Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA2064

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
340381 VV EXPL 07-52
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft een enige jaren geleden in het leven geroepen thuiswerkregeling afgeschaft. Eiser vordert veroordeling van de werkgever om hem in staat te stellen gebruik te blijven maken van de thuiswerkregeling. De vordering wordt toegewezen, nu de thuiswerkregeling als onderdeel van de arbeidsovereenkomst moet worden beschouwd en niet is gebleken dat de werkgever redelijke voorstellen aan eiser heeft gedaan, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk. Daarbij komt dat de werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt groot belang te hebben bij het afschaffen van de thuiswerkregeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/238
XpertHR.nl 2014-393067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 340381 / VV EXPL 07-52

datum uitspraak: 30 maart 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. P.J.S. van Leeuwen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HCC KANTOOR B.V.

te Haarlem

gedaagde partij

hierna te noemen HCC

gemachtigde mr. R.V.H. Jonker

De procedure

[eiser] heeft HCC op 9 maart 2007 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007, waarbij de gemachtigde van HCC zich heeft bediend van pleitnotities. Partijen hebben stukken in het geding gebracht.

De feiten

a. [eiser] is sinds 1998 als redacteur in dienst van HCC. Zijn werkzaamheden bestaan uit het verzorgen van publicaties op het gebied van consumenten zaken en het namens HCC ontplooien van initiatieven gericht op belangenbehartiging waardoor de computerconsument beter is geïnformeerd en zijn positie wordt verbeterd.

b. [eiser] was tot 2005 werkzaam voor HCC in Houten. Eind april 2005 is dat kantoor verhuisd naar Haarlem.

c. Met het oog op die verhuizing heeft HCC in samenspraak met de personeelsvertegen-woordiging van HCC de “Sociale regeling inzake verhuizing HCC” (hierna: de regeling) opgesteld. In de regeling staat onder meer:

“3. 2. Afhankelijk van de functie van de medewerker mag maximaal 20 % van de werktijd thuis worden gewerkt. Hiervoor worden door HCC faciliteiten (desktop, VPN-verbinding) geregeld.”

(…)

9. Deze regeling geldt uitsluitend voor medewerkers die vóór 1 januari 2005 bij HCC in dienst zijn getreden. De regeling blijft van kracht tot 1 januari 2007; de thuiswerkregeling en de aangepaste werktijden blijven nadien gehandhaafd en zullen worden opgenomen in de algemene arbeidsvoorwaardenregeling. (…)”

d. Bij e-mailbericht van 24 maart 2005 heeft zijn toenmalig leidinggevende en lid van het managementteam [XXX] aan [eiser]l onder meer bevestigd:

“Wel mag je, desgewenst, gebruikmaken van de thuiswerkregeling, alsook van de flexibele werktijden, zoals voorgesteld in de regeling volgens het regime ‘ vroeg-vroeg’ dan wel ‘laat-laat’.”

e. [eiser] heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om 20% zijn werktijd, in dit geval de vrijdag, thuis te werken. HCC heeft de de benodigde faciliteiten in het woonhuis van [eiser] aangebracht.

f. In september 2006 heeft HCC bij monde van haar interim-directeur aan het personeel meegedeeld dat de faciliteit zoals verwoord onder 3.2 van de regeling zal komen te vervallen. Een en ander is vastgelegd in een brief van HCC aan [eiser] van 28 september 2006, waarin onder meer staat:

“Wat de afspraken in het verleden ook geweest zijn, als ze er al geweest zijn, een werkgever heeft de bevoegdheid van deze geboden faciliteiten terug te draaien en te wijzigen in een tijd van overleven van de werkgever. Daarbij kan in het midden blijven hoe, en op welke wijze, eventuele afspraken onder welke omstandigheden gemaakt zijn; ook al zijn deze afspraken gemaakt dan kunnen ze nog aangepast en gewijzigd worden. Ik verzoek u dan ook zich te realiseren dat de door u gekozen opstelling afwijkend is van al uw collega’s en uw bovendien niet in het belang van HCC handelt. Dit betekent dat eventuele verlofuren en/of andere absentieuren als zodanig zullen worden geregistreerd en verrekend en dat, zoals ook voor het overige personeel geldt, de thuiswerkfaciliteiten en de hieraan verbonden kosten voor u zijn komen te vervallen.”

g. [eiser] heeft aangegeven met de afschaffing van de geldende thuiswerkregeling niet akkoord te gaan.

De vordering

[eiser] vordert bij wijze van voorlopige voorziening (samengevat) dat HCC wordt veroordeeld om [eiser] in staat te stellen gebruik te maken van de thuiswerkregeling zoals verwoord in artikel 3.2 van de Sociale regeling inzake verhuizing HCC op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eiser] stelt daartoe onder meer het volgende.

Op grond van artikel 9 van de regeling moet de thuiswerkregeling worden beschouwd als onderdeel van de arbeidsvoorwaardenregeling en maakt daardoor deel uit van de individuele arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en HCC. In ieder geval maakt de thuiswerkregeling op grond van de individuele afspraken tussen [eiser] en zijn toenmalige leidinggevende onderdeel uit van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en HCC. Die regeling kan niet zomaar zonder meer worden afgeschaft.

Van het door HCC gestelde overleg met het personeel over de afschaffing van de thuiswerk regeling is geen sprake geweest; die beslissing is door de leiding enkel meegedeeld. Op zijn minst had overleg met [eiser] moeten worden gevoerd om de eventuele bezwaren van [eiser] tegen de door HCC gewenste verandering in kaart te brengen. HCC had vervolgens [eiser] zoveel mogelijk tegemoet moeten komen aan die bezwaren en er had in ieder geval een belangenafweging plaats moeten hebben, hetgeen niet het geval is geweest. Er heeft helemaal geen overleg plaatsgevonden; [eiser] is slechts meegedeeld dat de regeling was afgeschaft.

