Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ7649

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
114305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GEVOLGEN BUITENGERECHTELIJKE ONTBINDING; BEWIJSLASTVERDELING; NON-CONFORMITEIT

Door verkoper (vóór de levering) ontbonden koopovereenkomst beleggingspand

Aanspraak van verkoper op na ingebrekestelling verschuldigde contractuele boete afgewezen, nu de overeenkomst reeds vóór de ingebrekestelling door hem buitengerechtelijk was ontbonden.

Die gang van zaken staat niet zonder meer in de weg aan toewijzing van een vordering van verkoper tot schadevergoeding.

De erkentenis door verkoper dat hij onder voorwaarden akkoord is gegaan met een uitstel van de transactie, leidt er niet toe dat verkoper moet bewijzen dat hij die (niet vervulde) voorwaarden aan zijn instemming had verbonden. Koper moet bewijzen dat partijen onvoorwaardelijk zijn overeengekomen dat de transactie een maand zou worden opgeschoven.

Het feit dat het verkochte pand ten tijde van de beoogde levering (conservatoir) beslagen was door een derde, wil niet zonder meer zeggen dat verkoper niet in staat was tot levering en om die reden geen aanspraak heeft op schadevergoeding. Koper moet bewijzen dat verkoper vanwege dat beslag niet zou kunnen leveren.

Het feit dat de huurder van het pand kort na de beoogde leveringsdatum failleerde, betekent niet zonder meer dat het verkochte niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 114305 / HA ZA 05-892

Vonnis van 31 januari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLOEMERS ONROEREND GOED B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. R.T.M. Borsjé,

advocaat aanvankelijk mr. E.H.W. van Nijnatten te Eindhoven, later mr. M.E. Geurts te

's-Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. MAATSCHAPPIJ KERTOWONO,

gevestigd te Utrecht,

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. S.I. van der Staal,

advocaat mr. B.S. Friedberg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Bloemers en Kertowono c.s., en deze laatste twee afzonderlijk Kertowono respectievelijk [gedaagde sub 2], genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 oktober 2005 en de daarin genoemde stukken

- het proces-verbaal van comparitie van 30 september [de rechtbank leest: augustus] 2006 met de daarin genoemde stukken

- de akte van Bloemers met producties genummerd 1 tot en met 24

- de akte van Kertowono c.s. met producties genummerd 1 tot en met 4.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij akte d.d. 11 juni 2004 is een overeenkomst (verder te noemen: de koopovereenkomst) vastgelegd waarbij Kertowono voor een koopprijs van EUR 7.477.000,= de onroerende zaken gelegen aan [straat X] en aan de [straat Y] te [ H] (verder te noemen: het verkochte) van Bloemers heeft gekocht.

2.2. Voordien, op 11 mei 2004, is ten verzoeke van MJJ Investments nv ten laste van Bloemers conservatoir beslag gelegd op genoemde onroerende zaak aan de [straat Y].

2.3. In artikel 7 van de koopovereenkomst is bepaald dat de leveringsakte zal worden verleden op 30 juli 2004 ten overstaan van notaris mr. E.G. Visser te Amsterdam (verder te noemen: de notaris).

2.4. In artikel 8 van de koopovereenkomst is bepaald dat Kertowono tot meerdere zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen uiterlijk op 21 juni 2004 een waarborgsom van EUR 747.700,-- zal voldoen op de bankrekening van de notaris of een schriftelijke bankgarantie ten belope van dit bedrag zal doen stellen (een en ander verder te noemen: het verstrekken van de zekerheidsstelling).

2.5. In de algemene bepalingen van de koopovereenkomst is bepaald:

“(…)

Tekortkoming (wanprestatie)

Artikel VI

“1. Bij niet of niet tijdige nakoming van de overeenkomst anders dan door niet toerekenbare tekortkoming (overmacht) is de nalatige aansprakelijk voor alle daaruit voor de wederpartij ontstane schade met kosten en rente, ongeacht het feit of de nalatige in verzuim is in de zin van het volgende lid.

