Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ8506

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
335588 VV EXPL 07-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij gebreke van een concurrentiebeding en omdat niet aannemelijk is dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, bestaat geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde verboden, die ertoe strekken dat de gedaagde zich na het eind van zijn dienstverband onthoudt van contact met werknemers en klanten van eiser. Onvoldoende is gebleken van bijzondere omstandigheden. Het door gedaagde te betalen bedrag is niet een loonbetaling maar een verplichting tot betaling van schadevergoeding waarbij de hoogte van die schadevergoeding is gekoppeld aan het brutoloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 335588 VV EXPL 07-11

datum uitspraak: 12 februari 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

de besloten vennootschap

TRANSPORTONDERNEMING GEBR. [B] B.V.

te [vestigingsplaats]

eiseres in conventie

gedaagde in reconventie

hierna te noemen [eiseres]

gemachtigde mr. M.H. Godthelp

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde in conventie

eiser in reconventie

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. V.J.M.H.Y. van Haaster

De procedure

[eiseres] heeft [gedaagde] op 23 januari 2007 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2007, waarbij de gemachtigden zich hebben bediend van pleitnotities. Partijen hebben nog stukken in het geding gebracht.

De feiten

[gedaagde] is sinds 1 april 2000 in dienst van [eiseres] in de functie van planner.

[gedaagde] heeft op 28 december 2006 de arbeidsovereenkomst opgezegd met inachtneming van de geldende opzegtermijn van één maand, tegen 1 februari 2007. [eiseres] heeft het ontslag aanvaard.

Bij brief van 19 januari 2007 heeft [eiseres] [gedaagde] op staande voet ontslagen. [eiseres] schrijft in deze brief onder meer:

U heeft de arbeidsovereenkomst met cliënt per 1 februari a.s. opgezegd. Uw advocaat heb ik in een brief laten weten dat het u niet vrijstaat werkzaamheden te verrichten voor uw nieuwe werkgever [L] transport. U heeft dat toch gedaan.

Naast het feit dat u vanaf een e-mail account van [L] een offerte uitbrengt aan een klant van cliënte, bezoekt u met regelmaat klanten van cliënte met name in Den Helder.

Zowel het feitelijk al werkzaam zijn voor [L] terwijl u nog in dienst bent bij cliënte, als het bezoeken van klanten van cliënte zijn voor cliënte elk apart al een reden u op staande voet te ontslaan.

Vanwege het feit dat u aan cliënte reden heeft gegeven u op staande voet te ontslaan bent u schadeplichtig geworden. Deze schadeplicht is gelijk aan het bedrag in loon dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voor te duren.

Hoewel u reeds ontslag heeft genomen blijft de opzegtermijn van 1 maand. (…) De arbeidsovereenkomst zou dan niet eerder hebben kunnen eindigen dan per 1 maart a.s. Met andere woorden: u bent anderhalve maandsalaris als schadevergoeding verschuldigd aan cliënt. Hierbij geldt overigens dat u het bruto maandsalaris netto aan cliënte dient te voldoen, derhalve € 7.021,16.

In een e-mail van 11 januari 2007 schrijft [gedaagde] aan een medewerker van P&O Ferrymasters IJmuiden onder meer:

Ten eerste bedankt voor het prettige gesprek van hedenochtend.

Zou je nog even willen wachten met het wereldkundig maken naar jouw mensen toe (…) dat [gedaagde] van [L] Logistics Group is langs geweest?

Ik wil geen problemen opzoeken met [eiseres], aangezien ik pas per 1 februari 2007 officieel in dienst ben.

Als je in de tussentijd iets mocht hebben, kan je me gerust mobiel bellen.

De e-mail van [XXX] (P&O Ferrymasters IJmuiden) van 16 januari 2007 10.17 uur aan [gedaagde] (verzonden naar het mailadres [mailadres]) luidt onder meer:

Voor volgende week hebben wij een vracht Buizen vanaf Zwijndrecht naar Newcastle. Normale lengte.

Heb jij voor ons een prijs en mogelijkheid?

Het antwoord van [gedaagde] van 16 januari 2007 12.48 uur aan [XXX] luidt:

Dank je wel voor je mail.

Wij hebben volgende week mogelijkheden.

Prijs zal € 1.765,-- per trailer zijn.

Open trailer met rongen en dekzeilen.

Ik hoor graag van je.

De vordering en het verweer in conventie

[eiseres] vordert bij wijze van voorlopige voorziening in conventie (samengevat):

1. [gedaagde] te verbieden direct of indirect contact met personeelsleden van [eiseres] te onderhouden voor de duur van één jaar;

2. [gedaagde] te verbieden direct of indirect contact met klanten van [eiseres] te onderhouden voor de duur van één jaar;

3. [gedaagde] te verbieden de gegevens die van [eiseres] afkomstig zijn te gebruiken, voor de duur van één jaar;

4. verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-- per overtreding van één van de onder 1, 2 en 3 gevorderde verboden;

5. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 7.021,16 netto, te verminderen met verrekende bedragen in het kader van de eindafrekening.