Tot nu toe heeft HCC haar belang bij wijziging dan wel intrekking van de thuiswerk regeling niet onderbouwd. Door of namens HCC is enkel te kennen gegeven dat HCC financieel gezien in zwaar weer zou verkeren. Ook is niet aangegeven noch valt in te zien hoe het schrappen van de thuiswerkregeling bij zou kunnen dragen aan verlichting van de situatie dan wel waarom de thuiswerkregeling niet (langer) te financieren valt. [eiser] daarentegen heeft een groot belang bij handhaving van de thuiswerkregeling. Ondanks pogingen daartoe zijn partijen niet tot elkaar gekomen. In afwachting van een beslissing in een bodemprocedure zal [eiser] feitelijk gedwongen zijn om op zijn thuiswerk dag naar Haarlem af te reizen. HCC heeft immers reeds aangekondigd dat zij eventuele afwezigheid van [eiser]l zal verrekenen met zijn vakantie tegoed. [eiser] heeft dan ook een spoedeisend belang bij zijn vordering. Noodgedwongen, vanwege de aankondiging van HCC dat absentie-uren zullen worden afgetrokken van de verlofuren, heeft hij de laatste tijd op vrijdag op het kantoor in Haarlem gewerkt.

Het verweer

HCC heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1. De gevorderde voorlopige voorziening komt slechts voor toewijzing in aanmerking als in dit geding aan de hand van de thans bekende feiten en omstandigheden de verwachting gewettigd is dat in een eventueel tussen partijen nog te voeren bodemprocedure een soortgelijke vordering van [eiser] tot een toewijzing daarvan zal leiden. De kantonrechter is voorshands, op grond van de thans voorliggende gegevens, van oordeel dat dit het geval is.

2. Naar het oordeel van de kantonrechter moet de thuiswerkregeling als onderdeel van de overeenkomst tussen [eiser] en HCC worden beschouwd. De tekst en de bedoeling van de regeling zijn duidelijk en het is door zijn leidinggevende in 2005 nog eens bevestigd dat [eiser] aanspraak kan maken op die regeling. Daardoor kan de thuiswerkregeling niet zomaar eenzijdig door HCC worden gewijzigd of ingetrokken.

3. Nu is het niet zo dat een dergelijke regeling onaantastbaar is. Een werkgever en een werknemer zijn immers over en weer verplicht zich als een goed werkgever respectievelijk een goed werknemer te gedragen. Dit brengt, wat de werknemer betreft, mee dat hij op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, in het algemeen positief behoort in te gaan en dergelijke voorstellen alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Dit wordt niet anders indien die omstandigheden in de risicosfeer van de werkgever liggen.

4. In deze procedure is echter niet gebleken dat HCC [eiser] voorstellen heeft gedaan, laat staan redelijke voorstellen. Wel heeft HCC meegedeeld dat thuis werken mogelijk blijft, maar dan alleen op aanvraag en op goede gronden, zoals het in alle rust afmaken van een rapport. [eiser] heeft betwist dat overleg in welke vorm dan ook heeft plaatsgevonden. Dat wel reëel overleg is gevoerd is niet aannemelijk geworden, zeker niet voor wat [eiser] persoonlijk betreft.

5. Voorts heeft HCC onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij groot belang heeft bij het afschaffen van die regeling. HCC heeft niet gemotiveerd betwist dat zij tegenover [eiser] en zijn gemachtigde enkel en dan nog zonder onderbouwing met cijfers heeft gesteld dat financiële redenen ten grondslag lagen aan het afschaffen van de regeling. Dat sluit niet goed aan op de erkenning van HCC ter zitting dat zij niet een direct financieel belang heeft bij die afschaffing; de reden is er volgens HCC eerder in gelegen dat de teamgeest moet worden bevorderd en dat de werknemers samen de schouders eronder moeten worden gezet; dat wordt bemoeilijkt als (een groot deel van) het personeel niet op kantoor is maar thuis werkt, aldus HCC.

Daartegenover heeft [eiser] weer gesteld dat inmiddels een onprettige werksfeer is ontstaan die ertoe leidt dat de werknemers zich belemmerd voelen om het thuiswerken zelfs maar aan te vragen. Die veranderde sfeer laat zich merken in die brief van 28 september 2006 van HCC waarin onder meer wordt gedreigd met inhouding van verlofuren en in het feit dát die brief is gestuurd, zonder een vorm van overleg tevoren.

6. Onder deze omstandigheden en bij gebrek aan enig overleg c.q. een voorgesteld redelijk alternatief kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet van [eiser] gevergd worden dat hij bewilligt in afschaffing van de thuiswerkregeling. Voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij nakoming van de overeenkomst in al zijn facetten door HCC. Zijn vordering is daarom toewijsbaar zoals hierna te melden.

7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

8. De proceskosten komen voor rekening van HCC omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt HCC bij wijze van voorlopige voorziening om [eiser] in staat te stellen gebruik te maken van de thuiswerkregeling zoals verwoord in artikel 3.2 van de Sociale regeling inzake verhuizing HCC;

- bepaalt dat HCC een dwangsom verbeurt van € 500 voor iedere week dat deze de hiervoor gegeven beslissing niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,00;

- veroordeelt HCC tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 84,31

vastrecht € 106,00

salaris gemachtigde € 400,00;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Boom en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.