Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA2388

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
05/1398
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4278, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3.94 Wet IB 2001. Resultaat uit overige werkzaamheden. Correctie op de bedongen en aangegeven huur is onterecht. Verweerder mag het werkzaamhedenbeleid slechts marginaal toetsen. Gelet op de Invoeringswet IB 2001 dient het pand op 1 januari 2001 te worden gewaardeerd tegen de waarde op dat tijdstip rekening houdend met de overeengekomen huurprijs en de onbepaalde duur van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/20.3.1
FutD 2007-0678
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1398

Uitspraakdatum: 9 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 18 januari 2005 voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.060, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.032 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.411 (hierna te noemen: de aanslag).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 24 maart 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 26 maart 2005, ter griffie ontvangen op 18 april 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2006. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A. Eiser heeft ter zitting een brief overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. De rechtbank rekent deze brief tot de stukken van het geding.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser houdt 62,5% van de aandelen in B Holding BV en deze holding houdt 50% van de aandelen in B BV (hierna: de BV). De BV exploiteert een aannemingsbedrijf en keukencentrum.

2.2. Eiser is eigenaar van een pand gelegen aan de a-weg 1 te Q (hierna: het pand). Met uitzondering van een gedeelte van 70 m² op de verdieping wordt het pand aan de BV verhuurd. In het onderhavige jaar heeft eiser in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen uit de huurovereenkomst met de B.V. opbrengsten verantwoord ten bedrage van € 45.000.

2.3. Blijkens een in opdracht van eiser opgesteld taxatierapport, gedateerd 13 juli 2001, bedraagt de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik van het pand per 31 december 2000 f 2.500.000 (€ 1.134.450). Volgens deze taxatie bedraagt de economische huurwaarde van het gedeelte van het pand dat aan de BV wordt verhuurd f 185.500 (€ 84.630).

2.4. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.431 opgenomen. In dit bedrag is -/- € 4.727 begrepen als (negatieve) inkomsten uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen, bestaande uit € 45.000 aan huuropbrengsten en € 49.727 aan aftrekbare kosten. Volgens deze aangifte bedraagt de boekwaarde van het pand op 1 januari 2002 en 31 december 2002 respectievelijk € 985.389 en € 985.281.

2.5 Bij brief van 20 december 2004 heeft eiser onder meer het volgende aan verweerder meegedeeld:

“(...) Hierbij ontvangt u mijn verklaring voor de in uw ogen te lage huur voor het pand aan de a-weg nr. 1 te Q. In het verleden ben ik een aannemingsbedrijf, B b.v. gestart samen met mijn oudste broer, C. Na enige jaren hebben wij toen samen het bedrijf D overgenomen. De bedrijfsvoering over D b.v. werd door mijn broer gedaan en de bedrijfsvoering over B was mijn verantwoordelijkheid. Na enige tijd bleek D b.v. heel slecht te draaien en is uiteindelijk ook failliet gegaan. De daarmee gepaard gaande spanningen met mijn broer liepen hoog op en ik werd min of meer gedwongen om mijn broer uit te kopen. Uiteraard had ik niet zoveel geld, het bedrijf B stond er ook niet al te rooskleurig voor en als geldschieter heb ik mijn jongste broer bereid gevonden om enige aandelen over te nemen. Als voorwaarde hebben we toen beiden geaccepteerd dat ik als enig eigenaar van het pand (...) de huur dusdanig vaststelde dat ik de rente en aflossing op dit pand gewoon kon blijven voldoen. De huur zou ook niet geïndexeerd worden. Indien ik niet voor deze constructie en geldinjectie had gekozen, was [de] kans groot geweest dat ook B b.v. failliet zou zijn gegaan.

In de loop van de jaren zijn er echter wel enige verhogingen van de huur geweest, doch deze zijn terug te voeren op enige verbouwingen welke ik uit privé middelen heb gefinancierd, dit uiteraard wel in zorgvuldig overleg met mijn jongste broer, E. (...) U zult waarschijnlijk ook wel inzien dat ik gezien deze historie, niet opeens kan besluiten om de huur te verhogen. (...)”

2.6. Verweerder heeft de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 gecorrigeerd met een bedrag van € 39.630, zijnde het verschil tussen de huurwaarde van

€ 84.630 en de door eiser ontvangen huuropbrengst van € 45.000. In de jaren vóór 2002 zijn geen vergelijkbare correcties aangebracht.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of bij de bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden de bedongen en ontvangen huur van € 45.000 in aanmerking moet worden genomen, zoals eiser betoogt, of de economische huurwaarde die volgens taxatie € 84.630 bedraagt, hetgeen de inspecteur verdedigt.

Eiser stelt zich op het standpunt dat een reeds voor 1 januari 2001 bestaande rechtsverhouding dient te worden geëerbiedigd en acht de correctie op de aangifte niet gerechtvaardigd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3.92, aanhef en eerste lid, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder een werkzaamheid mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen voor zover deze ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat met het verhuren van het pand door eiser aan de BV sprake is van een dergelijke werkzaamheid.

