Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA0337

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
128398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident. Internationale bevoegdheid. Aan een vordering om voor recht te verklaren dat een overeenkomst is ontbonden, ligt de (te vervangen) verbintenis ten grondslag waarvan wordt gevorderd vast te stellen dat deze ontbonden is. Artikel 5 EEX-Vo is ook van toepassing op een dergelijke vordering. Op grond van artikel 5 lid 1 sub b EEX-Vo wordt voor wat betreft de koop van roerende zaken en voor wat betreft de geleverde diensten Zaandam aangemerkt als plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis in de hoofdzaak ten grondslag ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 128398 / HA ZA 06-1246

Vonnis in incident van 7 maart 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TEXAG AMSTERDAM B.V.,

handelende onder de naam BARRON RACING,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. M.R.H. Meijer,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

DAYTONA INVESTMENTS S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaten mrs. H.A.M. van Roessel en P.J.B. Heemskerk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Texag en Daytona genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte wijziging eis

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Feiten

2.1. Op 20 december 2003 heeft Texag aan Daytona een factuur gestuurd met factuurnummer 52 voor de levering van een Ferrari Formule 1 1992-132 ten bedrage van € 200.000,00 en voor de levering van een Ferrari Formule 1 2000- 200 ten bedrage van € 1.300.000,00.

1.2. Op 20 december 2005 heeft Texag aan Daytona een factuur gestuurd met factuurnummer 93 waarop staat:

“Correctie op factuur [...]052 van 20-12-2003:

Verkoop auto’s [...]

Betreft Ferrari F1 2000, chassisnummer 200.

Totaal factuurbedrag EUR 400.000,00”

1.3. Op 28 februari 2006 heeft Texag aan Daytona bij factuur met factuurnummer 102 gefactureerd een bedrag van € 17.850,00. Op de factuur staat vermeld dat het betreft ‘Commissie verkopen Bucciali C.Huet

Zoals afgesproken met Bosch Senior’.

1.2. Op 28 februari 2006 heeft Texag aan Daytona bij factuur met factuurnummer 103 gefactureerd een bedrag van € 148.750,00. Op de factuur staat vermeld dat het betreft ‘Commissie verkoop Bucciali 5%

Zoals afgesproken met Bosch Senior’.

1.5. Op 7 juni 2006 heeft Texag aan Daytona bij factuur met factuurnummer 117 gefactureerd een bedrag van € 95.200,00. Op de factuur staat vermeld dat het betreft ‘Commissie verkoop 5% Ferrari 312 PB’.

1.6. Op 7 juni 2006 heeft Texag aan Daytona bij facturen met de nummers 114, 115 en 116 bedragen gefactureerd van respectievelijk € 21.925,75, € 21.925,75 en € 87.703,00 voor stallingskosten over respectievelijk het eerste kwartaal 2006, het tweede kwartaal 2006 en alle vier de kwartalen van 2005.

1.2. Met daartoe verkregen verlof heeft Texag op 7 augustus 2006 beslag gelegd op negen aan Daytona toebehorende auto’s van het merk Ferrari die gestald zijn bij het bedrijf van Texag in Zaandam.

1.8. Bij brief d.d. 3 augustus 2006 heeft Texag aan Daytona onder meer geschreven:

“Zoals u weet hebben wij op 20 december 2003 en 20 december 2005 aan Daytona Investments S.A., 2 facturen gestuurd m.b.t. de verkoop van 2 Formule 1 auto’s, [...] ter waarde van totaal 1.900.000,00 Euro [...]. [...] Deze zijn tot nu toe onbetaald gebleven.

[...]

Dienaangaande dit ingenomen standpunt, moet ik u helaas verzoeken tot betaling van bovengenoemd bedrag en wel binnen 10 werkdagen na briefdatum.

Wanneer de betaling van bovengenoemd bedrag niet binnen de in deze brief gestelde termijn op ons bankrekeningnummer 37.41.81.411 is binnengekomen, zien wij de koop als niet gedaan en beschouwen de Formule 1 auto’s weer als ons eigendom.”

3. Vordering in de hoofdzaak

3.1. Texag vordert, na eiswijziging, - samengevat - in de hoofdzaak

- veroordeling van Daytona tot betaling van de facturen met de nummers 102, 103 en 117 betreffende de bemiddeling bij de verkoop van aan Daytona in eigendom toebehorende auto’s,

- veroordeling van Daytona tot betaling van de facturen met de nummers 114, 115 en 116 betreffende onderhoud en stallingskosten, en

- een verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst betreffende de twee Ferrari’s is ontbonden door de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring d.d. 3 augustus 2006.

