Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA3513

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
133462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is bij arrest van het hof van 4 mei 2005, onherroepelijk op 4 juli 2006, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte detentie, en tot TBS.

Eiser wordt tot op heden gedetineerd gehouden maar is nog niet geplaatst in een TBS-kliniek. Ook is hem geen concreet traject naar die plaatsing in het vooruitzicht gesteld. Hij verblijft thans in het huis van bewaring. Eiser staat momenteel op de vijfde plaats op de centrale wachtlijst voor zijn categorie. De staat heeft medegedeeld dat de minister op grond van de verhouding tussen eisers voorlopige hechtenis en de aan hem opgelegde gevangenisstraf bereid is om hem op de eerste plaats van de centrale wachtlijst te zetten. Dit betekent volgens de staat in de regel een uitzicht op plaatsing binnen een redelijke termijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat aan de redelijkheid van het door de Staat gehanteerde beleid grenzen zijn, indien ook in een situatie waarin eiser zich thans bevindt nog niet eens een begin van indicatie kan worden gegeven van de termijn waarop plaatsing aan de orde is. De staat kan, gelet op haar uiteenzetting, niet verhullen dat zij niet bij benadering kan aangeven op welke termijn eiser op plaatsing in een inrichting mag rekenen.

Het is eenvoudigweg niet aanvaardbaar dat iemand in de situatie waarin eiser zich bevindt zelfs op de na twee jaar gestelde vraag naar indicatie van de nog resterende wachttijd met lege handen wordt weggestuurd. Die situatie is zo schrijnend dat de Staat zich er rekenschap van dient te geven dat geleidelijk aan het punt nadert waarop niet langer verdedigbaar is dat de betrokkene gedetineerd wordt gehouden in afwachting van een plaats waarvan niet duidelijk of en wanneer die beschikbaar komt. De voorzieningenrechter beveelt de Staat om eiser vóór 4 november 2007 in een TBS-inrichting te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

zaaknummer / rolnummer: 133462 / KG ZA 07-132

Vonnis in kort geding van 20 april 2007

in de zaak van

[EISER],

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Midden-Holland te Haarlem,

eiser,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. R.F. Vogel te Almere,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van justitie),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van de Staat.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] is op 19 januari 2004 te Utrecht aangehouden en in verzekering gesteld. Hierna is hij op 22 januari 2004 in bewaring gesteld.

[eiser] is vervolgens bij vonnis van de Rechtbank Utrecht van 12 mei 2004 wegens poging tot diefstal met gebruikmaking van geweld veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte detentie.

[eiser] heeft tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (zitting houdende te Arnhem). Nadat het Hof in een tussenarrest een psychisch onderzoek heeft bevolen naar de persoon van [eiser] heeft het Hof bij arrest van 4 mei 2005 het vonnis van de rechtbank Utrecht vernietigd en [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte detentie. Bovendien heeft het hof gelast dat [eiser] ter beschikking wordt gesteld (TBS) teneinde van overheidswege te worden verpleegd.

Tegen voornoemd arrest heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 4 juli 2006 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.

[eiser] wordt is tot op heden gedetineerd gehouden maar is nog niet geplaatst in een TBS-kliniek. Ook is hem geen concreet traject naar die plaatsing in het vooruitzicht gesteld. Hij verblijft thans in het huis van bewaring te Haarlem.

[eiser] staat op de centrale TBS-wachtlijst voor de categorie mannen, zwakbegaafd, persoonlijkheidsstoornis. Op die wachtlijst staat hij met 143 wachtdagen op de vijfde plaats. Nummer één op die lijst wacht per vandaag 475 dagen. Voor de categorie zwakbegaafde mannen zijn ( in drie klinieken: Hoeve Boschoord (94), Veldzicht (12) en de Rooyse Wissel (20)) 126 bedden beschikbaar.

Op de wachtlijst van zwakbegaafde mannen met een persoonlijkheidsstoornis staat eiser momenteel vijfde. Zodra er een plek vrij komt op de wachtlijst van één van de drie beschikbare klinieken wordt de nummer één van de centrale wachtlijst op de wachtlijst voor de betreffende kliniek geplaats. Op de wachtlijst van Hoeve Boschoord staat zeven patiënten met een gemiddelde wachttijd van 520 dagen, op die van De Rooyse Wissel staan drie patiënten met een gemiddelde wachttijd van 291 dagen en op die van Veldzicht staan drie patiënten met een gemiddelde wachttijd van 189 dagen.

