Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA0344

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
123338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevoegde zaken. Gedaagde heeft aan de ontvanger hypotheek- en pandrechten verstrekt tot zekerheid van al hetgeen de ontvanger van gedaagden te vorderen heeft of mocht hebben. Gedaagden verzetten zich tegen uitwinning van die zekerheisrechten door de ontvanger. Op de onderhavige procedure is art. 438 Rv, en niet art. 17 Invorderingswet 1990, van toepassing. Uitwinning van de zekerheidsrechten door de ontvanger levert in dit geval geen strijd op met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis in gevoegde zaken van 31 januari 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 123338 / HA ZA 06-514 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAAL TECHNISCH INGENIEURSBEDRIJF ITEBE B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-MIDDEN,

(mede) kantoorhoudende te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. L. Koning,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 123339 / HA ZA 06-515 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISNO MACHINEFABRIEK B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-MIDDEN,

(mede) kantoorhoudende te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. L. Koning,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 123342 / HA ZA 06-516 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISNO METAALBEDRIJF B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-MIDDEN,

(mede) kantoorhoudende te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. L. Koning,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 123343 / HA ZA 06-517 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISNO MONTAGE EN ONDERHOUD B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-MIDDEN,

(mede) kantoorhoudende te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. L. Koning,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 123344 / HA ZA 06-518 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISNO HOLDING B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-MIDDEN,

(mede) kantoorhoudende te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. L. Koning,

Eiseressen in conventie, gedaagden in voorwaardelijke reconventie zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Visno c.s. en afzonderlijk als Itebe, Visno Machinefabriek, Visno Metaalbedrijf, Visno Montage en Visno Holding. Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie in alle zaken zal hierna de ontvanger genoemd worden.

1. De procedure in de zaken 06-514, 06-515, 06-516, 06-517 en 06-518

1.1. Het verloop van de procedure blijkt in alle zaken uit:

- de tussenvonnissen van 27 september 2006 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 30 november 2006 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is in alle zaken vonnis bepaald.

2. De feiten in de zaken 06-514, 06-515, 06-516, 06-517 en 06-518

2.1. Visno c.s. zijn aan elkaar gelieerde bedrijven en vormen een fiscale eenheid in de zin van de Wet op de Omzetbelasting. De heren N. en H. Snoek zijn bestuurders van Visno Holding en van Itebe. Visno Holding is op haar beurt bestuurder van Visno Machinefabriek, Visno Metaalbedrijf en Visno Montage. Voorts is Visno Holding enig aandeelhouder van Visno Metaalbedrijf en Visno Montage.

2.2. Visno c.s. hebben een aantal belastingschulden onbetaald gelaten. Dit zijn aanslagen loonbelasting/premies volksverzekering en aanslagen omzetbelasting. In totaal heeft de ontvanger over de jaren vóór 2006 een bedrag van circa EUR 1.175.000,00 (exclusief kosten van circa EUR 57.000,00 en invorderingsrente) te vorderen van Visno c.s. Met uitzondering van een aanslag Loonheffing over 2002 met nummer A012500 van Visno Machinefabriek voor een bedrag van EUR 191.142,00 (exclusief kosten), terzake waarvan nog een procedure bij de Hoge Raad aanhangig is, staan deze belastingschulden onherroepelijk vast. Daarnaast hebben Visno c.s. verzuimd loonbelasting over de maanden mei en september 2006 te betalen. Voor wat betreft mei 2006 gaat het om een bedrag van circa EUR 47.000,00.

2.3. Voor 50 van de onbetaalde belastingaanslagen van Visno c.s. heeft de ontvanger op grond van art. 12 Invorderingswet 1990 (hierna: Iw) dwangbevelen (hierna: de dwangbevelen) uitgevaardigd. Na betekening van de dwangbevelen bleef betaling uit en heeft de ontvanger op 27 juli 2005 en op 16 september 2005 executoriale beslagen gelegd op de roerende zaken die zich bevinden aan het adres Pieter Goedkoopweg 2 te Haarlem, alwaar Visno Machinefabriek, Visno Metaalbedrijf, Visno Montage en Visno Holding kantoor houden. De executoriale verkoop van de zaken zou plaats gaan vinden op 3 november 2005.

