Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA2754

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
15/694008-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Vink; criminele organisatie; stelselmatige obeservatie; diefstal meermalen gepleegd. Zie voor uitspraken in dit onderzoek ook o.a. : BA2741, BA2743, BA2744, BA2746, BA2749 en BA2751.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/694008-06

Uitspraakdatum: 10 april 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 oktober 2006, 9 januari 2007 en 15 maart 2007 en 27 maart 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem te Haar-lem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting aangepast. Een kopie van die vordering is als bijlage II bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissingen

3.1 Bewijsmiddelen en bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de bewijsvoering zoals door de officier is gepresenteerd berust op indirect bewijs, aannames en gevolgtrekkingen en op de modus operandi, terwijl de foto’s waarop een en ander is gebaseerd dermate vaag zijn dat verdachten daarin grotendeels niet herkend kunnen worden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De rechtbank is het in zoverre met de raadsman van verdachte eens, dat een enkele constatering dat een auto waarvan de verdachte de regelmatige, maar niet enige, bestuurder is, op een bepaald tijdstip bijvoorbeeld in de buurt van de plaats delict wordt gezien, of de enkele constatering dat een door verdachte regelmatig gebruikte mobiele telefoon een zendmast aankiest in de directe omgeving van of op de route van/naar de plaats delict, voor een veroordeling van verdachte voor de ten laste gelegde diefstallen of helingen onvoldoende is. Anders is dat evenwel indien naast een dergelijke constatering een of meer andere bewijsmiddelen voorhan-den zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een herkenning, tapgesprek(ken), print- en/of bakengegeven(s). Een aanvullend bewijsmiddel kan naar het oordeel van de rechtbank ook daarin bestaan dat wordt geconstateerd dat een voor de criminele organisatie, waarvan verdachte deel uitmaakt, typerende modus operandus wordt gehanteerd.

Modus operandus diefstal plezierboten en andere goederen

Bij een belangrijk deel van de ten laste gelegde diefstallen en helingen waarbij de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] betrokken waren, blijkt uit de aanwezige bewijsmiddelen dat een zeer specifieke modus operandus werd gehanteerd. Dit is onder meer duidelijk geworden door de stelselmatige observatie van de in- en uitgang van het woonwagenkamp aan de [A-weg] te Haarlem, door middel van een op 26 augustus 2006 geplaatste cameraopstelling.

Uit deze video-observaties bleek, dat er in die periode met een frequentie van ongeveer één à twee keer per week, een bepaalde personenauto in beeld kwam. Naar aanleiding hiervan is onderzoek ingesteld teneinde de kenmerken en [kenteken]iker van de auto vast te stellen. De bevindingen zijn vastgelegd in het proces-verbaal van ambtshandeling [proces-verbaal].

Uit dit onderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd het steeds om dezelfde rode Alfa Romeo, type 155, met het kenteken [kenteken] ging en dat verdachte Bakker gedurende het onderzoek de enige gebruiker is geweest van deze auto.

In essentie kan deze modus operandus als volgt worden omschreven:

[verdachte] reed met de rode Alfa Romeo, type 155, met kenteken [kenteken] het terrein aan de [A-weg] te Haarlem op. In bijna alle gevallen was achter de auto een aanhanger bevestigd met daarop grotere objecten zoals boten of aggregaten. Gangbaar bleek, dat de combinatie meestal in de vroege ochtenduren (5.00 uur-8.00 uur) het woonwagenkamp opreed, waarna enkele minuten later de auto hetzij zonder aanhanger, hetzij met een lege aanhanger het woonwagenkamp weer verliet.

Uit raadplegingen van BPS in de regio Kennemerland en de omliggende regio's bleek meestal dat er kort nadat er een object op deze manier het woonwagenkamp aan de [A-weg] te Haarlem op gebracht werd, er aangifte werd gedaan van diefstal van een soortgelijk object.

Uit diverse tapgesprekken tussen onder meer [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] blijkt dat voorafgaande aan de diefstal de te stelen objecten vooraf verkend werden. Op basis van diverse tapgesprekken blijkt tevens dat [verdachte] van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opdrachten kreeg bepaalde goederen die door hen voorverkend zijn weg te gaan nemen.

Bij uitwerking van de videobeelden verkregen uit de observaties aan de [A-weg] in Haarlem en het uitluisteren van de opgenomen telefoongesprekken is gebleken dat nadat [verdachte] een gestolen goed het woonwagenkamp op had gereden, door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] telefoongesprekken werden gevoerd om het betreffende goed te kunnen verkopen aan hun bekende helers. Vaak werden de goederen die door [verdachte] het woonwagenkamp waren opgereden binnen korte tijd ook weer van het woonwagenkamp afgereden.