[eiseres] stelt daartoe het volgende.

Door zijn handelwijze (structurele benadering van personeel om over te stappen naar de concurrent [L], naar huis verzenden van bedrijfsgevoelige informatie, het handelen voor 1 februari 2007 alsof [gedaagde] al bij [L] werkt o.a. door het bezoeken van klanten van [eiseres]) heeft [gedaagde] zijn verplichtingen van goed werknemer geschonden. Subsidiair stelt [eiseres] dat [gedaagde] hiermee onrechtmatig handelt. Dit rechtvaardigt het gevorderde contactverbod.

[eiseres] maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding tot een bedrag van € 7.021,16. Zij stelt hierop recht te hebben omdat [gedaagde] door zijn handelwijze aan [eiseres] reden heeft gegeven om hem op staande voet te ontslaan.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De vordering en het verweer in reconventie

Ter zitting heeft [gedaagde] in reconventie gevorderd:

1. doorbetaling van het salaris vanaf 1 januari 2007 tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 februari 2007;

2. de gefixeerde schadevergoeding van € 7.021,16 wegens de vernietigbaarheid van het ontslag.

[gedaagde] stelt ter toelichting van zijn vordering dat hij op 11 januari 2007 op uitnodiging van P&O Ferries op bezoek is geweest om over een eventuele baan bij dit bedrijf te praten. Daarbij heeft [gedaagde] zich niet als werknemer van [L] geafficheerd. [gedaagde] stelt dat hij vóór 1 februari 2007 niet actief namens [L] naar buiten is getreden. Aan het ontslag op staande voet ontbreekt daarom een geldige dringende reden.

[eiseres] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist. Op de inhoud van haar verweren zal hierna

-voor zover aan de orde- worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

in conventie

spoedeisend belang

[gedaagde] betwist het spoedeisende belang bij de door [eiseres] haar gevraagde voorlopige voorziening.

Dit verweer wordt verworpen. Met de aard van de vordering is het spoedeisende belang gegeven. Het gaat hier immers om een contactverbod waarvan duidelijk is dat [eiseres] er belang bij heeft dat dit verbod direct of althans zo spoedig mogelijk zal kunnen worden geëffectueerd.

Contactverbod en verbod gebruik bedrijfsgegevens

Ter beoordeling in dit geding staat of de door [eiseres] gestelde gedragingen van [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter een zodanige schending van zijn verplichtingen als werknemer opleveren, dat toewijzing van de gevorderde verboden gerechtvaardigd is.

[eiseres] stelt ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] zich als werknemer niet naar behoren, althans onrechtmatig, heeft gedragen dat [gedaagde]:

- chauffeurs en planners van [eiseres] heeft benaderd om (ook) over te stappen naar de concurrent [L];

- bedrijfsgevoelige informatie op 26/27 december 2006 vanaf zijn computer bij [eiseres] naar huis heeft verzonden, waaronder een prijslijst en een lijst met alle medewerkers;

- al voor het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 februari 2007 zich heeft gedragen alsof hij al bij [L] werkte, onder meer door zich namens [L] bij klanten van [eiseres] voor te stellen.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] kan de juistheid van de stellingen van [eiseres] niet uit de door haar in het geding gebrachte bewijsstukken worden afgeleid.

De collega’s van [gedaagde] stellen in hun verklaringen geen van allen eenduidig dat hij of zij door [gedaagde] direct is benaderd voor een functie bij [L]. Op dit punt is een onrechtmatige handelwijze van [gedaagde] vooralsnog niet komen vast te staan.

Verder is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] thans over bedrijfsgevoelige informatie, zoals prijslijsten, van [eiseres] beschikt. De screenprints van 26/27 december 2006 bevestigen slechts dat [gedaagde] op die data op zijn computer bij [eiseres] is ingelogd, maar geven geen zekerheid over het naar huis sturen van concurrentiegevoelige informatie. Het kan evengoed zo geweest zijn dat [gedaagde], zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, op de genoemde data

e-mails naar een collega heeft gestuurd in verband met de aan hem opgedragen werkoverdracht. Ook overigens geldt dat het eventuele bezit van dergelijke gegevens pas onzorgvuldig werknemersgedrag of onrechtmatig handelen zou kunnen opleveren als blijkt dat [gedaagde] in strijd met het recht gebruik van die gegevens maakt of als er -tenminste- aanwijzingen zijn dat dergelijk onrechtmatig gebruik dreigt. Dat is gesteld noch gebleken en elke aanwijzing dat [gedaagde] bedrijfsinformatie van [eiseres] gaat gebruiken ontbreekt.

Er bestaat daarom geen grond voor toewijzing van het op dit punt gevraagde verbod.

[gedaagde] heeft erkend dat hij in januari 2007 door [L] al bij haar klanten van [L] is geïntroduceerd. Hij heeft evenwel uitdrukkelijk betwist dat daarbij ook klanten van [eiseres] zijn bezocht.

