Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ8527

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
06-12376
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker is van de ene op de andere dag geschorst omdat verweerder een financieel onderzoek liet uitvoeren en omdat de OR geen vertrouwen meer had in verzoeker als MT-lid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voor de schorsing een ontoereikende feitelijke grondslag bestaat en dat verzoekers belangen onvoldoende zijn meegewogen. De schorsing kan, gelet op de jurisprudentie, de rechterlijke toetsing niet doorstaan. Het besluit tot schorsing wordt geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2007, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 12376 AW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 januari 2007

in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.M.L.B. Rensen-van Wissen, advocaat te Alkmaar,

tegen:

het algemeen bestuur van De Meergroep,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.N.M. Groen, advocaat te Amsterdam,

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2006, verzonden op 29 november 2006, heeft de algemeen directeur ad interim van De Meergroep verzoeker met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de organisatie.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 11 december 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 december 2006 heeft hij de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 januari 2007, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.L.B. Rensen-van Wissen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.N.M. Groen. Tevens waren ter zitting aanwezig A.Verkaik, H. Hovestad en D. Slofstra.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker is vanaf 1 mei 1987 als ambtenaar bij verweerder aangesteld, laatstelijk in de functie van [functienaam]. In deze functie was verzoeker lid van het zogeheten managementteam (MT). Nadat de accountant Deloitte onduidelijkheden in de administratie had aangetroffen, heeft verweerder het Instituut Financieel Onderzoek (IFO) verzocht een nader onderzoek in te stellen. Het IFO is hiermee begin november 2006 begonnen. De (voorzitter van de) Ondernemingsraad (OR) heeft op 23 november 2006 een brief gestuurd aan de directeur ad interim. In deze brief uitte de OR kritiek op het functioneren van verzoeker. De algemeen directeur ad interim, H. Hovestad, heeft vervolgens verzoeker per 28 november 2006 geschorst in het belang van de organisatie. Hiertegen heeft verzoeker op 11 december 2006 bezwaar gemaakt. In de vergadering van het algemeen bestuur van De Meergroep op 13 december 2006 heeft dit algemeen bestuur het besluit tot schorsing van verzoeker geaccordeerd.

2.2 Verzoeker kan zich met het besluit tot schorsing niet verenigen. Hij is van mening dat het besluit onbevoegd is genomen door de algemeen directeur ad interim. Voorts zijn er volgens verzoeker geen steekhoudende redenen om hem te schorsen en heeft de schorsing een sterk diffamerend karakter. Verzoeker wijst erop dat het onderzoek van het IFO is gestart op het moment dat verzoeker zijn functie nog uitoefende. Dit onderzoek kan dus geen reden zijn voor de schorsing. Dat de OR geen vertrouwen in hem zou hebben, kan ook geen reden zijn voor de schorsing. Verzoeker is van mening dat verweerder probeert verzoeker te "lozen". Ook stelt verzoeker dat de schorsing niet berust op een zorgvuldige afweging van belangen en evenmin op een toereikende feitelijke grondslag. Tot slot heeft verzoeker aangegeven dat het moeilijk wordt om terug te keren naar zijn functie, omdat hij zeer beschadigd is door de schorsing.

2.3 Verweerder heeft aangegeven dat het door de directeur ad interim genomen besluit tot schorsing door hem is ondersteund. Dit staat gelijk aan een bekrachtiging, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder voorts aangegeven dat in de loop van november 2006 uit onderzoek zodanige feiten waren gebleken, dat aanwezigheid van verzoeker op de werkvloer niet gewenst was. Zijn aanwezigheid zou het onderzoek belemmeren, omdat verzoeker in zijn functie direct betrokken was bij financiële zaken. Voorts zou de aanwezigheid van verzoeker op de werkvloer de voortgang van het onderzoek belemmeren, omdat, vanwege de in de organisatie bestaande angstcultuur, werknemers niet vrijuit zouden durven meewerken aan bedoeld onderzoek. In deze omstandigheden ligt volgens verweerder het belang van de dienst, hetgeen gelijk is aan belang van de organisatie, bij de schorsing van verzoeker. Bovendien heeft verweerder aangevoerd dat er voor verzoeker in de organisatie geen draagvlak meer was. Dit bleek uit een brief van de OR. Nu het onderzoek van IFO nog niet is afgerond, dient de schorsing vooralsnog voort te duren, aldus verweerder.

2.4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.6 Verzoeker heeft allereerst betoogd dat het bestreden besluit van 29 november 2006 onbevoegd is genomen door de algemeen directeur ad interim. Verweerder heeft dit niet bestreden, maar hieraan toegevoegd dat het bevoegdheidsgebrek is geheeld ter vergadering van het algemeen bestuur van De Meergroep op 13 december 2006. Met verzoeker is de voorzieningenrechter vooralsnog van mening dat er onvolkomenheden kleven aan de wijze waarop het schorsingsbesluit door verweerder zou zijn bekrachtigd, voor zover er al sprake is van een bekrachtiging. Deze onvolkomenheden kunnen echter op zichzelf niet leiden tot toewijzing van het nu voorliggende verzoek om voorlopige voorziening, omdat op voorhand niet vaststaat of bedoelde gebreken in bezwaar door verweerder kunnen worden gerepareerd.

2.7 In het kader van dit verzoek tot schorsing van het bestreden besluit van 29 november 2006 zal de voorzieningenrechter moeten beoordelen of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om verzoeker te schorsen.

2.8 Uit ter zake relevante jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijkt onder meer dat een ordemaatregel als een schorsing in het belang van de dienst in principe mogelijk is, als het ongestoord functioneren van de dienst of het dienstonderdeel waar de te schorsen ambtenaar werkzaam is, door het handhaven van die ambtenaar niet langer verzekerd zou zijn. (zie CRvB, 5 maart 1998, gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder ZB7501).