Modus operandus diefstal werkvoertuigen

Bij een belangrijk deel van de ten laste gelegde diefstallen en helingen waarbij de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betrokken waren, blijkt uit de aanwezige bewijsmiddelen dat een zeer specifieke modus operandus werd gehanteerd. Dit is onder meer duidelijk geworden door de stelselmatige observatie van de in- en uitgang van het woonwagenkamp aan de [A-weg] te Haarlem, door middel van een op 26 augustus 2006 geplaatste cameraopstelling.

Uit deze video-observaties bleek dat er in de periode tot aan 18 oktober 2005 regelmatig een oprijwagen van het merk Volvo en voorzien van het kenteken [kenteken] het woonwagenkamp op- en afreed. Op 18 oktober 2005 werd de Opel Vectra, [kenteken], ter controle aangehouden, met daarin [medeverdachte 1] als bestuurder en als bijrijder [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] bleek desgevraagd in het bezit van de kentekenpapieren van de inmiddels wegens betrokkenheid bij een diefstal gesignaleerd staande oprijwagen met kenteken [kenteken]. Na die periode is de Volvo oprijwagen niet meer op de [A-weg] gesignaleerd en werd voortaan gebruik gemaakt van een gele oprijwagen van het merk Ford Cargo, met kenteken [kenteken].

Teneinde te achterhalen wie de bestuurder van voornoemde oprijwagens was is onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in de processen-verbaal van ambtshandeling [ambtshandeling 1] en [ambtshandeling 1]. Uit dit onderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat [medeverdachte 3] de vaste gebruiker was van beide oprijwagens.

Voorts bleek uit de video-observaties van de [A-weg] te Haarlem dat de oprijwagen, waarvan [medeverdachte 3] de vaste bestuurder was, vaak vergezeld werd door een Opel Vectra met kenteken [kenteken], een blauwe Opel Astra, met kenteken [kenteken] of een gehuurde auto.

Gedurende het onderzoek Vink is onderzoek ingesteld naar de bestuurder(s) van voornoemde Opel Vectra en Opel Astra. De bevindingen hieromtrent zijn neergelegd in het proces-verbaal van ambtshandelingen [ambtshandeling 3] respectievelijk [ambtshandeling 4].

Uit dit onderzoek en de verklaring van [medeverdachte 1] dat alleen hij en zijn vrouw (op wiens naam het kenteken is gesteld) van de Opel Vectra gebruik maken, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] de regelmatige gebruiker is van deze auto, terwijl zijn broer [medeverdachte 2] soms ook gebruik maakt van deze auto.

De Opel Astra staat op naam van [betrokkene]. Hij heeft verklaard deze auto wel eens uit te lenen aan [medeverdachte 2]. Op grond van het onderzoek concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2] de regelmatige gebruiker was van de Opel Astra, hoewel zijn broer [medeverdachte 1] daar soms ook in reed.

In essentie kan deze modus operandus als volgt worden omschreven:

[medeverdachte 3] reed met een gele oprijwagen - voorzien van zwaailampen op het dak en stickers met de tekst ‘wegverkeer’ op de voorzijde en beide portieren - het terrein aan de [A-weg] af, gevolgd door een, al dan niet gehuurde, personenauto met daarin [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]. Bij het verlaten van het terrein was de oprijwagen niet beladen. [medeverdachte 3] droeg daarbij over het algemeen een oranje fluorescerend jack of hesje (aangetroffen in het voertuig van [medeverdachte 3] bij een doorzoeking op 7 maart 2006). Vervolgens werd er ergens in het land een diefstal gepleegd vanaf een bouwterrein. Uit de diverse tapgesprekken tussen onder meer [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt dat voorafgaande aan de diefstal vaak al ‘vooronderzoek’ was gedaan en voorts dat het initiatief een bepaalde bouwplaats aan te doen vaak bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lag. [medeverdachte 3] nam het werkvoertuig weg, waarbij het gestolen goed geplaatst werd op én vervoerd werd door de oprijwagen. Door gebruik te maken van de gele oprijwagen met oranje zwaailampen en de tekst ‘werkverkeer’ op de cabine, door het dragen van een fluorescerend jasje en door het tijdstip waarop de dief-stal werd gepleegd - tussen 16.00 uur en 19.00 uur, derhalve kort na het vertrek van de laatste werknemers - werd de indruk gewekt dat het om een personeelslid ging, zodat geen argwaan werd opgewekt. De oprijwa-gen met het gestolen goed reed vervolgens weer het terrein aan de [A-weg] op, gevolgd of voorafge-gaan door dezelfde personenauto welke ook bij het vertrek met de oprijwagen meereed. Dit betrof onder meer de Opel Astra, met kenteken [kenteken], de Opel Vectra, met kenteken [kenteken] en een aantal gehuurde auto’s. In veel gevallen kon een aangifte van de diefstal van een werkvoertuig worden gerelateerd aan een aldus op de [A-weg] afgeleverd goed. Nadat – en soms al voordat – het gestolen goed op het kamp is afgezet zijn het [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] die zorgden voor de afzet van de goederen door con-tact op te nemen met een heler.

