Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1793

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
15/630575-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag; verwerping beroep op noodweer/noodweer-exces; verwerping beroep op psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630575-06

Uitspraakdatum: 5 maart 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 februari 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 16 augustus 2006 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in het hart, althans in de hartstreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij op 16 augustus 2006 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in het hart, althans in de hartstreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit en kwalificatie

4.1 Strafbaarheid van het feit

Ter terechtzitting heeft de raadsman namens verdachte een beroep op noodweer gedaan, hetgeen naar de mening van de raadsman zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

De steekpartij met dodelijke afloop die op 16 augustus 2006 in Zwanenburg plaatsvond, was geen wraakactie van verdachte noch door verdachte van te voren gepland. Er was sprake van een toevallige ontmoeting tussen verdachte en [slachtoffer]. Vanaf die ontmoeting was [slachtoffer] duidelijk uit op ruzie met verdachte. Verdachte duwde [slachtoffer] meerdere malen weg en zei meerdere malen tegen [slachtoffer] dat hij geen ruzie wilde. [slachtoffer] trok zich hier niets van aan en bleef verdachte achtervolgen. Uiteindelijk gaf [slachtoffer] verdachte een schop. Verdachte kon niet weglopen omdat hij op slippers liep, last had van zijn arm en vast zat tussen de prullenbak en het fietsenrek. Op dat moment raakte verdachte in paniek en voelde hij in zijn broekzak naar zijn mes. Hij zag dat [slachtoffer] hetzelfde deed, waardoor verdachte het vermoeden kreeg dat [slachtoffer] ook een mes had. In zijn beleving moest verdachte zich op dat moment verdedigen tegen een aanval van [slachtoffer].

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het navolgende:

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar aannemelijk is geworden dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een dreigend gevaar daarvoor, maar dat geen sprake is van een noodweersituatie aangezien verdachte zich op een eenvoudige wijze aan de (dreigende) aanranding had kunnen onttrekken. Immers, op het moment dat verdachte door [slachtoffer] werd geschopt, stonden hij en [slachtoffer] op de openbare weg op de stoep vlak voor de Albert Heijn en stonden diverse personen naar hen te kijken. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank deze Albert Heijn in kunnen vluchten dan wel de omstanders om hulp kunnen vragen. Verdachte heeft weliswaar aangegeven dat hij klem zat tussen een fietsenrek en een prullenbak, maar geen van de getuigen die door de politie zijn gehoord, heeft zulks verklaard. De getuigen hebben juist verklaard dat verdachte de mogelijkheid had om weg te lopen. Ook verdachte zelf heeft op 20 augustus 2006 bij de politie verklaard dat hij niet werd tegengehouden of vastgepakt en dat hij zich kon omdraaien. Uit de verklaringen van de getuigen komt eerder het beeld naar voren dat de trap van [slachtoffer] de druppel was die de emmer bij verdachte deed overlopen, waarna hij [slachtoffer] stak.

Aldus is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte zich niet aan de door hem als bedreigend ervaren situatie kon onttrekken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door met een mes in de borststreek van [slachtoffer] te steken, een buitengewoon disproportioneel verdedigingsmiddel heeft gebruikt tegenover het relatief geringe geweld dat [slachtoffer] bezigde. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] beschikte over een mes. Getuigen noch verdachte hebben zulks verklaard en ter terechtzitting heeft verdachte verklaard [slachtoffer] nimmer met een mes te hebben gezien.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

4.2 Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert een strafbaar feit op, te weten:

doodslag.

