Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ9747

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
15/501138-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van witwassen; hoofdverdachte. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken aangezien niet bewezen kan worden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De uit de bewijsmiddelen gebleken omstandigheden, gecombineerd met het gegeven dat verdachte noch zijn medeverdachten een (aannemelijke) verklaring hebben gegeven over de herkomst van dit geld, maken dat de rechtbank bewezen acht dat het geld van misdrijf afkomstig is. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de rechtbank de aangifte van [aangeefster] of de verklaring van [betrokkene] als bewijsmiddel wil gebruiken, hij deze personen als getuige wil horen. De rechtbank overweegt dat bovengenoemde aangifte en verklaring niet voor het bewijs zullen worden gebruikt zodat het hierop betrekking hebbende verzoek tot het horen van de getuigen bij gebreke van belang wordt verworpen. Zie ook AZ9748, AZ9749, AZ9751 en AZ9752.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Vestiging Schiphol

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/501138-06

Uitspraakdatum: 1 maart 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

met als postadres [postadres],

overigens zonder vast woon- of verblijfadres in Nederland,

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 17 augustus 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 600.000 euro), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken aangezien niet bewezen kan worden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende. Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende:

- de vier koeriers hadden een zeer grote hoeveelheid geld (€ 600.000,-) in contanten bij zich;

- dit geld was verborgen in kinderspeelgoed dat als cadeautje was verpakt;

- deze cadeautjes waren verstopt tussen de kleding in de door de koeriers als ruimbagage meegevoerde koffers;

- de koeriers moesten als koppeltjes reizen omdat zij dan minder zouden opvallen;

- de koeriers zouden ieder een beloning krijgen voor het transport van dit geld vanuit Nederland naar Venezuela.

Deze omstandigheden, gecombineerd met het gegeven dat verdachte noch zijn medeverdachten een (aannemelijke) verklaring hebben gegeven over de herkomst van dit geld, maken dat de rechtbank bewezen acht dat het geld van misdrijf afkomstig is.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de rechtbank de aangifte van [aangeefster] of de verklaring van [betrokkene] als bewijsmiddel wil gebruiken, hij deze personen als getuige wil horen.

De rechtbank overweegt dat bovengenoemde aangifte en verklaring niet voor het bewijs zullen worden gebruikt zodat het hierop betrekking hebbende verzoek tot het horen van de getuigen bij gebreke van belang wordt verworpen.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

hij op 17 augustus 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 600.000 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van witwassen

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 Hoofdstraf

De officier van justitie vordert dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen gepoogd een groot bedrag aan crimineel geld het land uit te brengen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het is bovendien een essentieel onderdeel van de georganiseerde criminaliteit rondom onder meer de handel in verdovende middelen: zonder het witwassen van de opbrengsten zou deze handel niet kunnen bestaan.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bij het geldtransport een leidinggevende en organiserende rol heeft vervuld. Verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard. Hij is vanuit Venezuela naar Nederland gekomen met de opdracht om een geldtransport te regelen. Vervolgens heeft verdachte in Nederland koeriers geregeld en heeft met verschillende van hen besprekingen gevoerd. Daarnaast heeft hij de vliegtickets betaald en de koffers voor de koeriers gekocht. Het geld dat de koeriers mee moesten nemen is bij verdachte afgeleverd. Hij heeft er vervolgens voor gezorgd dat de pakketjes met geld in de koffers werden gepakt en hij heeft op Schiphol aan verschillende koeriers hun beloningen uitbetaald. Gezien de leidinggevende en organiserende rol van verdachte zal hem een zwaardere straf worden opgelegd dan aan zijn medeverdachten.

De aan verdachte op te leggen straf is lager dan de eis van de officier in verband met het volgende. De officier van justitie heeft zijn eis gerelateerd aan de straffen die voor grensoverschrijdende drugstransporten gelden. De rechtbank gaat er, gelet op de omstandigheden waaronder het geld werden vervoerd en gelet op de bestemming van het geld, Venezuela, met de officier van justitie van uit dat het geld afkomstig is van drugshandel. De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf echter het volgende. Enerzijds ziet de rechtbank een maatschappelijke ontwikkeling waarbij meer aandacht is gekomen voor een ander aspect van drugshandel, namelijk het geld dat daarmee wordt verdiend en het witwassen daarvan. Het belang van deze kant van de drugshandel voor criminelen blijkt ook uit het gegeven dat de beloning voor geldkoeriers op hetzelfde niveau ligt als die welke aan de koeriers van de drugs wordt geboden. De rechtbank is zich bewust van de sterke samenhang met de drugshandel en daarmee van de ernst van het feit. Anderzijds constateert de rechtbank een verschil in de hoogte van de strafbedreiging die geldt voor enerzijds de handel in drugs en anderzijds het witwassen van geld dat afkomstig is uit criminele handelingen. Ten aanzien van de grensoverschrijdende handel in drugs geldt een strafmaximum van twaalf jaren gevangenisstraf. De wetgever heeft bij de strafmaat voor het witwassen gekozen voor een strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de hoofdstraf heeft rechtbank rekening gehouden met dit verschil in strafmaxima. Indien de samenleving vanwege de ernst en laakbaarheid van het witwassen het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf verlangt, dan ligt het op de weg van de wetgever op deze veranderende maatschappelijke opvatting te reageren.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te begaan.

6.2. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedrag van 7.380 euro dient te worden verbeurd verklaard. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat geld is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht artikelen 14a, 14b, 33a, 33b, 47 en 420bis.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot drie (3) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: geld 7.380 euro.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Burg, voorzitter,

mrs. Vos-de Greeve en Kingma, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Blaas,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 maart 2007.

Mr. Vos- de Greeve is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.