2.4. Tijdens een bespreking op 10 oktober 2005 hebben Visno c.s. en de ontvanger afgesproken dat de ontvanger Visno c.s. een paar maanden uitstel van betaling zou verlenen indien Visno c.s. tot zekerheid van betaling van hun schulden aan de ontvanger een recht van hypotheek van EUR 1.000.000,00 zouden verstrekken en Visno c.s. de nieuwe fiscale verplichtingen vanaf oktober 2005 stipt zouden nakomen.

2.5. Op 21 november 2005 heeft Visno Holding aan de ontvanger hypotheek- en pandrechten (hierna: de zekerheidsrechten) verstrekt tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de ontvanger van Visno c.s. te vorderen heeft of mocht hebben, tot een bedrag van EUR 1.000.000,00, te vermeerderen met rente en kosten (welke tezamen in de hypotheekakte zijn begroot op EUR 350.000,00), in totaal derhalve tot een bedrag van EUR 1.350.000,00. Het hypotheekrecht werd gevestigd op het bedrijfshallencomplex van Visno Holding aan de Pieter Goedkoopweg 2 te Haarlem (hierna: het bedrijfscomplex). Het is een recht van zesde hypotheek.

2.6. Eén en ander is vastgelegd in de uitstelbeschikking na zekerheidsstelling van de ontvanger van 23 november 2003 (hierna: de uitstelbeschikking). Deze beschikking vermeldt, voor zover relevant:

“Op 10 oktober 2005 hebben wij op mijn kantoor een bespreking gehad over de openstaande belastingschuld van de Visno Groep. Daarbij is afgesproken dat na het stellen van zekerheid via een hypotheek van EUR 1.000.000,00 de vastgestelde executoriale verkoop op 03 november 2005 geen doorgang zou vinden.

Op 21 november 2005 is er voor de belastingschuld (...) van de hierna vermelde rechtspersonen zekerheid gesteld via een hypotheek ad EUR 1.000.000,00.

Belastingschuldigen:

1. Internationaal Technisch Bureau Itebe B.V.

2. Fiscale eenheid Visno Holding B.V. cs

3. Visno Machinefabriek B.V.

4. Visno Metaalbedrijf B.V.

5. Visno Montage en Onderhoud B.V.

Nu er zekerheid is gesteld ben ik bereid een betalingsregeling te treffen. Ik verbind aan deze regeling de volgende voorwaarden:

- De nieuw opgekomen fiscale/premie verplichtingen (m.i.v. de maand oktober 2005) dienen te worden voldaan binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijnen;

- De totale schuld (inclusief rente en kosten) moet op 24 februari 2006 zijn betaald;

- De betalingen dienen te worden overgemaakt naar (...)

Indien niet wordt voldaan aan bovengenoemde voorwaarden, ben ik genoodzaakt om deze uitstelbeschikking in te trekken en de invordering voort te zetten.

Tevens deel ik u mede dat ik d.d. 27 juni 2005 en 16 september 2005 gelegde executoriale beslagen op de roerende zaken van opgemelde rechtspersonen door het stellen van zekerheid heb opgeheven.”

2.7. Visno c.s. hebben niet voldaan aan een van de voorwaarden als gesteld in de uitstelbeschikking. Zij hebben hun belastingverplichtingen over oktober, november en december 2005 onbetaald gelaten.

2.8. Bij beschikking van 26 januari 2006 (hierna: de intrekkingsbeschikking) heeft de ontvanger het uitstel van betaling ingetrokken. De intrekkingsbeschikking vermeldt, voor zover relevant:

“Op 23 november 2005 hebben de hierna vermelde B.V.’s uitstel van betaling gekregen tot 24 februari 2006.