Zoals hierna in verband met de beoordeling van het ontslag op staande voet zal worden overwogen, is voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] op 11 en 16 januari 2006 namens [L] commerciële contacten met P&O Ferries IJmuiden heeft gehad, die (ook) klant van [eiseres] is. Omdat [gedaagde] op dat moment nog in dienst was van [eiseres], heeft hij daarmee in strijd met zijn verplichtingen als werknemer gehandeld. Vooralsnog rechtvaardigt dit echter in de gegeven omstandigheden niet de toewijzing van het gevorderde, in algemene termen geformuleerde contactverbod. Uit hetgeen ter zitting is besproken moet worden afgeleid dat [eiseres] en [L] gemeenschappelijke klanten hebben en dat er geen grond is voor het oordeel dat [gedaagde] na 1 februari 2007 onrechtmatig handelt als hij -in dienst van [L]- klanten van [eiseres] benadert. Tussen [eiseres] en [gedaagde] geldt immers geen concurrentie- of relatiebeding, dat een dergelijke handelwijze verbiedt. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden is onvoldoende gebleken.

Omdat de wettelijke regeling van het goed werknemerschap een uitwerking is van de algemene wettelijke onrechtmatige daadnorm, behoeft de subsidiaire grondslag van de vordering van [eiseres] op dit punt geen bespreking meer. De gevorderde voorzieningen ten aanzien van het contactverbod en verbod op gebruik van concurrentiegevoelige informatie zullen dan ook worden geweigerd.

ontslag op staande voet

De kantonrechter moet beoordelen of zij vooralsnog van oordeel is dat de bodemrechter naar alle waarschijnlijkheid tot het oordeel zal komen dat het ontslag op staande voet van 18 januari 2007 op een geldige dringende reden is gebaseerd. Hierover wordt het volgende overwogen.

Uit de hierboven aangehaalde e-mailwisseling tussen [gedaagde] en P&O Ferries van 11 en 16 januari 2006 moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] voor het einde van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] zich actief namens [L] bij een klant heeft geafficheerd. Het geven van een prijsopgave op verzoek van die klant betekent dat [gedaagde] feitelijk werkzaamheden voor [L] heeft verricht terwijl hij nog bij [eiseres] in dienst was. Met deze handelwijze heeft [gedaagde] zijn verplichtingen als werknemer ernstig geschonden. Dit geldt eens te meer nu [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiseres] hem nog eens uitdrukkelijk en schriftelijk te verstaan heeft gegeven dat hij tot 1 februari 2007 geen werkzaamheden voor zijn nieuwe werkgever mocht verrichten.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] [gedaagde] dan ook op goede gronden op staande voet ontslagen. Het dienstverband is daarmee op 19 januari 2007 rechtsgeldig geëindigd.

Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] aanspraak heeft op betaling door [gedaagde] van de gefixeerde schadevergoeding. Deze is gelijk aan het loon over de opzegtermijn die zou gelden als het ontslag op staande voet niet had plaatsgevonden. In de gegeven omstandigheden betekent dit dat de arbeidsovereenkomst tot 1 februari 2007 zou hebben voortgeduurd. Het dienstverband was immers door [gedaagde] opgezegd met inachtneming van de geldende opzegtermijn, tegen 1 februari 2007. De gefixeerde schadevergoeding moet dan ook worden bepaald op het loonbedrag over de periode van 19 januari 2007 tot 1 februari 2007.

Met [eiseres] is de kantonrechter van oordeel dat de door [gedaagde] verschuldigde schadevergoeding gelijk is aan het bedongen bruto loon over het tijdvak van 19 januari 2007 tot 1 februari 2007. Niet relevant is of dit bedrag als een netto betalingsverplichting aan [gedaagde] wordt opgelegd; het gaat hier niet om een loonbetaling maar om een verplichting tot betaling van schadevergoeding waarbij de hoogte van die schadevergoeding is gekoppeld aan het brutoloon.

Het verweer van [gedaagde] dat de vordering moet afstuiten op het restitutierisico is na de gemotiveerde betwisting door [eiseres] niet nader onderbouwd en wordt daarom verworpen.

in reconventie

De vordering tot doorbetaling van het loon over de periode van 1 januari 2006 tot het hierboven rechtsgeldig geoordeelde ontslag per 19 januari 2007 is door [eiseres] niet weersproken en zal daarom worden toegewezen.

in conventie en in reconventie

Ieder van partijen draagt de eigen proceskosten omdat zij beiden deels in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening, tot betaling van een bedrag gelijk aan het brutoloon over de periode van 19 januari 2007 tot 1 februari 2007 terzake van voorschot op de gefixeerde schadevergoeding;

in reconventie

-veroordeelt [eiseres] bij wijze van voorlopige voorziening tot betaling van het brutoloon over de periode van 1 januari 2007 tot 19 januari 2007;

in conventie en in reconventie

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders mocht zijn gevorderd;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Dubois en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.