De rechtbank grondt haar bewezenverklaring in het bijzonder op de bewijsmiddelen genoemd in voorgaande overwegingen en daarnaast ook op de navolgende bewijsmiddelen:

(...)

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen bij dit feit 12 en de bewijsmiddelen van de overige bewezenverklaarde feiten in onderlinge samenhang bezien, volgt dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], zich met grote regelmatigheid bezig hielden met diefstal en heling van waardevolle goederen. Men opereerde daarbij doorgaans volgens een vaste werkwijze, zoals die in de hiervoorgaande overweging terzake van die modus operandus is weergegeven.

Tussen verdachte en zijn medeverdachten bestond een duidelijke rolverdeling. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden een organiserende en leidende rol. Zo gingen verdachte en zij – al dan niet samen – op voorverken-ning bij de diverse locaties, waarna verdachte op pad ging dan wel werd gestuurd om het gesignaleerde object weg te nemen. Ook medeverdachte [medeverdachte 3] werd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] getipt omtrent te stelen goederen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] hadden een uitvoerende rol. Zij waren degenen die de goederen daadwerkelijk wegnamen en afleverden op het woonwagenkamp aan de [A-weg], veelal in opdracht -en wat verdachte betreft onder begeleiding- van hun medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zorgden voor de afzet van de goederen door – soms nog voordat het weggenomen goed het kamp aan de [A-weg] had bereikt – contact op te nemen met een van de vaste helers, waaronder medeverdachte [medeverdachte 4].

Gelet op dat alles kan naar het oordeel van de rechtbank bewezen worden dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De rechtbank zal, gelijk de officier van justitie heeft gevorderd, de periode dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bewezen verklaren vanaf 1 juni 2005, nu dit de datum is van het eerste feit dat kan worden verweten aan de verdachten in de criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakt.

3.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 12 ten laste gelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1. (zaaksdossier 40)

hij in de periode van 17 oktober 2005 tot en met 18 oktober 2005 te Uitgeest, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen en trailer en een boot (Bayliner), toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2. (zaaksdossier 55)

hij op 16 september 2005 te Assendelft, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aggregaat met lichtmast, toebehorende aan de firma [firma A], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3. (zaaksdossier 64)

hij op 4 november 2005 te Roelofarendsveen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen en een sloep, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

4. (zaaksdossier 67)

hij op 10 november 2005 te Wormer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een boottrailer met boot (Hoga Rodd 465), toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

5. (zaaksdossier 90)

hij op 26 november 2005 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trailer en een boot (Chere Mitade), toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

6. (zaaksdossier 91)

hij in de periode van 6 december 2005 tot en met 7 december 2005 te Assendelft, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een boottrailer en een boot (Searay), toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

7. (zaaksdossier 100)

hij in de periode van 16 december 2005 tot en met 19 december 2005 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen en een Takeuchi minigraver, toebehorende aan [bedrijf B], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

8. (zaaksdossier 115)

hij in de periode van 31 december 2005 tot en met 14 januari 2006 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bladzuiger (merk: Trilo), toebehorende aan [bedrijf C];

9. (zaaksdossier 154)

hij op 13 februari 2006 te Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen en een aggregaat, toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

10. (zaaksdossier 164)

hij op 3 maart 2006 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trailer en een motorboot (Ranieri), toebehorende aan [slachtoffer 7], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

11. (zaaksdossier 165)

hij op 2 maart 2006 te Leiden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een verlichtingsaggregaat (merk Allmand, verhuurbedrijf Boels) toebehorende aan [bedrijf D];

12. (zaaksdossier 195)

hij in de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 maart 2006 te Haarlem en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- diefstallen in vereniging en

- helingen in vereniging.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze, voor zover bewezen ver-klaard, verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

2. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Ten aanzien van de feiten 3, 4, 6, 7, 9, 10:

Telkens: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

5. diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van de feiten 8 en 11: telkens: diefstal;

12: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De vordering van de officier van justitie, de motivering van de sancties, de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

