Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1983

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-02-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
06/1057
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Administratie verworpen. Compromis ten aanzien van de na te heffen omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1057

Uitspraakdatum: 5 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, h.o.d.n. Modehuis AX, gevestigd te Z, eiser,

gemachtigde: A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, kantoor P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag omzetbelasting met nummer 000 ten bedrage van € 2.261 opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 1.130. Bij beschikking met dezelfde dagtekening is € 228 heffingsrente berekend.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 december 2005 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 2 januari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 3 januari 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007 te Haarlem.

Eiser is daar in persoon verschenen. De gemachtigde van eiser is wegens verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B en C.

2. Feiten

2.1. In 2000 en 2001 exploiteerde eiser een detailhandel en naaiatelier onder de naam Modehuis AX op het adres a-straat te Q. De onderneming werd gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. Medevennoot is mevrouw XX.

2.2. Op 10 november 2003 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport van 4 december 2003 is, voor zover van belang, onder punt 4.1.3. vermeld:

“De administratie van de belastingplichtige voldoet niet aan de eisen die het bedrijf stelt. Alle ontvangsten en uitgaven gaan contant, daarom dient er een deugdelijke kasadministratie te worden bijgehouden. Samengevat zijn de volgende gebreken vastgesteld:

- Er wordt in het geheel geen kas-administratie bijgehouden. (...)

- De administratie is zodanig gevoerd dat niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van belastingplichtige en andere voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens duidelijk blijken;

- De belastingplichtige heeft niet voldaan aan de bewaarplicht. De volgende onderdelen van de administratie zijn niet bewaard: de 1e kladaantekeningen met betrekking tot de omzetgegevens. Belastingplichtige is gewezen op de bewaarplicht inzake artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. (...)

- (...)

- De uitkomst van de privé-vermogensvergelijking leidt tot een onwaarschijnlijk laag bruto-privé;

- (...)

Uit het bovenstaande blijkt dat de administratie in 2000 en 2001 dusdanig ernstige tekortkomingen kent, dat de door belastingplichtige gevoerde administratie verworpen wordt.(...)”

2.3. In het onder 2.2. genoemde rapport is ten aanzien van de vergrijpboete vermeld:

“De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik deze vergrijpboete zal opleggen betreffen:

1. De geschonden regels zijn algemeen bekend;

2. Belanghebbende heeft opzettelijk zijn ontvangsten tot een te laag bedrag verantwoord;

3. Van belanghebbende mocht worden verwacht dat hij zich zou overtuigen van de fiscale aanvaardbaarheid van de bovenbedoelde feiten. Belanghebbende heeft dit kennelijk nagelaten;

4. Belanghebbende en door hem geraadpleegde deskundige bezitten voldoende kennis van het belastingrecht om te kunnen begrijpen dat de winst te laag is aangegeven;

5. Belanghebbende heeft door de wijze van het voeren van zijn administratie willens en wetens het risico aanvaard dat een onjuiste aangifte werd ingediend en dat dit zou leiden tot het heffen van te weinig belasting;

6. Het bedrag dat ten onrechte niet in de aangifte is opgenomen is dermate groot, dat er sprake is van opzet.”

3. Geschil

In geschil is of de naheffingaanslag en de vergrijpboete terecht zijn opgelegd.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiser voert aan dat de door verweerder opgestelde privé-vermogensvergelijking onjuist is omdat deze geen rekening houdt met de opbrengst van de verkoop van het huis van eiser in 1997. Na betaling van alle belastingen heeft eiser in 2000 en 2001 ook nog van deze opbrengst geleefd. Dat dit niet uit bankbescheiden blijkt houdt verband met het feit dat het geld niet op een bankrekening stond, dit vanwege de omstandigheid dat het geloof van eiser hem niet toestaat om rente te ontvangen.

4.2. Verweerder stelt dat de administratie van eiser zulke gebreken vertoont dat het voor hem niet mogelijk is om een goed beeld te krijgen van de inkomsten. De bewijslast dient dan ook te worden omgekeerd, aldus verweerder. Een redelijke schatting leidt, na herrekening, tot bedragen aan verschuldigde omzetbelasting van € 1.385 voor 2000 en € 867 voor 2001. De boete van 50% is terecht opgelegd.

5. Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zitting zijn partijen het volgende overeengekomen:

- de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting dient te worden verminderd tot een bedrag van € 930, te vermeerderen met heffingsrente;

- de boetebeschikking dient te worden verminderd tot € 170.

4.2. De rechtbank ziet geen reden om van hetgeen tussen partijen is overeengekomen af te wijken en zal dienovereenkomstig uitspraak doen.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

6. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 930, te vermeerderen met heffingsrente;

- vermindert de boetebeschikking tot € 170;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. Roelvink - Verhoeff, mr. A.J. Roke en mr. A. van Dongen in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.