstelling door verweerder in beroep zal het beroep gegrond worden verklaard en de beschikking moeten worden vastgesteld conform de verlaging als voorgesteld door verweerder. Voor het overige kunnen de gronden van beroep niet tot gegrondverklaring leiden.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 11.308 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 april 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. H.A.M. Röell-Mulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.