6.1De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en heeft gevor-derd dat verdachte terzake van de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaar zal worden opgelegd met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gedeeltelijke toewij-zing van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf E] tot een bedrag van ongeveer € 3.000,00 á € 3.500,00 (zijnde de geschatte waarde van de trailer van de boot) gevorderd en niet-ontvankelijkheid van het overig gevorderde, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zijn geheel en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] tot een bedrag groot € 223, 68 en afwijzing van het overig gevorderde en verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen goederen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ten minste tien maanden een belangrijke rol gespeeld binnen een criminele organisatie die zich bezig hield met het op grote schaal plegen van diefstallen en heling van gestolen goederen. Daarbij vormden in het bijzonder bouwvoertuigen en pleziervaartuigen - goederen die een hoge waarde vertegenwoordigen - het doelwit. Verdachte had daarbij een uitvoerende rol. Hij was het die zelfstandig dan wel in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met behulp van zijn rode Alfa Romeo pleziervaartuigen en aggregaten al dan niet tezamen met de daar bijbehorende trailer wegnam en afleverde op de [A-weg] te Haarlem. Opvallend is de professionaliteit, brutaliteit en de hoge frequentie waarmee de diefstallen werden gepleegd.

Georganiseerde misdaad is in de ogen van de rechtbank een van de schadelijkste vormen van criminaliteit, doorgaans niet gepleegd door mensen die onder invloed van een hevige emotie voor korte tijd de grenzen niet meer zien, maar juist gepleegd door mensen die een koele berekening en inschatting hebben gemaakt van de risico’s en de opbrengsten en tot de conclusie zijn gekomen dat misdaad loont.

De rechtbank neemt in aanmerking dat een organisatie als de onderhavige gelet op haar criminele oogmerk en de daarmee samenhangende handelingen de rechtsorde ondermijnt. Kenmerkend voor zo’n organisatie is dat het, door het bestaan van een samenwerkingsverband, criminaliteitsbevorderend werkt. Hierbij dient te worden betrokken dat door de ontplooide activiteiten grote illegale geldstromen plegen te worden gegenereerd.

Ten nadele van verdachte wordt voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van – onder meer – diefstallen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend en geboden is. Deze op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank van oordeel is dat de door haar op te leggen straf meer in overeenstemming is met de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de rol die verdachte binnen de organisatie innam.

6.3 De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 3

Namens de benadeelde partij [bedrijf E], heeft [slachtoffer 2] een vordering groot € 20.000, ingediend wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet zal kunnen worden ontvangen nu de schade ter zake van de boot thans nog afhankelijk is van de uitkomst van de civiele procedure welke door de benadeelde partij is ingesteld tegen de werf waar de betreffende boot is aangetroffen en de schade ter zake van de trailer onvoldoende is onderbouwd. Om die reden is de schade thans nog niet eenvoudig vast te stellen.

6.4 De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 4

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 325,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde strafbare feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 325,00 subsidiair zes (6) dagen vervangende hechtenis. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijjk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

6.5 De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 10

De benadeelde partij [slachtoffer 7], heeft een vordering tot schadevergoeding van € 916,55 ingediend tegen verdachte wegens (im)materiële schade die hij als gevolg van het onder 10 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot een bedrag groot € 716,55 voor toewijzing vatbaar is, nu deze schade tot dit bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde strafbare feit. In zoverre zal de vordering van de benadeelde partij dan ook worden toegewezen. De gevorderde immateriële schadevergoeding, groot € 200,00, en het meer of anders gevorderde zal door de rechtbank worden afgewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 716,55 subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis.

6.6 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een asbak met inhoud, een wit petje, een disselslot, een kenteken, een gereedschapskistje, een opengebroken slot, een dodemansknoptouwtje, een vuilniszak met inhoud, een veiligheidsvest en een Alfa Romeo,

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36f, 57, 140, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE (3) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 325,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 325,--, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zes (6) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voorzover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een mededader aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte inzoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 7], tot een bedrag van € 716,55 en veroordeelt verdachte om voornoemd bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen door overmaking op de [rekeningnummer], en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 7], de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 716,55, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] namens [bedrijf E], niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart verbeurd:

- een asbak met inhoud

- een wit petje

- een disselslot

- een kenteken/ verlichtingsunit [kenteken]

- een gereedschapskistje Keter titan 14

- een opengebroken slot

- een rood dodemansknoptouwtje

- een oranje veiligheidsvest

- een vuilniszak met inhoud: een disselslot met hangslot en sleutel, twee dodemansknoptouwen (rood), T-ripes (groen), bedrading (rood/zwart), twee knijptangen, een beitel, een schroevendraaier, een baco en twee lampjes (voorzijde reflectoren).

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een vuilniszak met inhoud: verbandtrommel, twee rode bakjes met rondelootjes, een zakje van vishaak-jes.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Donders, voorzitter,

mrs. Robert en Kalden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mrs. Valk en Brok,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 april 2007.