2. Indien één van de partijen, na bij deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van één of meer van haar verplichtingen – daaronder begrepen het niet tijdig betalen van de waarborgsom of het niet tijdig doen stellen van een correcte bankgarantie – is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:

a. uitvoering van de overeenkomst te verlangen, in welk geval de partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie pro mille van de koopprijs; of

b. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent van de koopprijs.

3. (…)”

2.6. In de koopovereenkomst is voorts bepaald dat het verkochte ten tijde van de juridische levering verhuurd zal zijn, dat ECL Computers/ECL Holding bv (verder te noemen: ECL) de (mede)huurders zijn, dat Kertowono zich verplicht een verbouwing in het pand uit te voeren, dat de jaarhuur tot de oplevering aan ECL van die verbouwing EUR 600.000,-- zal bedragen en nadien EUR 760.000,--.

2.7. Kertowono heeft de zekerheidsstelling niet verstrekt.

2.8. Op 30 juli 2004 is mede namens MJJ Investments nv ten laste van Bloemers onder Kertowono conservatoir derdenbeslag gelegd.

2.9. Kertowono heeft niet meegewerkt aan het passeren (op 30 juli 2004) van de leveringsakte van het verkochte.

2.10. Bij brief van 2 augustus 2004 heeft de toenmalige advocaat van Bloemers, mr. G.A. van Meeteren, Kertowono als volgt geschreven:

(…)

Gebleken is dat u de verplichtingen welke voortvloeien uit de tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de koop/verkoop van de panden staande en gelegen aan de Graftermeerstraat 46 en J. C. Beetslaan 151-153. 155-157 niet bent nagekomen, waardoor de levering van voornoemde onroerende goederen niet heeft kunnen plaatsvinden.

Naar aanleiding van het overleg kan ik u berichten dat is besloten dat cliënte middels dit schrijven de bovengenoemde koopovereenkomst ontbindt. Cliënte houdt zich voorts alle rechten en weren voor met betrekking tot aanspraken welke hieruit voortvloeien.”

2.11. Bij fax tevens e-mail van 30 augustus 2004 heeft ([gedaagde sub 2] van) Kertowono ([de heer E.] van) Bloemers als volgt geschreven:

“Vorige week hebben wij met elkaar telefonisch gesproken over het boven genoemde project te Hoofddorp. U wilde van mij weten of Kertowono nog bereid was de ECL panden per 1 september 2004 af te nemen.

U was verbaasd van mij te horen dat Uw advocaat de overeenkomst tussen Bloemers Vastgoed en Kertowono bij schrijven van 2 augustus 2004 heeft ontbonden. Hierbij gevoegd treft U de kopie aan van het schrijven van Uw advocaat.

Begin juli heb ik U benaderd met het verzoek om akkoord te gaan met een levering van het o.g. in september in plaats van de contractueel vastgelegde datum van 31.07.2004. Dit vanwege (juridische) problemen bij het vrijmaken van mijn fondsen ten behoeve van de Kertowono-Bloemers transactie. U vertelde mij toen daar positief tegenover te staan maar dat U eerst met de huurder ECL daarover moest overleggen omdat U aan ECL een financiële injectie had beloofd per 1 augustus van Euro 1.5 miljoen. In overleg met U heb ik toen ook nog een bezoek gebracht aan ECL waar mij toen te verstaan is gegeven dat de beloofde financiële injectie van essentieel belang was voor het voortbestaan van ECL. Ik heb verder geen standpunt van U meer mogen vernemen over het door mij namens Kertowono gevraagde uitstel.

Op 31 juni 2004 werd door een aantal vennootschappen beslag gelegd door een aantal Belgische vennootschappen onder Kertowono terzake de levering van de ECL panden te Hoofddorp.

Door Mr Van Meeteren van Holland Van Gijzen Advocaten werd vervolgens op 2 augustus 2004 per aangetekende brief de koopovereenkomst ontbonden.