Belastingschuldigen:

1. Internationaal Technisch Bureau Itebe B.V.

2. Fiscale eenheid Visno Holding B.V. cs

3. Visno Machinefabriek B.V.

4. Visno Metaalbedrijf B.V.

5. Visno Montage en Onderhoud B.V.

Hierbij trek ik het uitstel van betaling in.

De B.V.’s voldoen niet meer aan de voorwaarden die ik bij het verlenen van uitstel van betaling heb gesteld. Door de B.V.’s zijn de nieuw ( m.i.v. oktober 2005 ) opgekomen fiscale verplichtingen niet voldaan.”

2.9. Op 2 februari 2006 hebben Visno c.s. administratief beroep ingesteld bij de directeur van de Belastingdienst/Utrecht Gooi (hierna: de directeur) tegen de intrekkingsbeschikking. Het beroepschrift vermeldt onder andere:

“Hoewel de genoemde B.V.’s niet in alle opzichten aan de voorwaarden die gesteld zijn aan de oorspronkelijke uitstelbeschikking voldoen, is de maatregel om nu het uitstel in te trekken onevenredig hard en mijns inziens niet te rechtvaardigen gezien de hierna te specificeren omstandigheden:

Ten tijde van het voldoen aan de voorwaarden van de uitstelbeschikking van oktober 2005 is het niet te voorzien dat niet de lopende verplichtingen konden worden nagekomen. Desalniettemin is het een tijdelijk probleem. De bedrijven staan op het punt om orders binnen te krijgen waardoor successievelijk een aantal financiële knelpunten worden opgelost. Hier komt nog bij dat de gestelde zekerheden zeer wel toelaten dat zowel de opgelopen achterstallige lopende verplichtingen als wel de oorspronkelijke belastingschulden waarvoor het uitstel indertijd werd verleend, worden aangezuiverd.

De ontvanger heeft er onder deze omstandigheden, mede gelet op de belangen van betrokken partijen, geen, althans onvoldoende belang bij om dwanginvordering via het intrekken van de uitstelbeschikking ter hand te nemen.”

2.10. Op 13 maart 2006 heeft de directeur het beroep afgewezen. De uitspraak van de directeur vermeldt, onder andere:

“Beoordeling van het beroep (overwegingen)

De ontvanger heeft uw cliënt(e) uitstel van betaling verleend onder bepaalde voorwaarden. Ik heb geconstateerd dat uw cliënt(e) niet aan die voorwaarden heeft voldaan. U heeft de nieuw opgekomen fiscale/premie verplichtingen niet voldaan binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijnen.”

2.11. Tijdens een bespreking op 13 maart 2006 hebben Visno c.s. opnieuw uitstel van betaling verzocht, waarop de ontvanger heeft aangegeven dat hij alleen nog een verder uitstel van betaling zou verlenen indien er direct een bedrag van EUR 500.000,00 zou worden voldaan en de lopende verplichtingen zouden worden bijgehouden. Aan deze voorwaarden konden Visno c.s. niet voldoen. Bij brief van 14 maart 2006 heeft een collega van mr. Velema namens Visno c.s. de ontvanger onder meer het volgende bericht:

“Gisteren op 13 maart om 10.00 uur hadden wij een bespreking op uw kantoor, (...). Hierbij waren onder meer aanwezig, de heren N. Snoek, (..), en mijn collega mr. W.A. Velema.

(...)

Tijdens de bespreking is erkend dat niet stipt de hand is gehouden aan de lopende – maandelijkse – betalingsverplichtingen. Derhalve is niet geheel voldaan aan de voorwaarden gesteld in uw brief van 23 november 2005. Niettemin is door Visno wel een inhaalslag gemaakt, in die zin dat de laatste aangiften over de maand februari wel inmiddels zijn betaald.

(...)