4. De beoordeling in het incident

4.1. Daytona vordert dat de rechtbank Texag niet-ontvankelijk zal verklaren met veroordeling van Texag, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure. Uit de inhoud van de te dien aanzien door Daytona aangevoerde stellingen begrijpt de rechtbank echter dat Daytona vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Aldus heeft Texag de incidentele vordering, naar uit de stellingen van Texag valt op te maken, ook begrepen. Texag voert tegen de incidentele vordering verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.2. Texag heeft haar vorderingen in de hoofdzaak gebaseerd op drie overeenkomsten, te weten een bemiddelingsovereenkomst, een overeenkomst tot stalling en onderhoud van aan Daytona in eigendom toebehorende auto’s en een koopovereenkomst met betrekking tot twee Ferrari’s. Hoewel Daytona het bestaan van deze overeenkomsten betwist, heeft zij zich - terecht - op het standpunt gesteld dat die betwisting voor de beoordeling van het onderhavige bevoegdheidsincident niet ter zake doet. De rechtbank gaat dan ook voor de beoordeling van het bevoegdheidsincident voorshands uit van het bestaan van voornoemde overeenkomsten. Aangezien elk van de drie overeenkomsten op zichzelf staat, zal in het hierna volgende per overeenkomst worden beoordeeld of de rechtbank bevoegd is om van de daarop gebaseerde vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen.

4.3. De bevoegdheid van de rechtbank moet in dit geval worden beoordeeld aan de hand van de EEX-Verordening (44/2001) (hierna: EEX-Vo), nu het geschil zowel materieel als formeel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt. Artikel 5 lid sub a EEX-Vo geeft een naast de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo bestaande alternatieve bevoegdheid, inhoudende dat de verweerder ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

Koopovereenkomst Ferrari’s

4.4. Daytona heeft betoogd dat de rechtbank haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan artikel 5 EEX-Vo. Volgens Daytona is ingevolge artikel 2 EEX-Vo enkel de rechtbank in Luxemburg bevoegd van dit gedeelte van de vordering kennis te nemen.

4.5. Daytona heeft aan haar betoog primair ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een eis waaraan een verbintenis ten grondslag ligt, maar van een eis om juist datgene uit te spreken waar geen verbintenis aan ten grondslag ligt, namelijk een verklaring voor recht dat een beweerdelijke overeenkomst is ontbonden. Onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage d.d. 22 januari 1998 (NJ 1999,163) en een uitspraak van het Hof van Justitie EG d.d. 27 september 1988 (NJ 1990, 425) voert Daytona aan dat het restrictieve karakter van artikel 5 EEX-Vo geen grond biedt waarop de rechtbank zich bevoegd zou mogen verklaren.

4.6. Dit betoog faalt. Alvorens te kunnen vaststellen of een overeenkomst al dan niet is ontbonden, dient vooreerst te worden uitgegaan van het bestaan daarvan. Anders dan Daytona heeft betoogd, ligt derhalve in zijn algemeenheid aan een vordering om voor recht te verklaren dat een overeenkomst is ontbonden de (te vervangen) verbintenis ten grondslag waarvan wordt gevorderd vast te stellen dat deze ontbonden is. Gelet daarop is in beginsel artikel 5 EEX-Vo ook van toepassing op een dergelijke vordering. Aldus kan er voorshands van worden uitgegaan dat aan de betreffende eis in de hoofdzaak de koopovereenkomst betreffende de twee Ferrari’s ten grondslag ligt, meer in het bijzonder de verplichting tot betaling van de koopprijs. De vergelijking van de onderhavige zaak met de door Daytona aangehaalde uitspraken van het Hof ’s-Gravenhage en het Hof van Justitie EG gaat mank, omdat deze zaken betreffen de toepasselijkheid van artikel 5 lid 3 van het EEX-Verdrag, welke bepaling ziet op verbintenissen uit onrechtmatige daad. Daarvan is in dit geval geen sprake.

4.7. Subsidiair heeft Daytona aangevoerd dat, nu Texag een verklaring voor recht vordert, niet duidelijk is waar de plaats van uitvoering van die verbintenis is en dat daar naar de aard van de vordering ook geen specifieke plaats voor is aan te wijzen. Volgens Daytona blijkt uit de uitspraak van het Hof van Justitie EG d.d. 19 februari 2002 (Besix vs Kretzschmar, NJ 2004, 159) dat indien voor een verbintenis niet één enkele plaats van uitvoering bestaat, maar een keuze kan worden gemaakt uit meerdere gelijkwaardige plaatsen van uitvoering, toepassing van artikel 5 lid 1 EEX-Vo is uitgesloten. Nu blijkt dat artikel 5 EEX-Vo geen uitkomst kan bieden, dient men voor de bevoegdheid terug te vallen op de hoofdregel als verwoord in artikel 2 EEX-Vo, aldus Daytona.

4.8. Ook dit betoog faalt. Op de tussen partijen gesloten koopovereenkomst betreffende de Ferrari’s is artikel 5 lid 1 sub b EEX-Vo van toepassing, nu het hier betreft de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken. Op grond van deze bepaling geldt voor de toepassing van artikel 5 lid 1 EEX-Vo als plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, steeds de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de koopovereenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden, tenzij partijen ten aanzien van een bepaalde verbintenis een plaats van uitvoering hebben afgesproken. Dit geldt ongeacht of de eis strekt tot betaling van de koopprijs, tot levering van de verkochte zaken of tot nakoming van enige andere (vervangende) verbintenis die uit de koopovereenkomst voortvloeit, waaronder eveneens dient te worden begrepen een vordering die strekt tot een verklaring voor recht dat een overeenkomst is ontbonden.