Van Dhr Jan [B] van Dutch Real Estate vernam ik dat inmiddels de directeur van een ECL is overleden.

Gezien het verloop van zaken heb ik de belangstelling in de eventuele aankoop van het ECL pand verloren. De basis, een gezonde bedrijf als huurder, ontbreekt op dit moment. Er is geen zekerheid over de continuïteit en mijn financiers zijn daardoor niet bereid een passende financiering aan te bieden.

Ik zal dan ook niet ingaan op Uw aanbieding om het ECL pand per 1 september 2004 af te nemen. Tot mijn spijt kan ik U niet anders berichten.”

2.12. Bij deurwaardersexploot van 16 september 2004 is Kertowono door Bloemers in gebreke gesteld.

2.13. Bij brief d.d. 5 oktober 2004 van mr. Van Meeteren aan Kertowono heeft Bloemers de koopovereenkomst op grond van artikel VI lid 2 sub b van die overeenkomst ontbonden en heeft zij de in die bepaling genoemde boete van 10% van de koopsom (EUR 747.700.--) gevorderd.

2.14. Op 21 september 2004 is ECL op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.

2.15. [gedaagde sub 2] is de bestuurder van Kertowono.

2.16. Bloemers heeft in kort geding van Kertowono c.s. betaling van de volgens haar verbeurde boete van EUR 747.700.- gevorderd. Bij vonnis van 16 november 2004 heeft de voorzieningenrechter te Haarlem deze vordering afgewezen. Bij arrest van 7 april 2005 heeft het Hof te Amsterdam dit vonnis bekrachtigd en Bloemers in de proceskosten ad EUR 8.351,- verwezen.

2.17. Op 16 juni 2005 heeft Bloemers ten laste van Kertowono tot verhaal van de door haar gestelde schade conservatoir beslag onder zichzelf gelegd op hetgeen Bloemers aan Kertowono c.s. is verschuldigd uit hoofde van de onder 2.16 genoemde proceskostenveroordeling.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Bloemers vordert na wijziging van eis - samengevat - veroordeling van Kertowono en [gedaagde sub 2], hoofdelijk, tot betaling van genoemde boete van EUR 747.700,-- en vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Kertowono c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. Kertowono en [gedaagde sub 2] vorderen, [gedaagde sub 2] voorwaardelijk, - samengevat - veroordeling van Bloemers tot opheffing van de door Bloemers ten laste van Kertowono dan wel [gedaagde sub 2] gelegde conservatoire beslagen, vermeerderd met rente en kosten.

3.4. Bloemers voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De vordering van Bloemers tot betaling van de boete van artikel VI lid 2 van (de algemene bepalingen van) de koopovereenkomst dient te worden afgewezen. Blijkens genoemd artikel kan een partij alleen aanspraak maken op die boete nadat de andere partij bij deurwaardersexploot in gebreke is gesteld. Op het moment dat Bloemers dat deurwaardersexploot deed uitbrengen (16 september 2004) was de koopovereenkomst

tussen partijen echter reeds door haar bij de hiervoor onder 2.10 genoemde brief d.d. 2 augustus 2004 ontbonden, welke ontbinding blijkens de hiervoor onder 2.11 geciteerde brief d.d. 30 augustus 2004 door Kertowono c.s. - zij het op andere gronden dan van de kant van Bloemers voor die ontbinding waren aangevoerd - werd aanvaard. Daarmee was de koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijke ontbonden en kon Bloemers op 16 september 2004 geen nakoming meer van die overeenkomst vorderen en derhalve ook niet met effect in gebreke stellen ter zake van een niet nakomen door Kertowono. Daarmee verkreeg Bloemers, toen Kertowono 8 dagen na die ingebrekestelling de koopovereenkomst niet was nagekomen, dan ook geen aanspraak op de overeengekomen boete. Het feit dat Bloemers zich in genoemde brief van 2 augustus 2004 alle rechten en weren voorbehoudt met betrekking tot haar aanspraken die uit haar buitengerechtelijk ontbinden voortvloeien kan geen verandering in dit oordeel brengen, nu dat voorbehoud niet ziet op de mogelijkheid om op een later tijdstip de ontbinding, zoals Bloemers heeft aangevoerd, “ten effecte rechtens te formaliseren” (door middel van de ingebrekestelling van 16 september 2004 en de hiervoor onder 2.13 genoemde brief van 5 oktober 2004).

