Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ9749

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
15/660485-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van witwassen. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De uit de bewijsmiddelen gebleken omstandigheden, gecombineerd met het gegeven dat verdachte noch zijn medeverdachten een (aannemelijke) verklaring hebben gegeven over de herkomst van dit geld, maken dat de rechtbank bewezen acht dat het geld van misdrijf afkomstig is. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat verdachtes rol in het geldtransport zo minimaal was, dat medeplegen noch medeplichtigheid bewezen kan worden. Voor wat betreft de rol van verdachte is de rechtbank van oordeel dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt dat verdachtes rol zodanig was dat hij als medepleger aangemerkt dient te worden. Er is sprake geweest van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, dat verdachte als medepleger aangemerkt moet worden. Het gegeven dat verdachte niet zelf als koerier heeft gefungeerd doet daar niet aan af. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een aantal getuigen te horen. Voor zover de verzoeken tot het horen van medeverdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] betrekking hebben op datgene wat zij ter zitting hebben verklaard met betrekking tot de rol van verdachte, heeft verdachte geen belang bij het horen van deze personen aangezien de rechtbank de ter zitting door de medeverdachten afgelegde verklaringen niet in haar oordeel heeft betrokken. Voor zover de raadsman medeverdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] daarbuiten wil horen, wijst de rechtbank het verzoek eveneens af nu dit niet noodzakelijk is voor enig door de rechtbank te nemen beslissing. Zie ook AZ9747, AZ9748, AZ9751 en AZ9752.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Vestiging Schiphol

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/660485-07

Uitspraakdatum: 1 maart 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 17 augustus 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 600.000 euro), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

SUBSIDIAIR:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] op of omstreeks 17 augustus 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 600.000 euro), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl voornoemde [medeverdachte 1] en/of zijn mededaders wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de

periode van 16 augustus 2006 tot en met 17 augustus 2006 te Amsterdam en/of Den Helder en/of Schiphol, gemeenste Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door

- (op 16 augustus 2006) voornoemde [medeverdachte 3] met de auto op te halen van haar woning te Den Den Helder en/of

- (vervolgens) die [medeverdachte 3] naar de woning van [medeverdachte 2] te brengen (alwaar in de koffer van voornoemde [medeverdachte 3] een geldbedrag (van 150.000 euro) werd gestopt) en/of

- (vervolgens) met voornoemde [medeverdachte 3] in een hotel te verblijven en/of

- (vervolgens) voornoemde [medeverdachte 3] ('s ochtends) weer naar de woning van [medeverdachte 2] te brengen en/of

- (op 17 augustus 2006) voornoemde [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] met de auto naar Schiphol te brengen;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken aangezien niet bewezen kan worden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat verdachtes rol in het geldtransport zo minimaal was, dat medeplegen noch medeplichtigheid bewezen kan worden, zodat verdachte ook om die reden zou moeten worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt het eerste verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende. Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende:

- de vier koeriers hadden een zeer grote hoeveelheid geld (€ 600.000,-) in contanten bij zich;

- dit geld was verborgen in kinderspeelgoed dat als cadeautje was verpakt;

- deze cadeautjes waren verstopt tussen de kleding in de door de koeriers als ruimbagage meegevoerde koffers;

- de koeriers moesten als koppeltjes reizen omdat zij dan minder zouden opvallen;

- de koeriers zouden ieder een beloning krijgen voor het transport van dit geld vanuit Nederland naar Venezuela.

Deze omstandigheden, gecombineerd met het gegeven dat verdachte noch zijn medeverdachten een (aannemelijke) verklaring hebben gegeven over de herkomst van dit geld, maken dat de rechtbank bewezen acht dat het geld van misdrijf afkomstig is.

Voor wat betreft de rol van verdachte is de rechtbank van oordeel dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt dat verdachtes rol zodanig was dat hij als medepleger aangemerkt dient te worden. Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij wist dat er geld getransporteerd moest worden naar Venezuela en dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich hiermee bezig hield. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte 1] koffers is gaan kopen en dat hij deze in zijn auto heeft getransporteerd naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 7]. Daarnaast heeft hij op de avond voor het vertrek één van de koeriers, medeverdachte [medeverdachte 3], thuis opgehaald en naar de andere medeverdachten gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij wist, toen hij [medeverdachte 3] ophaalde, dat zij afspraken had met verdachte [medeverdachte 1] over het transport van het geld. Daarnaast heeft verdachte de volgende dag twee koeriers, medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], met de auto naar Schiphol gebracht. Opvallend is voorts dat hoofdverdachte [medeverdachte 1], nadat zijn koffers op Schiphol waren gestolen, juist verdachte belt om dat te melden. Daarnaast heeft [medeverdachte 1], nadat de koeriers door de marechaussee uit het vliegtuig waren gehaald, verdachte gebeld om te zeggen: “Ze zijn gepakt”. De rechtbank ziet niet hoe die twee telefoontjes te rijmen zouden zijn met de zeer ondergeschikte rol die verdachte volgens de raadsman zou hebben gespeeld. Het voorgaande, bij elkaar genomen, is voldoende om bewezen te achten dat er sprake is geweest van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, dat verdachte als medepleger aangemerkt moet worden. Het gegeven dat verdachte niet zelf als koerier heeft gefungeerd doet daar niet aan af.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank niet tot een vrijspraak zou komen, heeft de raadsman verzocht om de volgende medeverdachten als getuigen te horen: [medeverdachte 7], [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Naar aanleiding van het door de officier van justitie ter zitting overgelegde proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], waarin deze verklaart dat medeverdachte [medeverdachte 1] tegen haar gezegd zou hebben dat hij drugs importeert vanuit Venezuela, heeft de raadsman gesteld dat hij ook deze [aangeefster] als getuige wil horen.

