Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1908

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
07-925
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

B&W hebben vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, WRO en bouwvergunning verleend voor het oprichten van acht appartementen met bergingen te Broek in Waterland. Beroep ongegrond. Omdat het betreffende planvoorschrift geen voorschriften met betrekking tot de nokrichting bevat, is een meerzijdige nokrichting niet in strijd met het bestemmingsplan. Gelet op de in verschillende rapportages neergelegde bevindingen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voor wat betreft de daglichttoetreding en schaduwwerking geen onevenredig nadelige gevolgen voor eisers heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 925 en Awb 06 - 11556

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 maart 2007

in de zaak van:

[eisers]

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Waterland,

verweerder,

derde partij

Quartet Projecten B.V.,

gevestigd te Stompetoren,

gemachtigde: mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2005, verzonden op 6 december 2005, heeft verweerder aan Quartet Projecten B.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van acht appartementen met bergingen op het perceel Nieuwland 37 te Broek in Waterland, kadastraal bekend onder sectie B, nummer 3158.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brieven van 10 januari 2006 en 20 januari 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 september 2006, verzonden op 5 oktober 2006, heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard in die zin dat de vrijstelling en bouwvergunning onder aanvulling van de motivering in stand blijven. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 4 april 2006 van de adviescommissie voor bezwaarschriften.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 14 november 2006 beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 19 december 2006. Bij brief van 29 januari 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 6 maart 2007, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, voornoemd, en alwaar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A.M. van Melick, werkzaam bij de gemeente Waterland. Tevens waren namens vergunninghoudster ter zitting aanwezig haar gemachtigde, voornoemd, R. de Mol, directeur groot-aandeelhouder van vergunninghoudster en H. Berrens. Voorts was ter zitting aanwezig E. Weenink van ingenieursbureau Weenink.

2. Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het beroep van [eiser], voorheen woonachtig op het adres [adres], ter zitting wegens verhuizing is ingetrokken.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.3 Het bouwplan betreft het oprichten van acht appartementen met bergingen op het adres Nieuwland 37 te Broek in Waterland. Het bouwplan heeft een goothoogte van 5,60 meter waarbij tevens een kap wordt aangebracht waardoor het hoogste punt van het bouwplan 10 meter bedraagt. Het volume wordt over een breedte van 22 meter gerealiseerd, met een oppervlakte van 300 m².

2.4 Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c, Woningwet mag en moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.5 Ter plekke van het perceel waar het bouwplan betrekking op heeft geldt het bestemmingsplan 'Dorp'. Op de locatie van het bouwplan zijn de bestemmingen 'bijzondere gebouwen', 'bijzondere doeleinden' en 'tuinen' van toepassing. Gelet op de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) is de grond niet bestemd voor woondoeleinden en overschrijdt het bouwplan volgens verweerder het bebouwingsvlak, het maximale bouwvolume en de maximale goothoogte.

2.6 Ingevolge artikel 19, tweede lid, WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

2.7 Gedeputeerde staten van Noord-Holland hebben de in artikel 19, tweede lid, WRO bedoelde categorieën aangegeven in hun "Beleid artikel 19 WRO", laatstelijk vastgesteld op 19 juli 2005. In deze notitie is woningbouw als speerpunt van beleid opgenomen. Niet in geschil tussen partijen is dat onderhavige woningbouw wordt gepleegd binnen de rode contouren van het streekplan en derhalve geen verklaring van geen bezwaar nodig is.

2.8 Verweerder heeft gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid ex artikel 19, tweede lid, WRO en heeft vrijstelling verleend van de artikelen 9, 17 en 24 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften). Verweerder heeft hiertoe overwogen dat er vanuit stedenbouwkundig opzicht geen bezwaar is tegen het verlenen van de vrijstelling omdat het bouwplan qua uitstraling en vormgeving is aangepast aan de Broeker karakteristieken. Volgens verweerder brengt het bouwplan juist een versterking van de stedenbouwkundige structuur van de kern met zich mee. Het bouwplan past volledig binnen het provinciale beleid dat bebouwing ten behoeve van woondoeleinden zo veel mogelijk dient te geschieden binnen de stedelijke contouren. Bovendien is het bouwplan in overeenstemming met het voorontwerp bestemmingsplan 'Broek in Waterland'. Verweerder heeft de effecten van de daglichttoetreding/bezonning en uitzicht van de woningen beperkt geacht en heeft hierbij verwezen naar een grafische schaduwberekening van Botman Bouw en het rapport van 18 juli 2006 van ingenieursbureau Weenink. Verweerder is voorts van mening dat de effecten van het bouwplan op de luchtkwaliteit gering zijn en geen overschrijding van de relevante normen is te verwachten, waarbij verweerder zich heeft gebaseerd op het door Tauw uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek.

2.9 Eisers zijn woonachtig in de nabije omgeving van het in geding zijnde perceel en zij kunnen zich niet met de verleende vrijstelling en bouwvergunning verenigen. Omdat vergunninghoudster te kennen heeft gegeven een aanvang te gaan maken met de bouwwerkzaamheden, kunnen eisers de bodemprocedure niet afwachten en hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning worden geschorst.

