Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1882

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
133246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek Chipshol afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 133246/ HA RK 07-18

datum beslissing: 28 maart 2007

Op verzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHIP(S)HOL III B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

verzoekster,

hierna ook “Chipshol” te noemen,

procureur mr. drs. H.J.M. van Schie,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam.

1. Procesverloop

1.1. Bij verzoek van 8 maart 2007 heeft Chipshol de wraking verzocht van

mr. [naam], mr. [naam] en mr. [naam.], hierna te noemen “de rechters”, in de bij deze recht-bank, sector civiel recht, aanhangige zaak met zaaknummer 95866/ HA ZA 03-1163, van Chipshol tegen de naamloze vennootschap Luchthaven Schiphol N.V. en tegen de publiek-rechtelijke rechtspersoon de Provincie Noord-Holland als gevoegde partij aan de zijde van de Luchthaven Schiphol, hierna ook: de hoofdzaak.

1.2. De rechters hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3. Chipshol, de Luchthaven Schiphol, de Provincie Noord-Holland en de rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 20 maart 2007. Chipshol is ver-schenen, vertegenwoordigd door de heren J. [naam] en P.[ naam], bijgestaan door mr. Kaaks voornoemd. De Luchthaven Schiphol is verschenen bij mrs. N.S.J. Koeman en B.M. Katan, advocaten te Amsterdam. De Provincie Noord-Holland is verschenen bij mr. A.N.M. van Ast, advocaat te Amsterdam. De rechters hebben van de geboden gelegenheid, met be-richt, geen gebruik gemaakt.

1. Het standpunt van verzoekster

1.1. Chipshol legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. De hoofdzaak is bij dagvaarding van 24 september 2003 aanhangig gemaakt. De zaak is inhoudelijk behandeld door mr. [naam], voorzitter, mr.[naam] en mr.[naam], hierna ook: [rechter 1] [rechter 2]en [rechter 3]. Bij tussenvonnis van 12 januari 2005 hebben [rechter 1], [rechter 2] en [rechter 3] beslist dat de Luchthaven Schiphol jegens Chipshol schadeplichtig is op de voet van arti-kel 50 van de Luchtvaartwet. Bij tussenvonnis van 30 maart 2005 hebben mrs. [rechter 1], [rechter 2] en [rechter 3] drie deskundigen benoemd om onderzoek te doen naar de omvang van de door Chipshol geleden schade. Op 15 januari 2007 heeft in de hoofdzaak de plei-dooizitting plaatsgevonden. Kort voor die zitting heeft Chipshol vernomen dat de samen-stelling van de meervoudige kamer voor die zitting was gewijzigd. De pleidooien zijn ge-houden ten overstaan van [de rechters], tegen wie het onderhavige verzoek tot wraking is gericht.

1.2. Chipshol stelt dat de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze wijzi-ging in de samenstelling van de meervoudige kamer plaatsvond bij haar de schijn heeft ge-wekt dat de rechters niet onpartijdig zijn. De opstelling van de rechters ter zitting heeft de twijfel aan hun onpartijdigheid vervolgens versterkt.

3. Beoordeling

3.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een

uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert, hierna ook te noemen de subjectieve toets. Gesteld noch gebleken is dat de rechters jegens Chipshol een vooringenomenheid koesteren, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.2. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor onpartijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn, hierna ook te noemen de objectieve toets. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.3. Chipshol stelt dat de onder 3.2. bedoelde situatie zich hier voordoet en voert ter onderbouwing van haar standpunt, samengevat en verkort weergegeven, het volgende aan.

1.1.1. De vervanging van drie goed ingevoerde rechters in de slotfase van de procedure is ondoelmatig en druist in tegen de continuïteit van rechterlijke betrokkenheid.

1.1.2. Chipshol is van de ingrijpende maatregel van vervanging van mrs. [rechter 1], [rechter 2] en [rechter 3] niet van tevoren op de hoogte gesteld, terwijl het bestuur van de rechtbank kon weten welke impact die maatregel voor haar kon hebben.

1.1.1. De rechtbank heeft verklaard dat de vervanging van voornoemde rechters een stan-daardbeslissing was in het kader van het rouleerbeleid. Deze verklaring is ongeloofwaardig, want de wijziging is niet in overeenstemming met het rouleerbeleid dat kenbaar is uit het jaarverslag van de rechtbank.