5. Strafbaarheid van verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsman namens verdachte een beroep gedaan op noodweerexces en subsidiair op psychische overmacht. Beide verweren zouden naar de mening van de raadsman tot ontslag van alle rechtsvervolging dienen te leiden. Ter onderbouwing van deze verweren heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

Het door verdachte toegepaste verdedigingsmiddel was wellicht disproportioneel, maar verdachte paste dit toe omdat hij werd gedreven door angst voor [slachtoffer]. Verdachte kende de reputatie van [slachtoffer] en wist waartoe [slachtoffer] in staat was. De pijn in zijn schouder, het feit dat hij op slippers liep en het feit dat [slachtoffer] groter was dan verdachte maakte dat verdachte zich de mindere voelde. Het kan verdachte dan ook niet worden verweten dat hij onder dergelijke omstandigheden heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank het navolgende:

Nu de rechtbank, zoals hiervoor onder 4.1 reeds is overwogen, van oordeel is dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, heeft een beroep op noodweerexces evenmin kans van slagen en wordt door de rechtbank verworpen.

Aangezien het beroep op noodweerexces door de rechtbank wordt verworpen, zal de rechtbank tevens ingaan op het subsidiaire verweer van de raadsman dat sprake was van psychische overmacht. De raadsman heeft betoogd dat sprake was van een van buiten komende drang die zo sterk was dat daaraan door de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon worden geboden. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de raadsman op dezelfde omstandigheden die hij ook bij het beroep op noodweerexces naar voren heeft gebracht.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende:

Verdachte heeft verklaard dat hij, ondanks dat hij in het verleden vaker confrontaties met [slachtoffer] heeft gehad, over het algemeen niet bang was voor [slachtoffer]. Verdachte heeft een eerdere confrontatie met [slachtoffer] in het verleden afgewend door weg te lopen. De situatie was deze keer voor verdachte wellicht enigszins lastiger, aangezien hij op zijn slippers mogelijk minder snel zou zijn en hij last had van zijn schouder. Bovendien bleef [slachtoffer] iedere keer dat verdachte probeerde weg te lopen, achter verdachte aanlopen. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet komen vast te staan dat als gevolg van deze situatie bij verdachte een zodanige druk is ontstaan dat hem niet kan worden verweten dat hij heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld.

Verdachte heeft bovendien een extra risico genomen door een dergelijke conflictsituatie niet (geheel) te vermijden, terwijl hij wist dat hij een stiletto op zak had. De kans op een escalatie was daardoor groter en heeft zich uiteindelijk ook verwezenlijkt.

Gezien het bovenstaande wordt het beroep op psychische overmacht eveneens verworpen.

Er zijn ook overigens geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat die vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.776,55. Dit bedrag vormt de optelsom van de posten genoemd achter 1, 7, 8 en 9 op het voegingsformulier benadeelde partij van 12 september 2006. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat voor genoemd bedrag de schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte wordt opgelegd en dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie teruggave aan verdachte gevorderd van alle goederen genoemd op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het Pro Justitia rapport van 22 november 2006 en het vanwege de Reclassering uitgebrachte voorlichtingsrapport van 14 februari 2007, aangevuld op 16 februari 2007, is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is door het slachtoffer lastig gevallen en heeft daarop gereageerd door een stiletto uit zijn zak te halen en het slachtoffer in de hartstreek te steken. Deze reactie van verdachte op het gedrag van het slachtoffer is zonder meer excessief te noemen. Na wat uitdagen, treiteren en één enkele schop tegen zijn been, steekt verdachte het slachtoffer met een mes in de borststreek. Het slachtoffer is als gevolg van de steekwond komen te overlijden. Verdachte heeft door zijn handelen onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Een dodelijke steekpartij voor de ogen van diverse omstanders op de stoep voor Albert Heijn veroorzaakt in de maatschappij hevige gevoelens van onrust en onveiligheid. Dit alles wordt verdachte zwaar aangerekend, zeker nu hij vrijwel volledig toerekeningsvatbaar is. De rechtbank rekent verdachte ook aan dat hij met een stiletto op pad is gegaan. Daarmee heeft hij de kans op het ontstaan van levensgevaarlijk letsel in een conflictsituatie vergroot.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet degene is geweest die de vechtpartij is begonnen en dat het gedrag van het slachtoffer hinderlijk was voor verdachte en gezien de reputatie van het slachtoffer in zekere mate gevoelens van angst bij verdachte zal hebben opgeroepen. Deze omstandigheid zal onmiskenbaar van invloed zijn geweest op de – verkeerde – beslissing van verdachte om de tegenaanval te kiezen op de wijze waarop hij dat heeft gedaan. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet eerder ter zake van een geweldsdelict in aanraking is geweest met politie en justitie.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur dient te worden opgelegd.

