Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA0588

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
06/233
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet voldoen aan administratieverplichting heeft geen gevolg voor de bewijslastverdeling indien op de belastingplichtige reeds bewijslast rust met betrekking tot feitelijke omstandigheden die, indien aannemelijk, tot een teruggaaf van belasting voor die belastingplichtige zou leiden. Van een verzwaring van de op eiser rustende bewijslast is dan ook geen sprake. Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 3 februari 2006 (nr 41 814, VN 2006/9.8).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0898
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/233

Uitspraakdatum: 14 maart 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,

wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 17 februari 1997 tot en met 16 februari 2000 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ten bedrage van € 6.879, alsmede bij beschikking een boete van € 3.439.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 november 2005 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 1.719.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 13 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op 15 december 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de door eiser onder de nummer 06/231 en 06/232 ingestelde beroepen, plaatsgevonden op 21 december 2006 te Haarlem. Eiser is daar in persoon verschenen, vergezeld van A, bijgestaan door zijn gemachtigde B. Namens verweerder zijn verschenen C, D en E.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser was in het onderhavige tijdvak taxichauffeur en vennoot van vennootschap onder firma Taxi 000 en heeft in het kader van de door deze vennootschap gedreven onderneming een personenauto, merkVolkswagen Passat met kenteken AA-BB-00 (hierna: de auto), als taxichauffeur geëxploiteerd. Eiser was kentekenhouder van de auto. Per 1 januari 2000 is de heer F mede-eigenaar van de auto geworden en reed hij ook in de auto.

3. Geschil en standpunten van de partijen

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht zijn opgelegd en of daarbij terecht een vergrijpboete is opgelegd. De hoogte van de naheffingsaanslag is tussen partijen niet in geschil.

3.2. Eiser heeft zich - samengevat en zakelijk weergegeven - op het op het volgende standpunt gesteld. Verweerder legt pas in de uitspraken op bezwaar aan de naheffingsaanslag ten grondslag dat er een kilometertelleronderbreker (kto) in de auto zou zijn ingebouwd. Indien verweerder stukken heeft waaruit blijkt dat er een kto ingebouwd zou zijn, is er sprake van achterhouden van bewijsmateriaal. Voorts stelt eiser dat de auto niet voor privé-doeleinden is gebruikt. Nu eiser niet verplicht was de gegevens van de taxameter en de werkmappen te bewaren, kan het niet bewaren hiervan niet aan de naheffingsaanslag ten grondslag worden gelegd. Het onjuist invullen van de rittenkaarten is geen reden tot het opleggen van correcties en het niet overleggen van de declaraties van ritten op rekening vormen eveneens geen reden voor het opleggen van correcties, nu dit in vergelijkbare gevallen ook niet is gebeurd. Verweerder heeft dan ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Het verschil in de in de rittenkaarten vermelde kilometerstanden en de door de garage genoteerde kilometerstanden is verklaarbaar omdat eiser zelf de (geschatte) kilometerstanden aan de garage doorgaf. Eiser verwijst in dit verband naar de door hem in geding gebrachte verklaring van garage G van 7 augustus 2004. Naar de mening van eiser is er ten onrechte een vergrijpboete opgelegd.

3.3. Verweerder heeft zich - samengevat en zakelijk weergegeven - op het volgende standpunt gesteld. Hoewel er aanwijzingen zijn dat in de auto een kto was ingebouwd, wordt deze omstandigheid niet aan de naheffingsaanslag ten grondslag gelegd. Er is geen sprake van een juiste en controleerbare (kilometer)administratie. De aanwezige administratie is verregaand ondeugdelijk en/of materieel onbruikbaar, hetgeen tot gevolg heeft dat de op eiser rustende bewijslast wordt verzwaard. De taxameter is een gegevensdrager in de zin van artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelasting. De werkmappen en ritten op rekeningdeclaraties behoren fiscaal gezien tot de administratie en dienen dus zeven jaar bewaard te worden. Omdat de gegevens van de taxameter niet zijn bewaard kunnen de rittenkaarten niet gecontroleerd worden. Voorts zijn niet alle ritten verantwoord. Verweerder acht niet aannemelijk dat verschillende garages afzonderlijk van elkaar en op meerdere facturen telkenmale de verkeerde kilometerstanden hebben genoteerd. De kilometerstanden die doorgegeven zijn aan de Stichting Nationale Auto Pas zijn op of omstreeks dezelfde datum gefactureerd. Dat de verschillen zijn ontstaan door de rittenkaarten van de andere chauffeurs is niet te controleren, aangezien twee van de andere chauffeurs de rittenkaarten zeer gebrekkig in hebben gevuld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat minder dan 1000 kilometers privé zijn gereden.

Er is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. De door eiser genoemde zaken zijn niet feitelijk gelijk. De gevallen hebben elk hun eigen specifieke administratie, met en voor de belastingplichtige specifieke combinatie en mate van gebreken, waarbij ook het totaalbeeld van de onderneming een rol speelt. Aan de vereisten voor toepassing van de meerderheidsregel niet voldaan. Ten slotte is de boete terecht opgelegd, aldus verweerder.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, tekst tot en met 31 december 2000 (hierna: Wet bpm) bepaalt dat teruggaaf van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag wordt verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen voor personenauto’s die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten. Ingevolge het tweede lid van artikel 16 Wet bpm ontstaat de aanspraak op teruggaaf telkens voor een derde gedeelte nadat een, twee en drie jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de personenauto, overeenkomstig de vergunning dan wel het vergunning-bewijs, voor openbaar vervoer of taxivervoer in gebruik is genomen.