Voor zover de verzoeken tot het horen van medeverdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] betrekking hebben op datgene wat zij ter zitting hebben verklaard met betrekking tot de rol van verdachte, heeft verdachte geen belang bij het horen van deze personen aangezien de rechtbank de ter zitting door de medeverdachten afgelegde verklaringen niet in haar oordeel heeft betrokken. Voor zover de raadsman medeverdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] daarbuiten wil horen, wijst de rechtbank het verzoek eveneens af nu dit niet noodzakelijk is voor enig door de rechtbank te nemen beslissing. Ook het verzoek om medeverdachte [medeverdachte 3] te horen wijst de rechtbank af omdat dit niet nodig is voor enig door de rechtbank te nemen beslissing. De bewezenverklaring is immers grotendeels gegrond op het aantreffen van het geld bij de medeverdachten en op de eigen verklaringen van verdachte, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat deze eigen verklaring niet op essentiële punten afwijkt van hetgeen de medeverdachten tot op heden hebben verklaard. Voor wat betreft aangeefster [aangeefster] overweegt de rechtbank dat verdachte niet zal zijn geschaad in zijn belangen als zij niet wordt gehoord, omdat de rechtbank het door de officier overgelegde proces-verbaal niet als bewijsmiddel zal gebruiken.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

Primair:

hij op 17 augustus 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 600.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van witwassen

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties en van overige beslissingen

Hoofdstraf

De officier van justitie vordert dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 23 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast een geldboete van 5.000 euro.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen gepoogd een groot bedrag aan crimineel geld het land uit te brengen. Verdachte heeft daarbij op verzoek van de hoofdverdachte diverse handelingen verricht zoals hiervoor onder 3.1 aangegeven. Op deze wijze heeft hij niet alleen meegewerkt aan het beoogde geldtransport maar hij heeft er ook voor gezorgd dat hij zelf op het eerste oog buiten beeld zou blijven.

Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het is bovendien een essentieel onderdeel van de georganiseerde criminaliteit rondom onder meer de handel in verdovende middelen: zonder het witwassen van de opbrengsten zou deze handel niet kunnen bestaan. Verdachte is daaraan voorbij gegaan. De rechtbank rekent hem dat zwaar aan.

De officier van justitie heeft zijn eis gerelateerd aan de straffen die voor drugskoeriers gelden. De rechtbank gaat er, gelet op de omstandigheden waaronder het geld werd vervoerd en gelet op de bestemming van het geld, Venezuela, met de officier van justitie van uit dat het geld afkomstig is van drugshandel. De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf echter het volgende. Enerzijds ziet de rechtbank een maatschappelijke ontwikkeling waarbij meer aandacht is gekomen voor een ander aspect van drugshandel, namelijk het geld dat daarmee wordt verdiend en het witwassen daarvan. Het belang van deze kant van de drugshandel voor criminelen blijkt uit het gegeven dat de beloning voor geldkoeriers op hetzelfde niveau ligt als die welke aan de koeriers van de drugs wordt geboden. De rechtbank is zich bewust van de sterke samenhang met de drugshandel en daarmee van de ernst van het feit. Anderzijds constateert de rechtbank een verschil in de hoogte van de strafbedreiging die geldt voor enerzijds de handel in drugs en anderzijds het witwassen van geld dat afkomstig is uit criminele handelingen. Ten aanzien van de grensoverschrijdende handel in drugs geldt een strafmaximum van twaalf jaren gevangenisstraf. De wetgever heeft bij de strafmaat voor het witwassen gekozen voor een strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de hoofdstraf heeft rechtbank rekening gehouden met dit verschil in strafmaxima. Indien de samenleving vanwege de ernst en laakbaarheid van het witwassen het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf verlangt, dan ligt het op de weg van de wetgever op deze veranderende maatschappelijke opvatting te reageren.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. Zij zal daarnaast een voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen om de ernst van het feit te benadrukken en om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht artikelen 9, 14a, 14b, 22c, 22d, 47 en 420bis.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van tweehonderdenveertig (240) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Kingma, voorzitter,

mrs. Vos-de Greeve en Burg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Blaas,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 maart 2007.

Mr. Vos-de Greeve is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.