Aangegeven werd dat het wel erg slecht uitkomt dat op het moment dat de orders zullen binnenkomen, de dwanginvordering wordt voortgezet. Dat is ook niet in het belang van de werknemers en evenmin van de Nederlandse Staat, omdat een innovatief bedrijf met goede papieren voor de toekomst, daardoor in feite wordt beëindigd. Voor u heer van Maaswinkel is dit niet een aspect dat een rol speelt in het kader van de belangenafweging van de belastingdienst.

U gaf aan, dat praktisch na afkomst van de beslissing van de directeur een termijn van 10 dagen wordt gegeven om voor een goede afhandeling (betaling) te zorgen om verdere executiemaatregelen te voorkomen. Hij stelt voor om op korte termijn een bedrag van EUR 500.000 te betalen. Na de 10 dagen termijn zal de ontvanger de dwanginvordering weer ter hand nemen. Het kost overigens tijd om tot uitwinning van de hypothecaire inschrijvingen over te gaan. Het is mogelijk om ook later verdere executie te schorsen door alsnog het genoemde bedrag van EUR 500.000 te betalen.

Ik heb voorgesteld dat voor de ontvanger ook alternatieven bestaan, zoals het in pand geven van vorderingen die ontstaan door het sluiten van contracten.

De heer Snoek gaf aan op korte termijn subsidies te verwachten en er zijn eveneens concrete aanbetalingen te verwachten op korte termijn, zodat alsdan substantiële betalingen kunnen worden gedaan. Hij verwachtte eind april een bedrag ad zes miljoen euro aan opdrachten binnen te krijgen.”

2.12. Op 31 maart 2006 hebben Visno c.s. de ontvanger gedagvaard in de onderhavige procedures. In verband daarmee heeft de ontvanger executiemaatregelen geschorst en is hij niet overgegaan tot uitwinning van de zekerheidsrechten.

3. Het geschil in de zaken 06-514, 06-515, 06-516, 06-517 en 06-518

3.1. Visno c.s. vordert in alle zaken in conventie:

primair dat de rechtbank de gehele tenuitvoerlegging van de in de inleidende dagvaardingen onder 2 vermelde dwangbevelen, wettelijk uitvoerbaar bij voorraad, schorst en de ontvanger veroordeelt de (aangekondigde) openbare executiemaatregelen, waaronder de uitwinning van hypotheken, te schorsen althans deze verbiedt voor een termijn van drie maanden na het in deze te wijzen vonnis;

subsidiair dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen schorst voor een termijn die de rechtbank in goede justitie billijk acht, ingaande op de dag van het in deze te wijzen vonnis, met veroordeling van de ontvanger in de kosten van deze procedure.

3.2. De ontvanger voert in alle zaken nagenoeg gelijkluidend verweer tegen de conventionele vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.3. De ontvanger vordert in alle zaken in voorwaardelijke reconventie:

(i) dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad bepaalt dat het door Visno c.s. gedane verzet tegen de dwangbevelen geen schorsende werking heeft, althans dat de rechtbank de schorsende werking aan dat verzet ontzegt, zodat die schorsende werking bij eventueel door Visno c.s. in te stellen hoger beroep niet herleeft; en

(ii) dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad Visno c.s. veroordeelt om te dulden dat de ontvanger tot uitwinning overgaat van zijn hypotheekrechten en/of de dwangbevelen ten uitvoer legt door alle middelen rechtens; en tenslotte

(iii) dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad Visno c.s. veroordeelt in de proceskosten.

Deze vorderingen zijn ingesteld voor het geval de rechtbank van oordeel is dat (i) de uitwinning van het hypotheekrecht door het verzet op grond van art. 17 Iw is geschorst en/of (ii) Visno c.s., naast tegen de uitwinning van het hypotheekrecht, ook op grond van art. 17 Iw verzet hebben ingesteld tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen.