2.10 In artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de plankaart voor bijzondere gebouwen aangewezen gronden zijn bestemd voor overheids-, sociale, culturele, kerkelijke of onderwijsdoeleinden, zulks met inachtneming van wat in de navolgende leden van dit artikel, alsmede in de artikelen 33, 34 en 35 is bepaald. Ingevolge het tweede lid van dit artikel mogen op of in de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat:

a. de goothoogte van de gebouwen niet meer dan 4.00 m mag bedragen;

b. de dakhelling van de gebouwen niet minder dan 25 en meer dan 55 graden mag bedragen.

2.11 De voorzieningenrechter overweegt dat de vrijstelling van verweerder onder meer ziet op artikel 9 van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom verweerders vrijstelling geen betrekking zou hebben op de overschrijding van de in artikel 9 opgenomen maximale goothoogte.

2.12 Voor zover eisers hebben betoogd dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het tweede lid van artikel 9 bestemmingsplan en dat verweerder ten onrechte geen vrijstelling heeft verleend van de voorschriften met betrekking tot de hellingshoek van het dak, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Artikel 9, tweede lid, van de planvoorschriften bevat uitsluitend voorschriften met betrekking tot de goothoogte en de dakhelling. Artikel 9 bevat geen voorschriften met betrekking tot de nokrichting, hetgeen betekent dat een meerzijdige nokrichting niet in strijd is met het bestemmingsplan. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de voorgeschreven hellingshoeken van de daken als zodanig niet in acht zijn genomen. De lezing van eisers dat het dak in zijn totaliteit soms een dakhelling van 90 graden heeft en derhalve niet zou stroken met dit planvoorschrift, deelt de voorzieningenrechter niet.

2.13 In het kader van de planologische afweging heeft verweerder onderzoek laten verrichten naar de daglichttoetreding en schaduwwerking die het bouwwerk met zich mee zal brengen voor de direct omwonenden. Op grond van het door een bouwkundig tekenbureau, Botman Bouw, uitgevoerde schaduwberekening heeft verweerder geconcludeerd dat de nieuwe bebouwing iets meer schaduwwerking zal betekenen voor eisers, maar dat dit geen noemenswaardige achteruitgang is te achten. Naar aanleiding van de naar voren gebrachte bezwaren ten aanzien van de daglichtvermindering en schaduwwerking heeft verweerder Ingenieursbureau Weenink opdracht gegeven een aanvullend rapport te maken. Uit het rapport van 18 juli 2006 blijkt dat de schaduwwerking van het bouwplan zeer beperkt is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder de uitgebrachte rapportages en daarin verwoorde conclusies aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. Er zijn immers geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rapportages op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of onjuistheden bevatten. Eisers hebben hun stelling dat sprake is van meer schaduwwerking niet onderbouwd met bewijsstukken. De door vergunninghouder daags vóór de zitting in het geding gebrachte berekeningen met betrekking tot de daglichttoetreding betreffen een verdere uitwerking van en toelichting op het door verweerder ingenomen standpunt. Het bevat geen nieuwe gegevens, en naar het oordeel van de voorzieningenrechter verzet de goede procesorde zich niet tegen het in beschouwing nemen van deze stukken. Gelet op de in de rapportages neergelegde bevindingen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan, afgezet tegen de mogelijkheden die het bestemmingsplan 'Dorp' biedt, geen onevenredig nadelige gevolgen voor eisers heeft en dat de door de bergingen veroorzaakte schaduw onderdeel uitmaakt van de schaduw van het hoofdgebouw en mitsdien geen extra belemmeringen veroorzaakt.

2.14 De grief van eisers dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat bewoners van [adres] worden geconfronteerd met een blinde muur op korte afstand van hun voorgevel, slaagt evenmin. Zowel in het primaire besluit als het besluit op bezwaar heeft verweerder aandacht besteed aan het feit dat het uitzicht wordt beperkt door de bergingen die op een afstand van 5,4 meter worden opgericht en verweerder heeft dit nadrukkelijk in zijn belangenafweging betrokken. Aangezien de blinde muur vergelijkbaar zal zijn met een schutting die op basis van het bestemmingsplan wel is toegestaan, heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten dat de beperking van het uitzicht geen beletsel voor het bouwplan is.

2.15 Naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie is het - gelet op eerdere uitgebrachte adviezen - aangepaste bouwplan op 25 juli 2006 nogmaals ter toetsing voorgelegd aan Commissie Stads- en Dorpsbeheer. De Commissie Stads- en Dorpsbeheer heeft in deze vergadering geconstateerd dat de door haar in een eerder stadium gestelde voorwaarden zijn opgenomen in de bouwtekeningen en gaat derhalve akkoord met het bouwplan. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het uitgebrachte welstandsadvies niet zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins gebreken vertoont. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet heeft mogen afgaan op het welstandsadvies. Eisers hebben hiertegenover ook geen deskundig tegenadvies in het geding gebracht die aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van de advisering.

2.16 Ten slotte zijn eisers van mening dat zij in de bezwaarfase niet naar behoren in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het rapport inzake de daglichtberekening van 18 juli 2006. Alhoewel verweerder niet heeft betwist dat de brief van 27 juli 2006 niet het betreffende rapport bevatte, had het op de weg van eisers gelegen om verweerder op de hoogte te brengen van het feit dat brief niet was voorzien van de beoogde bijlage. Blijkens het faxjournaal is dit bericht van eisers aan verweerder echter nooit verzonden. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld.

2.17 Uit vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het desbetreffende verzoek wordt derhalve afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzieningenrechter, en op 21 maart 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.