4.2. Het hiervoor overwogene leidt er niet zonder meer toe dat Bloemers ook geen aanspraak kan hebben op schadevergoeding. Met haar brief van 30 augustus 2004 heeft Kertowono de buitengerechtelijke ontbinding d.d. 2 augustus 2004 aanvaard. Ook als op grond van het bepaalde in artikel VI lid 2 sub b van (de algemene bepalingen van) de koopovereenkomst zou moeten worden geoordeeld dat tussen partijen is overeengekomen dat - anders dan uit artikel 265 van het Burgerlijk Wetboek volgt - de koopovereenkomst eerst kan worden ontbonden nadat de partij die tekort komt, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, dat gedurende 8 dagen blijft en daarmee in verzuim is geraakt, kan Kertowono c.s. gezien die aanvaarding in dit verband geen beroep doen op het ontbreken van die ingebrekestelling. Bovendien bepaalt artikel VI lid 1 van (de algemene bepalingen van ) de koopovereenkomst dat, ongeacht het feit of de nalatige in verzuim is in de zin van het tweede lid van dat artikel, dergelijke aanspraak in geval van nalatigheid bestaat. Voor die aanspraak op schadevergoeding is derhalve (anders dan voor de contractuele boete) geen ingebrekestelling vereist.

4.3. Bloemers heeft gesteld dat de tekortkoming van Kertowono bestaat uit het niet (uiterlijk op 21 juni 2004 ) verstrekken van de zekerheidsstelling en uit het niet (op 30 juli 2004) meewerken aan het passeren van de leveringsakte. Nu [gedaagde sub 2] als bestuurder van Kertowono c.s. nimmer voornemens is geweest de koopovereenkomst na te komen, althans zich had behoren te realiseren dat Kertowono bij gebreke aan voldoende middelen deze overeenkomst nimmer zou kunnen nakomen, stelt Bloemers dat [gedaagde sub 2], tezamen met Kertowono, hoofdelijk aansprakelijk is voor de door Bloemers door die tekortkoming geleden schade.

4.4. Ten verwere daar tegen heeft Kertowono c.s. - alles verder zakelijk weergegeven - aangevoerd dat W.F. [ de heer E.] (verder te noemen: [ de heer E.]), de indirect bestuurder van Bloemers, op 23 juli 2004 tijdens een gesprek met [gedaagde sub 2] onvoorwaardelijk heeft ingestemd met een opschuiven van de hele transactie met een maand, zowel voor wat betreft het verstrekken van de zekerheidsstelling als het passeren van de leveringsakte. Voorts heeft Kertowono c.s. aangevoerd dat Bloemers zelf in verzuim was doordat hij vanwege het door MJJ Investments nv op het verkochte gelegde beslag op 30 juli 2004 zelf niet in staat was om aan zijn verplichting tot levering van het verkochte te voldoen. Tenslotte heeft Kertowono c.s. aangevoerd dat het verkochte niet aan de koopovereenkomst beantwoordde in de zin dat ECL, naar Bloemers wist, maar ten onrechte niet aan Kertowono heeft meegedeeld, niet de solvabele huurder was die Kertowono op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten.