Het geschil

[eiser] vordert – na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal gelasten:

primair: om [eiser] binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis in een TBS-kliniek of soortgelijk zorginstelling te doen plaatsen, dan wel (indien dit niet mogelijk blijkt te zijn) [eiser] in vrijheid te stellen en

subsidiair: om [eiser] vóór 4 november 2007 te plaatsen in een TBS-kliniek,

met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat er op dit moment sprake is van een onrechtmatige detentie, nu in redelijkheid niet meer kan worden geoordeeld dat het uitblijven van een beslissing omtrent plaatsing in een TBS-kliniek nog door de omstandigheden wordt gewettigd. [eiser] wijst erop dat de in art. 12 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden opgenomen termijn van zes maanden na het onherroepelijk worden van de veroordeling inmiddels al met drie maanden is overschreden zonder dat concreet zicht op plaatsing bestaat en zonder dat de Staat aannemelijk heeft gemaakt dat men zich tot de grenzen van het mogelijke heeft ingespannen om plaatsing van [eiser] in een inrichting te doen bewerkstelligen. [eiser] stelt voorts onder verwijzing naar Hof Arnhem 30 augustus 2005, LJN AU1686, dat in het kader van de in dit geding te maken belangenafweging in aanmerking moet worden genomen dat sedert het uitzitten van de door het Hof aan hem opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 15 maanden -die op 19 of 20 april 205 was uitgezeten- ca 2 jaar is verstreken, zodat de verhouding tussen de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraf en de tijd die hij als TBS passant in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht disproportioneel aan het worden is.

De Staat heeft aangegeven in te zien dat de wijze van tenuitvoerlegging van de thans lopende detentie onrechtmatig is, maar heeft aangevoerd dat vanwege de grote capaciteitsproblemen binnen de TBS sector op dit moment nog niet concreet kan worden aangegeven wanneer plaatsing van [eiser] in een TBS-kliniek haalbaar is.

De Staat heeft ter toelichting opgemerkt dat er al 20 jaar sprake is van een capaciteitstekort, dat nu mede is toe te schrijven aan de grote toename van het aantal tbs-maatregelen, de toename van het aantal mensen met een stoornis, het grote aantal patiënten met mislukte behandelpogingen en het ontbreken van doorstroommogelijkheden en een adequaat personeelsaanbod.

Op het toenemende aantal TBS-opleggingen is onder meer gereageerd met een uitbreiding van de capaciteit van de inrichtingen. Tussen oktober 2005 en eind 2006 is een uitbreiding van de capaciteit met 315 plaatsen gerealiseerd. In 2007, 2008 en gedeeltelijk 2009 wordt nog eens een capaciteitsuitbreiding beoogd van 350 plaatsen. In 2007 wordt overigens geen extra capaciteit voor zwakbegaafden voorzien.

De capaciteitsbehoefte zal in de periode 2006-2010 stijgen van 1.890 plaatsen tot 2.270 plaatsen. Om de druk op de capaciteit te verlichten wordt volgens de Staat zoveel mogelijk reeds binnen het gevangeniswezen met behandeling begonnen, wordt een systeem van forensisch psychiatrisch toezicht ontwikkeld dat het mogelijk moet maken dat een tbs-gestelde eerder buiten de kliniek kan verbijven, wordt een verkorting van intramurale behandelduur gestimuleerd en zijn tbs-plaatsen buiten de eigen justitiële inrichtingen ingekocht.

[eiser] staat momenteel op de vijfde plaats op de centrale wachtlijst voor zijn categorie. De Staat heeft medegedeeld dat de minister op grond van de verhouding tussen [eiser]s voorlopige hechtenis en de aan hem opgelegde gevangenisstraf bereid is om hem op de eerst plaats van de centrale wachtlijst te zetten. De eerstvolgende plaats op de wachtlijst van een kliniek die vrijkomt is dan voor [eiser] en dat betekent volgens de Staat in de regel een uitzicht op plaatsing binnen een redelijke termijn. De Staat tekent daarbij wel aan dat overleg van het ministerie met de behandelcoördinatoren van de drie inrichtingen die de betrokken categorie tbs-ers opnemen, een somber beeld heeft opgeleverd. Hoeve Boschoord heeft met 94 plaatsen op afstand de grootste capaciteit, maar verwacht geen uitstroom en dus geen opnames. Deze kliniek heeft in het lopende jaar tot dusver één tbs-er opgenomen. Voor de ander twee klinieken geldt evenzeer dat er geen aanwijzingen zijn dat er op afzienbare termijn een plaats vrijkomt.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt

Op grond van artikel 38d, eerste lid, Sr vangt de TBS aan op de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. Artikel 12 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bepaalt dat plaatsing van een ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van TBS zes maanden heeft gelopen.

Op grond van de arresten van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) van 11 mei 2004 inzake Brand en Morsink (NbSr 2004,223), alsmede de daaropvolgende uitspraken van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming moet worden aangenomen dat het uitblijven van plaatsing na zes maanden in strijd is met art. 5 lid 1 EVRM en daarom onrechtmatig is.

Naar algemeen bekend is, bestaat sinds jaar en dag een tekort aan TBS-plaatsen, met als gevolg wachttijden die de voormelde termijn van zes maanden aanzienlijk overschrijden. In bestendige jurisprudentie is geoordeeld dat de TBS-gestelde aan die, op zichzelf onrechtmatige, overschrijding geen -althans niet zonder meer- aanspraak op invrijheidstelling ontleent.

