Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ9162

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
15/685145-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte. Verdachte heeft zich derhalve binnen een periode van enkele dagen schuldig gemaakt aan een gewapende overval en de voorbereiding van een tweede overval. Dit zijn ernstige misdrijven die behoren tot een categorie strafbare feiten die een grove inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, meer in het bijzonder bij de directe slachtoffers. Slachtoffers van dergelijke feiten lijden vaak langdurig onder de psychische gevolgen van zo'n traumatische gebeurtenis. Zie ook AZ9159, AZ9161, AZ9163 en AZ9164.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/685145-06

Uitspraakdatum: 20 februari 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzittingen van 30 januari 2007 en 6 februari 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

(incident 5)

hij op 13 augustus 2006 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 1.143,75 euro, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en/of zijn mededader

- met bivakmutsen op Café '[café A]' zijn binnengelopen en

- aan die [slachtoffer 1] en de bezoekers van café '[café A]' een vuurwapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben getoond en

- vervolgens dit vuurwapen heeft doorgeladen en

- hebben geroepen "allemaal op de grond!" en "alle telefoons weg!" en

- vervolgens een vuurwapen heeft gericht en gericht gehouden op die [slachtoffer 1] en

- vervolgens heeft gevraagd om geld en

- vervolgens, nadat die [slachtoffer 1] geld uit de kassa in een door hem opengehouden plastic tasje had gestopt, dreigend heeft geroepen "meer! meer!" en "sneller! sneller!" en

- heeft geroepen om de kluis;

2.

(incident 8)

hij op of omstreeks 09 december 2005 te Haarlem een mobiele telefoon, merk Sony Ericsson, kleur oranje, model W800i, heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die mobiele telefoon wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

(incident 12)

hij in de periode van 17 augustus 2006 tot en met 20 augustus 2006 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging (artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2º van het Wetboek van Strafrecht) dan wel afpersing in vereniging (artikel 317 lid 1 en lid 3 in samenhang met artikel 312 lid 2 onder 2º van het Wetboek van Strafrecht) opzettelijk

- auto's, merk Ford type Escort of merk Volkswagen type Lupo en merk Volkswagen type Golf, en

- een pistool of een neppistool en

- een mes en

- bivakmutsen,

kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft voorhanden gehad, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders toen aldaar

- met een auto, Volkswagen type Golf, met daarin dat pistool of dat neppistool en dat mes en die bivakmutsen postgevat voor de woning van [slachtoffer 2] om die [slachtoffer 2] bij thuiskomst op te wachten en

- gelijktijdig met een andere auto, Ford type Escort of Volkswagen type Lupo, postgevat voor [restaurant A] om te bekijken of en wanneer die [slachtoffer 2] daar zou vertrekken en

- vervolgens onderling van positie gewisseld en aldus de observatie voortgezet.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3.1 bewezenverklaarde heeft begaan op grond van met name de volgende bewijsmiddelen:

(...)

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2.

opzetheling;

3.

medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweldpleging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen of medeplegen van voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, Jeugdreclassering, met daarbij de opdracht aan die instelling tot het verlenen van hulp en steun. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van

– het vanwege de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord-Holland, Locatie Haarlem uitgebrachte rapport van 7 september 2006;

– het vanwege Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Haarlem uitgebrachte briefrapport van 19 september 2006;

– het vanwege Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Haarlem uitgebrachte plan van aanpak, tevens voorlichtingsrapport van 11 november 2006;

– de vanwege Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Haarlem uitgebrachte briefrapportage van 23 januari 2007.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in augustus 2006 samen met anderen een gewapende overval gepleegd op café “[café A]”. Met een van zijn mededaders is hij rond middernacht met een bivakmuts op het café ingegaan en binnen hebben zij de aanwezigen bedreigd met een vuurwapen en een niet van een echt vuurwapen te onderscheiden neppistool. De mededader van verdachte heeft zijn vuurwapen in het café doorgeladen en, terwijl hij dat vuurwapen had gericht op de barvrouw, op dreigende toon geld uit de kassa geëist. Bij deze overval hebben verdachte en zijn mededaders ruim 1100 euro buitgemaakt.

Enkele dagen na deze overval is verdachte betrokken geweest bij de voorbereiding van een gewapende overval in een woning. Hij heeft, samen met zijn mededaders, in een auto voor de woning gepost in afwachting van de thuiskomst van het beoogde slachtoffer en uit het dossier blijkt dat verdachte een van degenen was die de overval zou moeten gaan uitvoeren. In die auto waren bivakmutsen, een mes en een (nep)pistool aanwezig. Deze voorwerpen zouden bij de overval gebruikt gaan worden. Verdachte en zijn mededaders hebben zich van het voorbereiden van deze overval, die in de woning van het beoogde slachtoffer zou plaatsvinden, niet laten weerhouden door het feit dat naar zij wisten het slachtoffer met zijn vrouw en kinderen daar woonde. Dat deze overval uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, is waarschijnlijk slechts te danken aan het feit dat verdachte en zijn mededaders het beoogde slachtoffer die avond niet hebben gezien.

Verdachte heeft zich derhalve binnen een periode van enkele dagen schuldig gemaakt aan een gewapende overval en de voorbereiding van een tweede overval. Dit zijn ernstige misdrijven die behoren tot een categorie strafbare feiten die een grove inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, meer in het bijzonder bij de directe slachtoffers. Slachtoffers van dergelijke feiten lijden vaak langdurig onder de psychische gevolgen van zo'n traumatische gebeurtenis. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan de opzetheling van een mobiele telefoon.

Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat verdachte zich onder druk gezet voelde door medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte is daardoor wellicht tot handelingen gekomen die hij uit zichzelf niet zou hebben gepleegd. Dit neemt echter niet weg dat verdachte zelf verantwoordelijk is voor zijn daden en het uiteindelijk zijn eigen keuze is geweest het café binnen te gaan en de overval te plegen en zich niet te distantiëren van de voorbereiding van de tweede overval.

Tot slot neemt de rechtbank bij de beslissing over de op te leggen straf in aanmerking dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de aldaar besproken rapportages is gebleken dat verdachte sinds de nachtdetentie en daarop volgende schorsing van de voorlopige hechtenis een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt door te starten met een opleiding.

Hoewel de ernst van de bewezenverklaarde feiten een straf als door de officier van justitie geëist rechtvaardigt, zal de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De rechtbank is voorts van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht art. 46, 47, 77a, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 312, 317, 416.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van tweehonderd (200) dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot honderdveertien (114) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Haarlem, thans in de persoon van [medewerker jeugdreclassering].

Geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde tevens aan bovengenoemde instelling de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van tweehonderd (200) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door honderd (100) dagen jeugddetentie.

De taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Bijvoet, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. Donders en Van Mierlo, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier drs. Kaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2007.