4.5. Ten aanzien van genoemd eerste verweer van Kertowono c.s. overweegt de rechtbank als volgt. Als partijen op 23 juli 2004 onvoorwaardelijk zijn overeengekomen dat de hele transactie, zowel voor wat betreft het verstrekken van de zekerheidsstelling als het passeren van de leveringsakte, een maand zou worden opgeschoven, heeft Bloemers op 2 augustus 2004 buitengerechtelijke ontbonden zonder dat sprake was van een tekortkoming van Kertowono en heeft Bloemers dientengevolge geen aanspraak op vergoeding van de schade die zij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de koopovereenkomst heeft plaatsgevonden. Nu Kertowono c.s. zich beroept op de rechtsgevolgen van dit door haar gestelde feit draagt zij daarvan ingevolge het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bewijslast. Het feit dat [ de heer E.] (namens Bloemers) tijdens de comparitie van partijen ter betwisting van de weren van Kertowono c.s. heeft doen weten dat hij tijdens bedoeld gesprek op het desbetreffend verzoek van [gedaagde sub 2] (namens Kertowono) heeft laten weten “akkoord, mits ECL er ook mee instemt en voor 30 juli de bankgarantie wordt gesteld” - hetgeen onbetwist geen van beide is gebeurd - geeft geen grond voor een andere bewijslastverdeling. Deze verklaring werd immers gedaan in het kader van Bloemers’ ontkenning van de aan het verweer van Kertowono c.s. ten grondslag liggende stellingen en kan daarom niet gezien worden als een ‘bevrijdend verweer’ tegen die stellingen (vgl. in dit verband HR 15-12-2006, RvdW 2007/1, r.o. 3.3). Ook de stelling van Kertowono c.s. dat het standpunt van Bloemers op meer essentiële punten niet logisch is, dat vele onderbouwingen ontbreken en indien ze er wel zijn, ze in het algemeen naderhand tot stand zijn gekomen, kan - wat van dat standpunt verder ook zij - er evenmin toe leiden dat Bloemers in deze met het bewijs moet worden belast. Uit de hiervoor onder 2.11 geciteerde brief van Kertowono aan Bloemers kan ook niet aanstonds volgen dat Bloemers onvoorwaardelijk akkoord is gegaan met het door Kertowono gevraagde uitstel. De rechtbank zal mitsdien Kertowono - waarom alleen zij en niet Kertowono c.s. kan volgen uit hetgeen hierna onder 4.9 zal worden overwogen - opdragen te bewijzen dat partijen op 23 juli 2004 onvoorwaardelijk zijn overeengekomen dat de hele transactie, zowel voor wat betreft het verstrekken van de zekerheidsstelling als het passeren van de leveringsakte, een maand zou worden opgeschoven.

4.6. Als Kertowono niet slaagt in het leveren van het hiervoor bedoelde bewijs, moet ervan worden uitgegaan dat geen verandering is gekomen in hetgeen partijen in de koopovereenkomst zijn overeengekomen met betrekking tot de datum voor het verstrekken van de zekerheidsstelling en die voor het passeren van de leveringsakte. Voor dat geval overweegt de rechtbank als volgt, waarbij zij, naar duidelijk zal zijn, er voorshands puur veronderstelonderwijs vanuit gaat dat eerder bedoeld opschuiven niet is overeengekomen.

4.7. Als Bloemers op 30 juli 2004 vanwege op het verkochte gelegd beslag zelf niet in staat was om aan haar verbintenis uit de koopovereenkomst tot levering van het verkochte te voldoen, kon zij die dag ook geen nakoming van Kertowono van diens verbintenis tot meewerken aan het passeren van de leveringsakte verlangen en heeft Bloemers dientengevolge geen aanspraak op vergoeding van de schade die zij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de koopovereenkomst heeft plaatsgevonden. Vooropgesteld zij dat in de stukken sprake is van twee beslagen. Relevant in deze is slechts het door Kertowono c.s. bedoelde beslag op één van de panden van het verkochte, dat al op 11 mei 2004, derhalve een maand voor het op 11 juni 2004 tot stand komen van de koopovereenkomst, was gelegd. Het op 30 juli 2004 gelegde beslag, waarop Kertowono in haar brief van 30 augustus 2004 doelt (Kertowono spreekt in die brief van een op 31 juni 2004 gelegd beslag, maar dat kan niet anders dan op een vergissing berusten) speelt in dit verband geen rol. Het betrof immers geen beslag op het verkochte, maar een derdenbeslag onder Kertowono.