4.9. Texag heeft aangevoerd dat de auto’s aan Daytona verkocht zijn en dat de levering op grond van de overeenkomst had moeten plaatsvinden in Zaandam. Bij gebreke van enige andersluidende stelling van Daytona dienaangaande dan wel enige aanwijzing in het dossier

dat partijen een andere plaats van levering dan wel van uitvoering van de betalingsverplichting van Daytona hebben afgesproken, geldt op grond van artikel 5 lid 1 sub b EEX-Vo Zaandam als de plaats van uitvoering van de verbintenis die Texag aan haar eis ten grondslag legt.

4.10. Gezien het voorgaande is de rechtbank Haarlem op grond van artikel 5 lid 1 EEX-Vo bevoegd kennis te nemen van de vordering tot verklaring voor recht dat de koopovereenkomst ontbonden is. De vordering tot onbevoegdverklaring zal derhalve worden afgewezen voor zover deze ziet op dit deel van het gevorderde.

Overeenkomst tot stalling en onderhoud

4.11. Daytona heeft betoogd dat de prestatie waarvan nakoming wordt gevorderd, de betaling van facturen, uitgevoerd zal moeten worden in Amsterdam, zijnde de statutaire zetel van Texag, zodat artikel 5 lid 1 EEX-Vo geen grond biedt voor de bevoegdheid van de rechtbank Haarlem.

4.12. Dit betoog faalt eveneens. Partijen zijn overeengekomen dat Texag in opdracht van Daytona aan Daytona in eigendom toebehorende auto’s zou stallen op haar bedrijf in Zaandam en dat Texag deze auto’s tevens aldaar zou onderhouden. Een dergelijke overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot het verstrekken van diensten. Voor de verstrekking van diensten geldt ingevolge artikel 5 lid 1 sub b EEX-Vo dat voor de toepassing van artikel 5 lid 1 EEX-Vo als plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, steeds geldt de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden, tenzij partijen ten aanzien van een bepaalde verbintenis een plaats van uitvoering hebben afgesproken. De rechter van de plaats waar de diensten verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden, is bevoegd om kennis te nemen van alle geschillen over de desbetreffende overeenkomst. Daaronder is onder meer begrepen een geschil als het onderhavige over de betaling van verstrekte diensten. Aangezien niet in geschil is dat de diensten in dit geval werden verstrekt in Zaandam, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat partijen ten aanzien van de betalingsverplichting van Daytona een andere plaats van uitvoering hebben afgesproken, is de rechtbank Haarlem bevoegd.

4.13. De vordering tot onbevoegdverklaring zal derhalve eveneens worden afgewezen voor zover deze ziet op de overeenkomst tot betaling van de facturen voor stalling en onderhoud.

Overeenkomst tot bemiddeling

4.14. Ten aanzien van de door Texag gevorderde betaling van facturen die betrekking hebben op de overeenkomst tot bemiddeling bij de verkoop van aan Daytona toebehorende auto’s, heeft Daytona eveneens aangevoerd dat deze prestatie uitgevoerd zal moeten worden in Amsterdam, zijnde de statutaire zetel van Texag, zodat artikel 5 lid 1 EEX-Vo geen grond biedt voor de bevoegdheid van de rechtbank Haarlem.

4.15. Een bemiddelingsovereenkomst is een overeenkomst tot het verstrekken van diensten. Zoals hiervoor sub 4.12 is overwogen, is voor de vraag welke rechter bevoegd is om van de vordering tot betaling van facturen naar aanleiding van verstrekte diensten kennis te nemen bepalend de plaats waar deze diensten verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Uit hetgeen Texag heeft aangevoerd, volgt dat de verbintenis tot het bemiddelen bij de verkoop van een auto door Texag is uitgevoerd in Zaandam. Bij gebreke van enige andersluidende stelling van de zijde van Daytona dienaangaande, gaat de rechtbank er vanuit dat Texag haar bemiddelingsdiensten in Zaandam heeft verleend. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat partijen ten aanzien van de betalingsverplichting van Daytona een andere plaats van uitvoering hebben afgesproken is de rechtbank op grond van artikel 5 lid 1 sub b EEX-Vo bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

4.16. Gelet op het voorgaande zal de vordering tot onbevoegdverklaring eveneens worden afgewezen voor zover deze ziet op de overeenkomst tot bemiddeling bij de verkoop van auto’s die in eigendom aan Daytona toebehoorden.

4.17. Daytona zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt Daytona in de kosten van het incident, aan de zijde van Texag tot op heden begroot op EUR 452,00,

in de hoofdzaak

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 april 2007 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2007.?