De Staat voert tegen die achtergrond een beleid dat inhoudt dat plaatsing in beginsel geschiedt volgens de rangorde op de wachtlijst. Uitzonderingen zijn mogelijk, doch deze worden (in beginsel) alleen toegelaten als de betrokkene detentie-ongeschikt is.

Dit laatste is een verzamelnaam voor alle gevallen waarin het voortduren van de detentie zonder plaatsing in een tbs-kliniek naar het oordeel van de deskundigen te belastend is voor de veroordeelde.

Het Hof heeft dit beleid in de hiervoor genoemde uitspraak niet onredelijk geacht, maar heeft daarbij wel aangetekend dat de Staat op het uitgangspunt van plaatsing volgens de wachtlijst ook een uitzondering moet maken op grond van een mogelijk wanverhouding tussen de duur van de voorlopige hechtenis en de aan de betrokkene opgelegde gevangenisstraf, welke omstandigheid volgens het Hof aanleiding kan zijn voor het aannemen van een verplichting van de Staat om de betrokkene concreet zicht op plaatsing te geven.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij de psychische druk van het verblijf in een penitentiaire inrichting niet meer aan kan, maar heeft geen stukken overgelegd of concrete omstandigheden of gebeurtenissen genoemd die wijzen op (beginnende) detentieongeschiktheid. De Staat heeft onbetwist aangevoerd dat zij via haar kanalen uit de inrichting waar [eiser] verblijft evenmin signalen heeft ontvangen dat de situatie van [eiser] thans onhoudbaar is. De Staat heeft toegezegd dat zij bij signalering van verslechtering van de toestand van [eiser] (verdere) inspanningen zal verrichten om [eiser] op in een (meer) geëigende setting te plaatsen.

Dit brengt mee dat de primaire vordering moet worden afgewezen. Omtrent de subsidiaire vordering wordt het volgende overwogen.

Aan de redelijkheid van het hiervoor weergegeven beleid zijn grenzen. Die komen in zicht indien ook in een situatie als waarin [eiser] zich thans bevindt nog niet eens een begin van indicatie wordt gegeven van de termijn waarop plaatsing aan de orde is. Daarvan is hier sprake. De sub 4.3 weergegeven uiteenzetting kan niet verhullen dat de Staat niet bij benadering kan aangeven op welke termijn [eiser] met plaatsing in een inrichting mag rekenen. Het betoog komt er immers op neer dat [eiser] nu eerste wordt geplaatst op een wachtlijst die recht geeft op een op plaats op een andere wachtlijst, waarvan onduidelijk is wanneer die zal ontstaan.

Het sub 4.2 weergegeven betoog omtrent capaciteitsproblemen maakt daarenboven inzichtelijk dat, gemiddeld genomen, de toename van de vraag en die van het aanbod over de periode t/m 2010 grosso modo gelijk op lopen en noopt daarmee tot de -sombere- conclusie dat aan de oplossing van het -tot onrechtmatige verblijfsituaties van TBS-passanten leidende- capaciteitsprobleem ook de komende jaren niets wezenlijks wordt gedaan.

Hoe lastig het probleem ook zal zijn op te lossen en hoe aannemelijk ook dat inspanningen worden geleverd om tot oplossingen te komen, het is eenvoudigweg niet aanvaardbaar dat iemand in de situatie waarin [eiser] zich bevindt zelfs op de na twee jaar gestelde vraag naar een indicatie van de nog resterende wachttijd met lege handen wordt weggestuurd.

Die situatie is zo schrijnend dat de Staat zich er rekenschap van dient te geven dat geleidelijk aan het punt nadert waarop niet langer verdedigbaar is dat de betrokkene gedetineerd wordt gehouden in afwachting van een plaats waarvan niet duidelijk of en wanneer die beschikbaar komt.

Het voorgaande brengt mee dat de voorzieningenrechter termen vindt om de subsidiaire vordering toe te wijzen, teneinde daarmee te onderstrepen dat de Staat tot het uiterste moet gaan om [eiser] op afzienbare termijn een plaats in TBS-inrichting te geven.

Plaatsing van [eiser] in een TBS-inrichting in november 2007 betekent dat de geheel in voorlopige hechtenis doorgebrachte periode tussen het onherroepelijk worden van de veroordeling tot TBS en de plaatsing even lang is geweest als de aan [eiser] opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gerelateerd aan de norm van art 12 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden is niet te verdedigen dat de effectieve grens van wat toelaatbaar is nog ruimer wordt getrokken.

De voorzieningrechter realiseert zich dat de kans groot is dat aldus ten detrimente van eveneens urgent te plaatsen anderen wordt beslist, maar is van oordeel dat een andere beslissing niet is te verantwoorden.

De Staat zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,85

- vast recht EUR 251,00

- salaris advocaat EUR 816,00

Totaal EUR 1137,85

De beslissing

De voorzieningenrechter:

beveelt de Staat om [eiser] vóór 4 november 2007 in een TBS-inrichting te plaatsen,

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.137,85, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.833 ten name van MvJ arrondissement Haarlem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af..

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2007.?