Ten aanzien van het op 11 mei 2004 door MJJ Investments nv gelegde beslag geldt het volgende. Dat Kertowono reeds voor het voor 30 juli 2004 voorziene passeren van de leveringsakte heeft laten weten dat dit beslag aan levering van het verkochte in de weg zou staan, is gesteld noch gebleken. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat Bloemers eerst achteraf van dit beslag op de hoogte is geraakt. Bloemers heeft voorts gemotiveerd aangevoerd dat dit beslag niet aan de levering van het verkochte op 30 juli 2004 in de weg stond, nu zij met (de advocaat van) MJJ Investments nv was overeengekomen dat dit beslag bij de levering van het verkochte zou worden opgeheven onder gelijktijdige zekerheidsstelling van de bij die levering door Bloemers te ontvangen koopprijs. Dat die afspraak destijds inderdaad tussen Bloemers en MJJ Investments nv is gemaakt vindt steun in de door Bloemers in het geding gebrachte correspondentie omtrent die afspraak en aan het feit dat ook de notaris - die, naar moeilijk anders kan, van genoemd beslag moet hebben geweten - er kennelijk volledig van uitging dat de levering van het verkochte op 30 juli 2004 doorgang zou vinden. Van belang is ook het feit dat Kertowono op 30 juli 2004 niet is verschenen voor het passeren van de leveringsakte, waardoor zij Bloemers de mogelijkheid heeft onthouden om door daadwerkelijk passeren van de leveringsakte aan te tonen dat levering op 30 juli 2004 voor haar wel mogelijk was. Nu Kertowono haar stellingen – die de rechtbank opvat als een bevrijdend verweer - evenwel heeft gehandhaafd en daarvan bewijs heeft aangeboden zal de rechtbank haar in de gelegenheid stellen daarvan bewijs te leveren. Kertowono zal mitsdien toegelaten worden tot bewijs van haar stelling dat Bloemers vanwege het beslag op (één van de panden van) het verkochte op 30 juli 2004 niet zou kunnen leveren.

4.8. Als Kertowono in geen van de hiervoor genoemde bewijsopdrachten slaagt, komt het verweer aan de orde dat het verkochte niet aan de koopovereenkomst beantwoordde in de zin dat ECL, naar Bloemers wist, maar ten onrechte niet aan haar heeft meegedeeld, niet de solvabele huurder was die Kertowono c.s. op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. Genoemd verweer moet worden verworpen.

Kertowono c.s. heeft gesteld dat Bloemers wist dat ECL geen solvabele huurder was en dat Bloemers dat voorafgaand aan het tot stand komen van de koopovereenkomst ten onrechte niet aan Kertowono heeft medegedeeld. Dat Bloemers wist dat ECL geen solvabele huurder was, ontleent Kertowono c.s. aan het feit dat tussen [ de heer E.] en ECL was overeengekomen dat [ de heer E.] uit de voor het verkochte van Kertowono te ontvangen koopsom een investering van EUR 1.000.000,-- in ECL zou doen, dat Bloemers vanaf 1 april 2003 niet correct de indexering op de voor het verkochte verschuldigde huur heeft toegepast en het feit dat ECL op 21 september 2004 op eigen aangifte in staat van faillissement is verklaard. Voor al deze drie door Bloemers niet betwiste feiten heeft zij een verklaring aangevoerd. Genoemde feiten impliceren niet noodzakelijkerwijs dat Bloemers ten tijde van de verkoop wist dat ECL geen solvabele huurder was, wat van dat laatste verder ook zij. Bij dit laatste is van belang dat als Kertowono de koopovereenkomst zou zijn nagekomen, [ de heer E.] op dat moment EUR 1.000.000,-- in ECL geïnvesteerd zou hebben. Aan te nemen valt dat ECL daarmee (alsnog) voldoende solvabel zou zijn. Bij dit alles komt dat Bloemers van Kertowono de nodige onderzoeksinspanningen mocht verwachten naar de financiële situatie van de huurder van het pand als die voor Kertowono van belang was. Door Kertowono c.s. is niet betwist dat Kertowono in dit verband ook het nodige onderzoek heeft gedaan. Dit zo zijnde, kan niet geoordeeld worden dat Bloemers haar mededelingsplicht heeft geschonden, nog daar gelaten de vraag wat precies Bloemers, zo zij wetenschap had van de financiële positie van ECL, Kertowono had moeten mededelen. Opmerking verdient dat het in het onderhavige geval niet gaat om een consumentenkoop, maar om een onroerend goedtransactie van EUR 7.477.000,-- tussen, naar mag worden verondersteld, twee professionele partijen.