1.1.1. Daardoor is de indruk ontstaan dat het hier wellicht gaat om een correctieve maat-regel.

1.1.2. In een procedure van Chipshol tegen LVNL heeft [rechter 1] ter zitting duidelijk gemaakt dat hij uit het dossier de overtuiging had gekregen dat Chipshol in de loop der jaren ernstige tegenwerking had ondervonden van diverse overheden en Schiphol. Ook in die procedure is [rechter 1]vervangen.

1.1.2. Bij de aanvang van de zitting van 15 januari 2007 heeft [één van de gewraakte rechters ]blijk gegeven van ergernis over het feit dat Chipshol naar aanleiding van de ver-vanging van [rechter 1], [rechter 2]en [rechter 3]de publiciteit heeft gezocht.

1.1.2. Tijdens die zitting hebben de rechters vragen gesteld die het kader van de slotfase van de hoofdzaak te buiten gingen, waarmee zij er blijk van gegeven hebben dat zij de pro-cedure vanuit een ander perspectief beschouwden dan mrs. [rechter 1], [rechter 2] en [rech-ter 3]

1.1.2. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat de door de rechtbank benoemde deskundige ir. [naam] niet onafhankelijk is. De rechters hebben die uitspraak en de bezwaren van Chipshol tegen ir. [naam] genegeerd.

1.1.2. Op verzoek van de rechters zijn de deskundigen aanwezig geweest bij de zitting van 15 januari 2007 en uitvoerig gehoord. De zitting duurde tot 21.30 uur. Mr. Pasman heeft namens Chipshol verzocht om voortzetting van het pleidooi op een nieuwe datum, bij welke gelegenheid Chipshol op de uitlatingen van de deskundigen zou kunnen reageren. Dit ver-zoek werd afgewezen.

1.1.1. Het proces-verbaal van de zitting bevat storende hiaten en omissies en daardoor is de kern van het geschil op onderdelen niet juist weergegeven.

1.1.2. Na ontvangst van het proces-verbaal heeft Chipshol verzocht een akte na pleidooi te mogen nemen om het onder 10. vermelde bij te sturen. Dit verzoek is afgewezen.

3.4. Wat de objectieve toets betreft overweegt de wrakingskamer als volgt.

De onder 3.3.1. tot en met 3.3.5. aangevoerde gronden zijn gericht tegen de wijziging van de samenstelling van de meervoudige kamer die de hoofdzaak behandelt. De gronden hebben betrekking op de wijze waarop in dit geval aan het door het gerechtsbestuur vastgestelde roulatiebeleid uitvoering is gegeven. Het middel van wraking is echter niet de aangewezen weg om daartegen op te komen. Kritiek op - al dan niet consequente - toepassing van het beleid van een rechterlijk college komt niet in aanmerking als wrakingsgrond. Aangelegen-heden van het beleid van de rechtbank kunnen immers niet worden gerekend tot de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een wrakingsgrond dient te zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter wiens of rechters wier wraking is verzocht. Een wrakingsver-zoek kan dan ook geen betrekking hebben op het feit dat die rechters de zaak behandelen. Voor zover de onder 3.3.1. tot en met 3.3.5. genoemde gronden aan het verzoek tot wraking ten grondslag worden gelegd moet worden geconcludeerd dat het wrakingsmiddel wordt ingezet om onvrede te uiten over beslissingen die buiten de reikwijdte van artikel 36 Rv. vallen. De daar genoemde omstandigheden kunnen dan ook geen grond voor wraking van de rechters opleveren.

3.5. De onder 3.3.6. genoemde grond betreft het feit dat [één van de gewraakte rechters] bij de aanvang van de zitting van 15 januari 2007 blijk heeft gegeven van ergernis over de wijze waarop Chipshol naar aanleiding van de gewijzigde samenstelling van de meervoudi-ge kamer de publiciteit heeft gezocht. Het enkele feit dat een rechter van ergernis blijk geeft betekent nog niet dat ook sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid. Dat geldt evenzeer voor het feit dat de rechtbank bij de aanvang van de zitting naar aanleiding van die publici-teit aan de advocaten van Chipshol om toezending van de schriftelijke bevestiging van hun mandaat heeft verzocht. Op basis van berichtgeving in pers betreffende de hoofdzaak viel immers te verwachten dat Chipshol niet ter zitting zou verschijnen.