3.4. Visno c.s. voeren in alle zaken gelijkluidend verweer tegen de voorwaardelijke reconventionele vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in de zaken 06-514, 06-515, 06-516, 06-517 en 06-518

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

art. 17 Iw of art. 438 Rv

4.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of op de onderhavige procedure art. 17 Iw dan wel uitsluitend art. 438 Rv van toepassing is. Dit is van belang omdat verzet op grond van art. 17 Iw de tenuitvoerlegging van de bestreden dwangbevelen schorst, terwijl een procedure op grond van art. 438 Rv geen schorsende werking heeft. Visno c.s. betogen dat de zekerheidsrechten zozeer in het verlengde liggen van de dwangbevelen en de gestarte dwanginvordering, dat de uitwinning van de zekerheidsrechten op één lijn gesteld kan worden met de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen, zodat ook op de onderhavige procedure art. 17 Iw van toepassing is. De ontvanger heeft dit bestreden en daartoe aangevoerd dat hij niet op grond van een dwangbevel executeert, maar op grond van een civielrechtelijke bevoegdheid, zodat uitsluitend art. 438 Rv van toepassing is.

4.2. Met de ontvanger is de rechtbank van oordeel dat op de onderhavige procedure uitsluitend art. 428 Rv van toepassing is. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3. Voorop staat dat Visno c.s. zich in deze procedure alleen verzetten tegen uitwinning van de (civielrechtelijke) zekerheidsrechten, in het bijzonder de hypotheekrechten, door de ontvanger.

4.4. Zoals partijen beiden terecht tot uitgangspunt nemen, kent de Invorderingswet een open systeem. In art. 3 lid 2 Iw is bepaald dat de ontvanger naast zijn specifieke bevoegdheden, die hij op grond van de Invorderingswet heeft, gebruik kan maken van bevoegdheden die gewone civiele schuldeisers hebben. Wanneer de invordering niet door middel van een dwangbevel maar langs civielrechtelijke weg geschiedt, moet de belastingschuldige zijn verzet op art. 438 Rv baseren.

4.5. Anders dan Visno c.s. betogen, kan de vestiging van de zekerheidsrechten niet worden gezien als een voortgezette (executie)handeling op grond van de dwangbevelen en gaat het hier om een gewone civielrechtelijke bevoegdheid van de ontvanger. De zekerheidsrechten zijn - anders dan Visno c.s. betogen - onverplicht gevestigd. Visno c.s. hadden er immers ook voor kunnen kiezen geen zekerheidsrechten ten gunste van de ontvanger te vestigen en - indien zij het niet eens waren met de invordering - direct verzet op grond van art. 17 Iw aan te tekenen tegen de dwanginvordering. Hierbij merkt de rechtbank op dat de ontvanger, indien aan de voorwaarden van art. 12 Iw is voldaan, altijd een dwangbevel als stok achter de deur heeft.

4.6. Uit het bovenstaande volgt dat de voorwaarden waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld niet zijn vervuld, zodat de rechtbank aan behandeling van de reconventionele vorderingen niet toekomt.

gronden van het verzet

4.7. Met uitzondering van de aanslag Loonheffing over 2002 met nummer A012500 van Visno Machinefabriek voor een bedrag van EUR 191.142,00 (exclusief kosten), waarover nog een procedure bij de Hoge Raad aanhangig is en ten aanzien waarvan de advocaat van Visno c.s. ter gelegenheid van de comparitie heeft aangegeven dat uitstel is verleend tot er een inhoudelijke beslissing zal zijn genomen, bestaat over de hoogte van de belastingschulden van Visno c.s. geen geschil. Voorts is niet in geschil dat Visno c.s. niet hebben voldaan aan een van de voorwaarden als gesteld in de uitstelbeschikking. Tot slot is niet in geschil dat de intrekkingsbeschikking in overeenstemming is met het in de Leidraad Invordering 1990 (hierna: de Leidraad) neergelegde uitstelbeleid.