4.9. Resteert thans nog het verweer van Kertowono c.s. dat [gedaagde sub 2] ten onrechte door Bloemers in de procedure is betrokken. Dat verweer slaagt. Reeds uit de stellingen van Bloemers kan niet blijken dat [gedaagde sub 2] toen hij als bestuurder van Kertowono de koopovereenkomst aanging wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Kertowono haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Volgens Bloemers was immers de werkelijke reden voor Kertowono om zich jegens Bloemers niet aan haar contractuele afspraak te houden dat degene aan wie Kertowono het verkochte direct wilde doorverkopen op het laatste moment was afgehaakt. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat Kertowono, indien de vordering van Bloemers wordt toegewezen geen verhaal zal bieden.

in reconventie

4.10. Of het op 16 juni 2005 namens Bloemers gelegde beslag al dan niet zal moeten worden opgeheven, zal mede afhangen van de uitkomst van de procedure in conventie. De rechtbank zal om die reden de beslissing in reconventie aanhouden tot het moment waarop in conventie einduitspraak wordt gedaan. De rechtbank merkt nog wel het volgende op. In de reconventionele vordering is sprake van de opheffing van beslagen [meervoud], zonder dat die beslagen gespecificeerd worden. De rechtbank heeft bij in het geding gebrachte beslagstukken maar één beslag kunnen ontwaren dat rechtsgeldig zou kunnen zijn, te weten genoemd beslag d.d. 16 juni 2005 ten laste van uitsluitend Kertowono. De vóór 16 juni 2005, in april 2005, namens Bloemers gelegde beslagen zijn immers, zoals kan blijken uit het door Kertowono c.s. zelf overgelegde beslagrekest d.d. 26 mei 2006, vervallen, omdat destijds de eis in de hoofdzaak niet tijdig is ingesteld.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. draagt Kertowono op te bewijzen:

5.1.1. dat zij en Bloemers op 23 juli 2004 onvoorwaardelijk zijn overeengekomen dat de hele transactie, zowel voor wat betreft het verstrekken van de zekerheidsstelling als het passeren van de leveringsakte, een maand zou worden opgeschoven,

5.1.2. dat Bloemers vanwege het op 11 mei 2004 op (één van de panden van) het verkochte gelegde beslag op 30 juli 2004 het verkochte niet aan Kertowono zou kunnen leveren,

5.2. bepaalt dat Kertowono, indien zij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de zittingsadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden maart en april 2007 moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

5.3. bepaalt dat , indien zij het bewijs niet door getuigen willen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de zittingsadministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moeten opgeven,

5.4. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. A.J. van der Meer in het gerechtsgebouw te Haarlem aan de Jansstraat 81,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven,

5.7. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door door mr. Th.S. Röell, als voorzitter, mrs. S. Sicking en A.J. van der Meer, als leden van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2007.?