4.2. Artikel 3.94 Wet IB 2001 stelt het resultaat uit een werkzaamheid op het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. Hiermee is aansluiting gezocht bij het totaalwinstgedachte van artikel 3.8 Wet IB 2001. De toerekening van baten aan het resultaat uit een werkzaamheid geschiedt mitsdien volgens dezelfde regels die gelden bij de vaststelling van de belastbare winst. Dat betekent dat in beginsel alleen daadwerkelijk genoten resultaten worden belast en niet het resultaat dat bij een ander werkzaamhedenbeleid had kunnen worden behaald, en dat werkzaamheidvreemde transacties geen invloed op het fiscale resultaat hebben.

4.3. Vermogensbestanddelen die bij het einde van het kalenderjaar 2000 nog niet behoorden tot het vermogen van een voor rekening van de belastingplichtige gedreven onderneming en bij het begin van het kalenderjaar 2001 ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, worden ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel M, eerste lid, Invoeringswet IB 2001, voor het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid, te boek gesteld voor de waarden in het economische verkeer op dat tijdstip.

4.4. De bepalingen waaronder eiser en de BV de huur van het pand zijn overeengekomen staan niet op schrift. Eiser heeft onweersproken gesteld dat de overeengekomen huurprijs bestond uit de bedragen die hij aan rente en aflossing verschuldigd was en dat de huurprijs eenmaal is verhoogd na door hem aangebrachte verbeteringen. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser en de BV hebben bedoeld te verhuren tegen kostprijs. Uit hetgeen partijen in de van hen afkomstige stukken en ter zitting hebben gesteld en verklaard leidt de rechtbank voorts af dat eiser en de BV een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan, waarin niet is voorzien in periodieke heronderhandelingen om de voorwaarden van de overeenkomst aan te passen aan eventueel gewijzigde omstandigheden.

4.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst bij het sluiten in 1995 mogelijk zakelijk was, maar dat eiser in latere jaren, waarin de BV goede resultaten behaalde en uit de gevarenzone was, onzakelijk handelde door niet van de BV aanpassing van de huurprijs te verlangen. Volgens verweerder dient het resultaat van onzakelijke elementen te worden geschoond als gevolg waarvan meer resultaat wordt belast dan daadwerkelijk is genoten. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de gegeven omstandigheden op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat de correctie op de ingediende aangifte gerechtvaardigd is.

4.6. Voor zover verweerder de handelwijze van eiser toetst aan afdeling 3.4 van de Wet IB 2001, acht de rechtbank dat slechts juist voor zover handelingen in ogenschouw worden genomen die na 1 januari 2001 zijn verricht, omdat evenbedoelde afdeling voor die datum nog geen kracht van wet had. De onderhavige overeenkomst is aangegaan in 1995. Naar het oordeel van de rechtbank was eiser op grond van de toentertijd geldende Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet gehouden om ten behoeve van zichzelf at arms length te handelen. Verweerder stelt dat eiser in ieder geval vanaf 2001 had moeten heronderhandelen over de voorwaarden waaronder het pand aan de BV zou worden verhuurd. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat verweerder het werkzaamhedenbeleid van eiser slechts marginaal mag toetsen. Voor zover verweerder bedoelt te stellen dat eiser de overeenkomst moet laten ontbinden om met de BV of een derde een nieuwe overeenkomst te sluiten tegen een zakelijke huur, overweegt de rechtbank dat verweerder de bevoegdheid mist om eiser hiertoe te verplichten. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking de omstandigheid dat een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en dat eiser zich binnen de gemaakte afspraken niet vrij voelt de huur te verhogen.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank valt de onderhavige werkzaamheid onder de werking van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel M, eerste lid, Invoeringswet IB 2001 en dient eiser per 1 januari 2001 een openingsbalans op te stellen waarop het ter beschikking gestelde pand gewaardeerd wordt tegen de waarde in het economisch verkeer op dat tijdstip, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, met name de overeengekomen huurprijs en de omstandigheid dat een overeenkomst voor onbepaalde duur is gesloten. Voor zover balanswaardering nog niet op voormelde wijze heeft plaatsgevonden, dient dit naar het oordeel van de rechtbank met toepassing van de foutenleer in een laatste openstaand jaar alsnog te geschieden. De taxatie van 13 juli 2001 is niet van belang, omdat bij de totstandkoming daarvan is geabstraheerd van het werkelijke gebruik van het pand op 1 januari 2001.

4.8. De rechtbank komt tot de slotsom dat eiser bij de bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden de bedongen en ontvangen huur van € 45.000 in aanmerking heeft kunnen nemen en dat derhalve de correctie op de ingediende aangifte niet is gerechtvaardigd. Het beroep is gegrond.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, is er reden voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt het bedrag van de proceskostenveroordeling op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 80 verletkosten voor het bijwonen van de zitting, te vermeerderen met reiskosten op basis van openbaar vervoer, tweede klasse (€ 14), samen in totaal € 94.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het belastbaar bedrag uit werk en woning is vastgesteld op € 83.060;

- stelt het belastbaar bedrag uit werk en woning vast op € 43.431 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 94 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 9 februari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L.F. Roseval, voorzitter, mr. M.J. Leijdekker en mr. J. Snitker, in tegenwoordigheid van mr. O. Nijhuis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.