4.8. Aan hun vorderingen leggen Visno c.s. ten grondslag dat uitwinning van de zekerheidsrechten in dit geval strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het evenredigheidsbeginsel. Het belang van het voortbestaan van de onderneming van Visno c.s., zowel met het oog op de werkgelegenheid als met het oog op potentiële opdrachtgevers als met het oog op de met de onderneming gemoeide know-how, moet in dit geval prevaleren boven het belang van de ontvanger om op kortere termijn de belastingschulden te delgen door het uitwinnen van de zekerheidsrechten, aldus Visno c.s. Hiertoe voeren Visno c.s. aan dat de verwachting reëel is dat Visno c.s. binnenkort alle schulden, althans een groot deel daarvan, zullen kunnen voldoen. Ter onderbouwing hiervan stellen Visno c.s. dat de omzetcijfers over 2006 zijn verbeterd ten opzichte van 2005, dat Visno c.s. concreet uitzicht hebben op een orderportefeuille van ongeveer EUR 10.000.000,00 en dat een mogelijke opdrachtgever van Visno c.s., Nedcoal, een grote subsidie verwacht, waarna Visno c.s. een order verwacht van EUR 7.500.000,00. Voorts voeren Visno c.s. aan dat de ontvanger in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel door niet in te gaan op het aanbod van Visno c.s. op 13 maart 2006 tot verpanding van de vorderingen aan de ontvanger. In dit verband voeren Visno c.s. verder aan dat de executiewaarde van het bedrijfscomplex hoger ligt dan door de ontvanger wordt aangenomen. Ter onderbouwing hiervan hebben Visno c.s. een beroep gedaan op de voorgenomen verkoop aan Shurgard Nederland B.V. (hierna: Shurgard) van een deel van de grond waarop het bedrijfscomplex staat.

4.9. Voorop staat dat de ontvanger bij de uitoefening van zijn bevoegdheid ex artikel 3: 268 BW het door hem vertegenwoordigde algemeen belang (tot invordering van belastinggelden ten behoeve van de schatkist) moet afwegen tegen het belang van de individuele belastingplichtige. Daarbij mogen de nadelige gevolgen van de uitoefening van de bevoegdheid voor de belastingplichtige niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de uitoefening van de bevoegdheid te dienen doelen.

4.10. Met betrekking tot de verwachte orderportefeuille van ongeveer EUR 10.000.000,00 hebben Visno c.s. in hun dagvaardingen aangevoerd dat een deel ervan in april 2006 zou worden geëffectueerd, waarna de liquiditeitskrapte voorbij zou zijn en de banken naar de stellige verwachting van Visno c.s. extra krediet zouden willen verschaffen. Ook in het onder 2.9 bedoelde beroepschrift gaven Visno c.s. aan dat zij op het punt stonden om orders binnen te krijgen waardoor successievelijk een aantal financiële knelpunten zou worden opgelost. Voorts hebben Visno c.s. in hun dagvaardingen aangevoerd dat binnen enkele maanden subsidies werden verwacht. Naar de rechtbank begrijpt doelen Visno c.s. hier op subsidies voor het Nedcoal project.

4.11. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen, op 30 november 2006, gaven Visno c.s. (bij conclusie van antwoord in reconventie) aan dat de orderportefeuille EUR 947.000,00 bedroeg. De omzet over 2006 werd geprognotiseerd op ca. EUR 3.800.000,00 tegenover een omzet van ca. EUR 2.900.000,00 over 2005. Visno c.s. konden niet aangeven hoe hoog de winst over 2006 zou zijn. Voorts konden Visno c.s. geen concrete gegevens verschaffen met betrekking tot een eventueel extra krediet van de banken. Ook concrete gegevens, zoals data en exacte orders, met betrekking tot het project van het voormalige Nedcoal, welk project inmiddels na een doorstart was overgenomen door NewEnergy BV, ontbraken. Tot slot gaven Visno c.s. aan naar eigen verwachting nog ongeveer een jaar nodig te hebben om al hun schuldeisers, waaronder de ontvanger, te kunnen voldoen.