Ingevolge het vijfde lid van voormeld artikel bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

4.2. Gelet op de tekst van de Wet bpm rust op eiser de last om aannemelijk te maken dat de auto geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor ten minste 90 procent, is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. Eiser is vrij in de wijze waarop hij dit bewijs levert.

4.3. Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot feitelijke omstandigheden die, indien aannemelijk, tot een teruggaaf van belasting voor die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet voldoen aan de administratieverplichting ex artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) - anders dan verweerder meent - geen gevolg voor de bewijslastverdeling op dat punt. De bewijslast van die omstandigheden rust immers al op de belastingplichtige. Van een verzwaring van de op eiser rustende bewijslast is dan ook geen sprake. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 februari 2006 (nr 41 814, VN 2006/9.8).

4.4. Eiser heeft zijn kilometeradministratie gevoerd op basis van de door hem ingevulde rittenkaarten waarop de omzet van de diverse tijdens een dienst verreden ritten is vermeld. De rittenkaarten zijn ingevuld aan de hand van de aanwezige taxameter, die steeds na afloop van de dienst handmatig op nul werd gezet. Blijkens de zich in het dossier bevindende rittenkaarten was de op die kaarten ingevulde beginstand van een dienst gelijk aan de eindstand van de vorige dienst. Op de kaart werd het totaal van de per dienst verreden kilometers opgeteld bij de beginstand, wat vervolgens weer resulteerde in de eindstand van de dienst, tevens beginstand voor de volgende dienst. Een dergelijke wijze van administreren aan de hand van een geijkte taxameter is in beginsel voor het ter zake van het gebruik als taxi te leveren bewijs aanvaardbaar indien de aldus verreden en op de rittenkaarten genoteerde kilometers aansluiten op de stand van de in de auto aanwezige kilometerteller en voorts deze kilometertellerstand objectief controleerbaar is door aansluiting op door derden, zoals garagebedrijven, vastgelegde kilometertellerstanden.

4.5. De rechtbank stelt vast dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de op de rittenkaarten vermelde kilometerstanden en de kilometertellerstanden zoals deze door de garages en de Stichting Nationale Autopas zijn vastgelegd. Deze verschillen zijn niet constant gelijk of consequent op- of aflopend, maar fluctueren. Tevens zijn de verschillen soms erg groot. Eiser heeft deze verschillen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende verklaard. Eiser heeft een verklaring overgelegd waaruit volgt dat de door garage G op de factuur opgenomen kilometertellerstand een schatting is. Dit zou mogelijk kleine verschillen kunnen verklaren, maar geen (ook aangetroffen) verschillen van meer dan 10.000 km. Bovendien kunnen overige aangetroffen verschillen er niet door worden verklaard.

4.6. Voorts bevinden zich in het dossier onjuist of onvolledig ingevulde rittenkaarten en heeft verweerder gewezen op twee ritten van de auto die niet in de rittenadministratie zijn verantwoord. De voor één van die ritten gegeven verklaring door eiser acht de rechtbank niet afdoende. Dat de plaats van de verkeersovertreding in de nabijheid is gelegen van eisers woning, zegt immers niets over het (zakelijke of privé) karakter van de rit waarin deze overtreding is begaan.

4.7. Ten aanzien van eisers stelling dat hij niet gehouden was om de gegevens van de taxameter en alle werkmappen te bewaren overweegt de rechtbank dat eiser aannemelijk dient te maken dat de auto geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. Nu hij de gegevens van de taxameter en de werkmappen niet heeft bewaard, kan hij uit deze bronnen geen gegevens putten om zijn stelling te onderbouwen. Het niet bewaren van deze gegevens is aldus voor rekening van eiser.

4.8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser door de hiaten in zijn administratie niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel, nu in de door eiser genoemde gevallen niet dezelfde combinatie van gebreken in de administraties is aangetroffen als in de administratie van eiser. Deze gevallen zijn daarom niet voldoende vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

4.9. Dat vanaf 1 januari 2000 de heer F mede-eigenaar van de auto is geworden, leidt niet tot een ander oordeel. Teruggaaf van bpm is immers verleend aan als kentekenhouder van de auto. Of eiser de teruggaaf bpm met de heer F heeft verrekend is dan ook bij de beoordeling van dit geschil niet van belang.

4.10. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

4.11. Voorts is aan eiser een vergrijpboete opgelegd bij de naheffingsaanslag van 50% van het bedrag van de nageheven belasting. In bezwaar is deze boete verminderd tot 25% van het bedrag van de nageheven belasting in verband met cumulatie met in andere zaken opgelegde boetes. Aannemelijk is dat eiser opzettelijk om de niet nader te onderbouwen teruggaaf van bpm heeft verzocht, waardoor hij een te hoog bedrag aan teruggaaf ontving. Dit rechtvaardigt een vergrijpboete. De opgelegde boete als verminderd in bezwaar acht de rechtbank in beginsel passend en geboden.

4.12. Gelet op het tijdsverloop sinds de melding in het controlerapport van 10 november 2003 dat aan eiser een boete zal worden opgelegd, is in dit geval sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en de opgelegde boete (verder) verminderen met een bedrag gelijk aan 10 percent van € 1.719, zijnde het na matiging tot 50% resterende boetebedrag.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat de kosten reeds zijn vergoed in de met de onderhavige zaken samenhangende zaak met nummer 06/231.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar inzake de boete;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de boete;

- vermindert de boete tot € 1.547 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 138 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 14 maart 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Jochem, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - ten Hoopen, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam..

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.