2.9 De CRvB heeft meermalen overwogen dat een ordemaatregel, zoals de schorsing van verzoeker, weliswaar een voorlopig karakter heeft, maar dat een dergelijke maatregel desondanks zeer ingrijpend is en vrijwel steeds onomkeerbare gevolgen heeft voor de positie van de betrokken ambtenaar. Veelal zal die positie als gevolg van de schorsing zodanig beschadigd zijn dat het (opnieuw) uitoefenen van de functie niet meer mogelijk dan wel problematisch zal zijn. (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 december 1994, gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder ZB5168). In deze uitspraak heeft de CRvB eveneens overwogen dat een maatregel tot schorsing moet berusten op een - op basis van een grondig onderzoek - zorgvuldige afweging door het bestuursorgaan van de belangen van de ambtenaar en van de dienst. Bij die afweging moet worden bezien, gelet op het zwaarwegende belang van de ambtenaar bij voortzetting van zijn werkzaamheden, of het blijven uitoefenen van de functie inderdaad schade en zo ja, van welke omvang, aan de dienst zal toebrengen. Ook dient te worden bezien of een zo zware en voor de ambtenaar als diffamerend ervaren maatregel als een schorsing kan worden vermeden door een andere oplossing te zoeken, zoals het (tijdelijk) ontheffen van bepaalde taken of het (tijdelijk) opdragen van (gedeeltelijk) andere werkzaamheden.

2.10 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan het voor het ongestoorde verloop van het financieel onderzoek door IFO noodzakelijk was verzoeker te schorsen. Verzoeker heeft in dit verband onbestreden gesteld dat dit onderzoek al begin november 2006 is gestart, terwijl verzoeker nog gewoon in functie was. Dat verzoeker dit onderzoek toen in de weg liep, is gesteld noch gebleken. Verweerder heeft in dit verband voorts geen feitelijke omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan aannemelijk zou zijn, dat verzoeker, als hij zich op de werkvloer zou bevinden, het financieel onderzoek van IFO zou (kunnen) frustreren of belemmeren. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich in de regel bezig houdt met financiële zaken is in dit verband onvoldoende.

2.11 De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder niet heeft onderbouwd dat door de gestelde angstcultuur werknemers niet vrijuit zouden durven meewerken aan het onderzoek. Voor het bestaan van de gestelde angstcultuur heeft verweerder zich gebaseerd op de brief van de OR van 23 november 2006, waarin onder meer wordt gesteld dat de angstcultuur deels door verzoeker is veroorzaakt of in stand gehouden. Niet is gebleken dat verweerder zelfstandig een onderzoek heeft ingesteld naar de cultuur binnen de organisatie. De voorzieningenrechter acht dit wel noodzakelijk, nu uit de resultaten van het werknemerstevredenheidsonderzoek over 2004 niet kan worden opgemaakt dat er in dat jaar sprake was van een angstcultuur. Verweerder kan zich dus niet enkel baseren op de brief van de OR. Voorts heeft verweerder op geen enkele wijze onderbouwd dat werknemers niet vrijuit zouden durven meewerken aan het onderzoek.

2.12 Verweerder heeft ter zitting voorts gesteld, dat uit het feit dat de OR heeft aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in verzoeker als MT-lid, de conclusie moet worden getrokken dat er voor (het functioneren van) verzoeker binnen verweerders organisatie geen draagvlak meer bestaat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich zonder nader onderzoek niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat onbetwist is dat De Meergroep in de periode waarin verzoeker als MT-lid functioneerde, is uitgegroeid tot een goed florerend en financieel gezond bedrijf, terwijl verzoeker in die periode steeds goed functioneerde. De enkele omstandigheid dat de OR heeft aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in verzoeker, is dan ook onvoldoende voor de hiervoor vermelde vergaande conclusie.

2.13 Hoewel verweerder ter zitting heeft aangegeven dat hij een belangenafweging als bedoeld onder 2.9 heeft gemaakt, is hij er niet in geslaagd inzichtelijk te maken op welke wijze hij de belangen van verzoeker bij voortzetting van zijn werkzaamheden of het blijven uitoefenen van zijn functie heeft afgewogen tegen het (gestelde) belang van verweerder bij een onmiddellijke schorsing van verzoeker. Van een zorgvuldige belangenafweging in voormelde zin is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken. De voorzieningenrechter acht verzoekers belangen zeer zwaarwegend, aangezien hij reeds 20 jaar bij (de rechtsvoorganger van) verweerder in dienst is en verzoeker tijdens dit langdurige dienstverband kennelijk steeds naar behoren heeft gefunctioneerd. Dat verzoekers belangen zwaarwegend waren en zijn, blijkt ook uit het feit, dat zich thans een situatie lijkt voor te doen, dat het voor verzoeker nagenoeg onmogelijk is geworden zijn werkzaamheden bij verweerder voort te zetten.

2.14 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit zowel een toereikende feitelijke grondslag als een zorgvuldige afweging van belangen ontbeert. Hierdoor heeft verweerder niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid verzoeker te schorsen.

2.15 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek daartoe zal dan ook op de hierna vermelde wijze worden toegewezen.

2.16 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het bestreden besluit van 29 november 2006 tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

3.3 veroordeelt het algemeen bestuur van De Meergroep in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, welk bedrag De Meergroep aan hem dient te betalen;

3.4 gelast dat De Meergroep het door verzoeker betaalde griffierecht van € 141,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, voorzieningenrechter, en op 19 januari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.