3.6. Een volgend bezwaar van Chipshol betreft de vragen die de rechters tijdens de pleidooizitting hebben gesteld. In de visie van Chipshol werden vragen gesteld die het kader van de slotfase van de procedure te buiten gingen. Aldus ziet Chipshol eraan voorbij dat de leden van de meervoudige kamer een zeer grote vrijheid hebben in het stellen van vragen, ook als partijen de relevantie van die vragen niet onmiddellijk inzien. Uitgangspunt is dat het de voorzitter van een rechterlijk college vrijstaat de gang van zaken ter zitting te bepa-len. Voorts geldt dat het enkele stellen van vragen nog niet een gebrek aan onpartijdigheid met zich brengt

3.7. De onder 3.3.8. genoemde grond betreft de deskundige ir. [naam]. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 15 januari 2007 is aldaar allereerst gedebatteerd over de onpartijdigheid van de deskundige. Vervolgens is de behandeling van de zaak geschorst. Nadien heeft de voorzitter medegedeeld dat de rechtbank na beraadslaging vooralsnog on-voldoende gronden aanwezig achtte voor de conclusie dat één of meer van de deskundigen zijn/hun taak niet met de vereiste onpartijdigheid heeft/hebben kunnen volbrengen en/of dat reeds op dat moment aan één of meer onderdelen van de deskundige-rapportage voorbij moet worden gegaan. Dit betreft een -Chipshol kennelijk onwelgevallig- voorlopig oordeel. Niet valt in te zien dat hierbij de rechterlijke onpartijdigheid in het geding zou zijn.

3.8. Onder 3.3.9. komt Chipshol op tegen de afwijzing van haar verzoek om een nieuwe datum te bepalen voor de voortzetting van het pleidooi om Chipshol in de gelegenheid te stellen te reageren op de uitlatingen van de deskundigen ter zitting. Blijkens het proces-verbaal heeft de voorzitter het verzoek om aanhouding afgewezen en de behandeling van de zaak circa twintig minuten geschorst om de raadslieden van Chipshol in de gelegenheid te stellen een reactie voor te bereiden. Dit betreft een processuele beslissing waartegen Chips-hol, zoals uit het proces-verbaal blijkt, ter zitting geen bezwaar heeft gemaakt. De gang van zaken levert geen aanwijzing op van partijdigheid van rechters.

3.9. De onder 3.3.10. genoemde grond betreft het proces-verbaal van de zitting, dat, in de visie van Chipshol, storende hiaten en omissies bevat, waardoor onjuist en onvolledig verslag is gedaan van hetgeen naar voren is gebracht en waardoor de kern van het geschil op onderdelen niet juist is weergegeven. Hieromtrent overweegt de wrakingskamer als volgt. Mr. Pasman heeft bij brief van 7 maart 2007 een reactie op het proces-verbaal aan de recht-bank toegezonden. De griffier van de rechtbank heeft hem bericht dat van die reactie nota was genomen en dat zijn brief aan het proces-verbaal was gehecht. Niet valt in te zien in welk opzicht hier van een gebrek aan onpartijdigheid sprake zou zijn.

3.10. Tenslotte voert Chipshol als grond voor het wrakingsverzoek aan de weigering van de voorzitter om haar toe te staan een akte na pleidooi te mogen nemen. Ook dit betreft een processuele beslissing waartegen niet door middel van een wrakingsverzoek kan worden opgekomen.

3.11. Al het voorgaande voert tot de slotsom dat niet is gebleken van feiten of omstan-digheden waaruit de gevolgtrekking zou moeten worden gemaakt dat behandeling van de zaak door de rechters wier wraking is verzocht, niet kan plaats vinden zonder dat daarbij gesproken zou kunnen worden van inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of van de aanwezigheid van schijn van rechterlijke partijdigheid. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. wijst het verzoek tot wraking af,

4.2. beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechters en de wederpartij een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3. beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mrs. S.R. Mellema en

A.C.M. Rutten, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op

28 maart 2007 in tegenwoordigheid van drs. E.A. Verloop als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.