4.12. Een en ander leidt tot de conclusie dat de door Visno c.s. in hun dagvaardingen uitgesproken verwachting dat zij binnen enkele maanden al hun schulden, althans een groot deel daarvan, zouden kunnen voldoen, niet is uitgekomen. Bovendien konden Visno c.s. geen concrete gegevens (cijfers of data) verschaffen over aan de ontvanger te betalen aflossingen op de belastingschulden. In dit verband wordt voorts overwogen dat Visno c.s., naar de ontvanger onbetwist heeft gesteld, na de uitstelbeschikking geen betaling heeft gedaan op de oude schuld aan de ontvanger en de belastingverplichtingen over oktober, november en december 2005 onbetaald heeft gelaten.

4.13. In deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de ontvanger, die al een keer uitstel had verleend en zich bereid heeft getoond nog een uitstel te verlenen, zij het onder de voorwaarde dat Visno c.s. een bedrag van EUR 500.000,00 zouden betalen, bij zijn afweging van het algemeen belang tegen de belangen van Visno c.s. niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om zijn vordering te verhalen door middel van uitwinning van de zekerheidsrechten. Er is daarom geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel.

4.14. Met de ontvanger is de rechtbank van oordeel dat de ontvanger ook niet in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel door in het licht van de reeds gestelde en nader aangeboden zekerheidsrechten geen nader uitstel te verlenen. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

4.15. Vooropgesteld zij dat niet ter discussie staat dat de Leidraad voor het verlenen van uitstel als voorwaarde stelt dat de hoogte van de door de belastingschuldige verstrekte zekerheid gelijk is aan de schuld waarvoor uitstel wordt verleend. Het belang van deze voorwaarde is hierin gelegen dat de ontvanger niet - feitelijk - optreedt als oneigenlijke kredietverstrekker, hetgeen tot concurrentievervalsing zou leiden. Dat de ontvanger in het onderhavige geval aan deze voorwaarde dient vast te houden is niet in geschil. De discussie spitst zich toe op de vraag of de door Visno c.s. gestelde en aangeboden zekerheidrechten aan deze voorwaarde voldoen.

4.16. Met betrekking tot de reeds gestelde zekerheidsrechten overweegt de rechtbank als volgt. De ontvanger heeft een recht van zesde hypotheek, terwijl de vijf eerdere hypotheken zijn gevestigd voor een totaalbedrag van ca. EUR 3.500.000,00. Uit de brief van de heer N. Snoek van 14 november 2006 aan mr. Velema (productie 6 bij conclusie van antwoord in reconventie) blijkt dat hiervan nog een aanzienlijk bedrag openstaat. Visno c.s. hebben een brief van J. C. Jongejan van Hanson bedrijfsmakelaardij (hierna: Hanson) overgelegd van 28 februari 2005, waarin de toenmalige actuele waarde van het bedrijfscomplex bij vrijwillige en onderhandse verkoop in lege en ontruimde toestand is vastgesteld op EUR 3.750.000,00 kosten koper. De ontvanger heeft zich beroepen op een door hem in juli 2006 uitgevoerde taxatie waarin de executiewaarde is geschat op ca. EUR 2.275.000,00. Op basis van vergevorderde onderhandelingen met Shurgard over de verkoop van een deel van de grond van het bedrijfscomplex betogen Visno c.s. dat het bedrijfscomplex inmiddels een waarde vertegenwoordigt van EUR 9.800.000,00. Dit bedrag acht de rechtbank evenwel onvoldoende onderbouwd. In het licht van de eerdere taxaties had het immers op de weg van Visno c.s. gelegen om deze stelling, dat het bedrijfscomplex een waarde van EUR 9.800.000,00 vertegenwoordigt, nader te onderbouwen. Het enkele betoog van Visno c.s. dat een gedeelte van het bedrijfscomplex ter grootte van 900 m² wellicht voor een bedrag van EUR 1.050.000,00 verkocht zal gaan worden, zodat de grondwaarde van het resteerende gedeelte van circa 8.400 m² omgerekend EUR 9.800.000,00 zou bedragen, is daarvoor gelet op die taxaties onvoldoende. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat Visno c.s. niet hebben kunnen toelichten waarom zij geen extra krediet hebben gevraagd of verkregen bij de banken op basis van de gegevens met betrekking tot de voorgenomen verkoop aan Shurgard. De rechtbank gaat daarom aan de stelling van Visno c.s. als onvoldoende onderbouwd voorbij.

