Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA3662

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
06/4940
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mrb bestelautotarief. Er is geen sprake van schending van gewoonterecht ten aanzien van de wijziging in de wet Mrb. De wetswijziging leidt niet tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zodat niet valt in te zien waarom een verschil in behandeling in dit geval niet toelaatbaar zou zijn. Voorts behoort het niet tot de taak van de rechter om de innerlijke waarde van langs democratische weg tot stand gekomen wetgeving te beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0908
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4940

Uitspraakdatum: 29 maart 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiser heeft op 27 september 2005 motorrijtuigenbelasting betaald naar het tarief voor personenwagens over het tijdvak 14 augustus 2005 tot en met 13 november 2005 van € 288.

1.2. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend. Verweerder heeft bij uitspraak van 6 maart 2006 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Eiser heeft daartegen bij brief van 12 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 14 april 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007 te Haarlem. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen, hoewel daartoe op de voorgeschreven wijze uitgenodigd. Namens verweerder is verschenen A. Verweerder heeft een pleitnota overgelegd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Eiser is houder van het motorrijtuig van het merk Hyundai met kenteken 00-AA-BB. Tot 14 augustus 2005 heeft eiser voor dit motorrijtuig motorrijtuigenbelasting voldaan naar het tarief voor een bestelauto.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of eiser in aanmerking komt voor toepassing van het verlaagde tarief motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding en het aangehechte proces-verbaal.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 24b van de Wet Mrb is een regeling voor de bestelauto opgenomen. Artikel 24b, eerste lid, van de Wet Mrb, luidt voor zover relevant als volgt: “In afwijking van artikel 24 bedraagt op verzoek de belasting die voor een bestelauto wordt geheven van een ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), niet zijnde een persoon die ingevolge artikel 7, zesde lid, van de Wet OB met betrekking tot een bepaalde levering als ondernemer wordt aangemerkt, die de bestelauto meer dan bijkomstig bezigt in het kader van zijn onderneming: (..)”. Deze tekst is vastgesteld bij Wet van 14 december 2004 (Belastingplan 2005), waarbij het tarief voor de zogenoemde “grijze kentekens” van door particulieren gehouden bestelauto’s werd afgeschaft. Bij Besluit van 31 maart 2005 tot inwerkingtreding van enige wijzigingen in de fiscale wetgeving voor bestelauto’s is bepaald dat de wijziging met enig uitstel wordt ingevoerd per 1 juli 2005.

4.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat toepassing van het verlaagde tarief met ingang van 1 juli 2005 afhankelijk is van de hoedanigheid van de gebruiker, het zijn van ondernemer voor de Wet OB, en het gebruik van de bestelauto in het kader van de onderneming. Bij de invoering van het Belastingplan 2005 heeft de wetgever de bewuste keuze gemaakt om de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s te wijzigen, zodat algemeen particulier gebruik niet meer onder het verlaagde tarief zou vallen. Vast staat dat eiser, als particulier, niet voldoet aan de in artikel 24b, eerste lid, Wet Mrb gestelde eisen voor het afwijkende tarief. Ingevolge de Wet Mrb komt eiser dan ook niet voor toepassing van het verlaagde tarief in aanmerking.

4.3. Met zijn stelling dat de wetswijziging leidt tot schending van het gewoonterecht, maakt eiser niet duidelijk op welk rechtsbeginsel of rechtsregel hij doelt. Voor zover eiser bedoelt dat particulieren gedurende geruime tijd in gelijke mate als ondernemers gebruik konden maken van de zogenoemde regeling voor een “grijs kenteken”, leidt dit niet tot enige regel van gewoonterecht, waaraan eiser aanspraken op eerbiedigende werking van de deze regeling voor de toekomst kan ontlenen. Bij gebreke van juridische grondslag kan de stelling dan ook niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

4.4. Voor de door eiser gesignaleerde (rechts)ongelijkheid ziet de rechtbank geen aanknopingspunt. Nu eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel doet, moet hij de feiten aanvoeren en aannemelijk maken waaruit volgt dat er sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, dan wel van een onvoldoende ongelijke behandeling van ongelijke gevallen. Gelijke gevallen zijn gevallen die feitelijk en rechtens tot dezelfde groep behoren of in gelijke omstandigheden verkeren. Nu eiser zich zelf vergelijkt met een ondernemer voor de Wet OB, die een bestelauto voor meer dan 10% voor zijn onderneming gebruikt, rust op hem de bewijslast feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hij en een dergelijke ondernemer feitelijk en rechtens in dezelfde omstandigheden verkeren. Eiser heeft dit niet gedaan. Ook overigens is niet aannemelijk dat eiser en een dergelijke ondernemer in dezelfde omstandigheden verkeren, nu een ondernemer die aanspraak maakt op de regeling de auto tenminste voor 10% in het kader van de onderneming moet gebruiken, terwijl van een dergelijk gebruik bij een particulier geen sprake is. De wetswijziging leidt dan ook niet tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zodat niet valt in te zien waarom een verschil in behandeling in dit geval niet toelaatbaar zou zijn.

4.5. Wat eiser ten slotte bedoelt met overschrijding van de grenzen der redelijkheid, is niet duidelijk. Voor zover eiser wenst dat op die grond aan de tekst van de Wet Mrb en de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever wordt voorbijgegaan, miskent eiser dat het niet tot de taak van de rechter behoort om de innerlijke waarde van langs democratische weg tot stand gekomen wetgeving te beoordelen.

4.6. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 maart 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. Roelvink - Verhoeff, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - ten Hoopen, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.