6.3 Vordering benadeelde partij

De ouders van het slachtoffer, [ouder] en [ouder], hebben als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding van € 7.848,55 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zouden hebben geleden. Zij hebben daarbij de volgende schadeposten opgevoerd:

1. Begrafeniskosten (€ 7.650,45)

2. Gederfde inkomsten van [ouder] (€ 1.568,-)

5. Opgenomen vakantiedagen (€ 504,-)

7. De kosten van een grafzerk (€ 2.240,-)

8. De kosten van een verzoekschrift (€ 97,-) en

9. Advertentiekosten (€ 52,-).

Het totaal van deze schadeposten bedraagt € 12.111,45. Daarop is € 4.262,90 in mindering gebracht, aangezien dit bedrag reeds door de verzekeringsmaatschappij is vergoed. Hierbij zij opgemerkt dat uit de overgelegde factuur blijkt dat de advertentiekosten € 51,65 hebben bedragen. Van dit laatste bedrag zal de rechtbank dan ook uitgaan.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 5.679,20 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Dit bedrag vormt de optelsom van de hierboven achter 1, 7 en 9 vermelde schadeposten, verminderd met het bedrag dat reeds door de verzekeringsmaatschappij is vergoed. Op grond van artikel 51a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 108 lid 2 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Ten aanzien van de schadepost genoemd achter 8 verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk, aangezien deze schadepost niet is onderbouwd met stukken.

De schadeposten genoemd achter 2 en 3 betreffen geen vorderingen die de benadeelde partij onder algemene titel van het slachtoffer heeft verkregen. Uit artikel 51a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de benadeelde partij om die reden niet ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

6.4 Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 5.679,20.

6.5 Teruggave aan verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen, vermeld achter 2 en achter 11 tot en met 21 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een rode UMBRO trui, een rode Southpool Trainingsbroek, een rood Southpool jack, twee witte sportsokken, vier handdoeken, een monster van de afvoer van de wasmachine, een beige washandje, een water monster van het chiffon van de wastafel en twee blauwe slippers dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4.2 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [ouder] en [ouder] geleden schade tot een bedrag van € 5.679,20 en veroor-deelt verdach-te tot betaling van dit bedrag aan [ouder] en [ouder], voornoemd, rekeningnummer 11.87.22.506, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroor-deelt verdachte in de kosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuit-voerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [ouder] en [ouder] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.679,20, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door honderddertien (113) dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan verdachte van de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, vermeld achter 2 en achter 11 tot en met 21 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

– 1.00 STK Kleding Kl: rood UMBRO trui;

– 1.00 STK Trainingsbroek Kl: ROOD SOUTHPOOL;

– 1.00 STK Kleding Kl: ROOD SOUTHPOOL JACK;

– 2.00 STK Sok Kl: WIT SPORT SPORT;

– 1.00 STK Handdoek Kl: WIT;

– 1.00 STK Handdoek;

– 1.00 STK Handdoek Kl: BRUIN;

– 1.00 STK Handdoek Kl: BEIGE;

– 1.00 STK Diverse MONSTER;

– 1.00 STK Washandje Kl: BEIGE;

– 1.00 STK Diverse MONSTER en

– 2.00 STK Slipper Kl: BLAUW.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.C.J. Robert, voorzitter,

mrs. E.B. de Vries-van den Heuvel en M.E. Fortuin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A.M. Jansen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2007.

Mr. de Vries-van den Heuvel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.