4.17. In het licht van de door hemzelf uitgevoerde taxatie en in het licht van de totale hypotheeklast en de plaats van de ontvanger als zesde hypotheekhouder, acht de rechtbank de vrees van de ontvanger dat de zekerheidrechten onvoldoende zekerheid bieden niet ongegrond.

4.18. Met betrekking tot het aanbod van Visno c.s. op 13 maart 2006 tot verpanding van de vorderingen aan de ontvanger, overweegt de rechtbank dat het hier naar de ontvanger onbetwist heeft gesteld ging om pandrechten op mogelijke toekomstige vorderingen. Met de ontvanger is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk pandrecht onvoldoende zekerheid biedt nu deze toekomstige vorderingen niet nader zijn geconcretiseerd.

4.19. Aangezien niet is komen vast te staan dat de gestelde en aangeboden zekerheidsrechten voldoende zekerheid bieden, heeft de ontvanger zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen verder uitstel wordt verleend. De vraag of de ontvanger tot uitwinning zou mogen overgaan indien vast zou staan dat de gestelde zekerheden voldoende waren, kan in het midden blijven.

conclusie

4.20. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat uitwinning van de zekerheidsrechten door de ontvanger in dit geval geen strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vorderingen in conventie zullen daarom in alle zaken worden afgewezen.

4.21. Itebe, Visno Machinefabriek, Visno Metaalbedrijf, Visno Montage en Visno Holding zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedures in conventie. Nu de ontvanger, gelet op het feit dat Visno c.s. aan elkaar gelieerde bedrijven zijn en de dagvaardingen in de vijf zaken (vrijwel) identiek zijn, heeft volstaan met een in alle zaken gelijkluidende conclusie van antwoord en er voorts in alle vijf de zaken één comparitie na antwoord heeft plaatsgevonden, begroot de rechtbank de kosten van deze proceshandelingen op EUR 904,00. Deze kosten zullen gelijkelijk worden verdeeld over de eiseressen in conventie. Voorts zullen de eiseressen in conventie ieder worden veroordeeld tot betaling van het door de ontvanger betaalde vast recht in de procedure waarin zij eiseres in conventie zijn. Dit vast recht bedraagt in iedere procedure EUR 248,00. Een en ander betekent dat Visno c.s. ieder zullen worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 428,80 aan proceskosten aan de ontvanger.

in voorwaardelijke reconventie

4.22. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de voorwaarden waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld niet vervuld, zodat de rechtbank aan behandeling van de reconventionele vorderingen niet toekomt.

5. De beslissing

De rechtbank

In conventie

in de zaak 06-514

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Itebe in de proceskosten, aan de zijde van de ontvanger tot op heden begroot op EUR 428,80,

5.3. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 06-515

5.4. wijst de vorderingen af,

5.5. veroordeelt Visno Machinefabriek in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op EUR 428,80,

5.6. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in de zaak 06-516

5.7. wijst de vorderingen af,

5.8. veroordeelt Visno Metaalbedrijf in de proceskosten, aan de zijde van de ontvanger tot op heden begroot op EUR 428,80,

5.9. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 06-517

5.10. wijst de vorderingen af,

5.11. veroordeelt Visno Montage in de proceskosten, aan de zijde van de ontvanger tot op heden begroot op EUR 428,80,

5.12. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 06-518

5.13. wijst de vorderingen af,

5.14. veroordeelt Visno Holding in de proceskosten, aan de zijde van de ontvanger tot op heden begroot op EUR 428,80,

5.15. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie in de zaken 06-514, 06-515, 06-516, 06-517 en 06-518

5.16. verstaat dat de voorwaarden waaronder de vorderingen in reconventie zijn ingesteld niet zijn vervuld.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker, mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2007.?