Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ7305

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
130518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij onderhavig kort geding tot opheffing van een conservatoir beslag laat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling in de eerste plaats leiden door het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2006, RvdW 2006, 670, waarin geoordeeld werd over een vordering in kort geding tot opheffing van een conservatoir beslag, op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag was gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, maar tegen welk vonnis hoger beroep was ingesteld. Ook in dat geval, aldus de Hoge Raad, dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wél te worden meegewogen, maar is niet zonder meer beslissend. In het onderhavige geval ligt de casus enigszins anders, omdat niet sprake is van een vordering die in eerste instantie afgewezen is en waartegen appel is ingesteld, maar van een vordering die eerder in twee instanties is afgewezen, maar waarover thans een vordering tot herroeping ex artikel 382 Rv. aanhangig is. Maar de gedachtegang van genoemd arrest kan wel worden gevolgd, in die zin dat als hoofdvordering heeft te gelden de vordering tot herroeping ex artikel 382 Rv. Gekeken moet dus worden - naast de wederzijdse belangen van partijen - in hoeverre summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering tot herroeping gebleken is. Het te herroepen arrest dient daarbij wél te worden meegewogen, maar is niet zonder meer beslissend. Dat neemt niet weg dat de herroepingsvordering uiteraard zeer kritisch bezien moet worden, omdat herroeping een bijzonder rechtsmiddel is dat slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is.

Nu voldoende de deugdelijkheid van de vordering tot herroeping is gebleken, wordt de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 112
PJ 2007, 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130518 / KG ZA 06-588

Vonnis in kort geding van 19 januari 2007

in de zaak van

[EISER],

wonende te Portomaso (Malta),

eiser,

procureur mr. M.M.J. Nuijten,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

tegen

de stichting

NATIONALE STICHTING TOT EXPLOITATIE VAN CASINOSPELEN,

statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. H.J.A. Knijff te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en Holland Casino genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 5

- de producties 1 tot en met 4 van de zijde van Holland Casino, alsmede een bij brief van 8 januari 2007 nagezonden productie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van Holland Casino.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Van 1976 tot 1 juli 2000 is [eiser] in dienst geweest van Holland Casino, laatstelijk in de functie van Directeur Gaming. De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van de kantonrechter te Haarlem van 23 juni 2000 ontbonden, zonder dat hem een vergoeding is toegekend.

2.2. Op 21 augustus 2000 heeft Holland Casino [eiser] gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem, met zaaknummer 133250/ CV EXPL 006164, met een vordering tot betaling van NLG 6.051.636,-- wegens – zakelijk weergegeven – tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen uit arbeidsovereenkomst dan wel het onrechtmatig handelen dat volgens Holland Casino eruit zou hebben bestaan dat [eiser] ten nadele van Holland Casino zou hebben gefraudeerd door op onrechtmatige wijze samen te werken met een leverancier van speelautomaten, Otimex B.V. (hierna: Otimex), en een vennoot van die vennootschap, de heer L.J. Sekrève (hierna: Sekrève), door steekpenningen te hebben aangenomen.

2.3. In de zaak van Holland Casino tegen [eiser], zoals genoemd onder 2.2, is in het proces-verbaal van comparitie van partijen van 17 mei 2001, voorzover van belang, vermeld:

“ (...)

Mr. Meuleman [toenmalig advocaat van Holland Casino]:

(...) Ik wil bewijzen dat de heer [eiser] bewust roekeloos heeft gehandeld. Ik heb een sterk vermoeden van fraude. Dat kan ik niet bewijzen (...) er zijn drie bankrekeningen in Zwitserland.

(...)

Mr. Hammerstein: U kunt niet bewijzen dat er geld is overgemaakt.

(...)

Mr. Hammerstein: (...) de heer [eiser] wordt zwart gemaakt. Er is geen Zwitserse bankrekening geweest.

(...)”

2.4. Bij vonnis van 6 augustus 2003 is de vordering van Holland Casino in de zaak tegen [eiser], genoemd onder 2.2, door de kantonrechter te Haarlem afgewezen. Holland Casino is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 3 februari 2005 heeft het Hof Amsterdam het vonnis van 6 augustus 2003 bekrachtigd.

2.5. Holland Casino heeft eveneens een procedure tegen Otimex en Sekrève aangespannen bij de rechtbank te Breda, onder zaaknummer 85046/ HA ZA 00-1083.

2.6. In het kader van de procedure bij de rechtbank te Breda is [eiser] op verzoek van Holland Casino op 27 april 2006 door een rogatoire commissie van de rechtbank van zijn verblijfplaats op Malta gehoord. Blijkens de conclusie na tussenvonnis van 26 januari 2005 is vraag 28 van de lijst met vragen die Holland Casino heeft laten stellen als volgt geformuleerd: “Naar welke bankrekening(en) heeft Sekrève de koopsom overgemaakt?”. Blijkens het proces-verbaal van genoemd getuigenverhoor heeft [eiser] op vraag 28 geantwoord: “Switzerland bank account”. Genoemd proces-verbaal is bij brief van 13 oktober 2006 door de rechtbank Breda aan de procureur van Holland Casino toegezonden.

2.7. Bij dagvaarding van 4 oktober 2006 heeft Holland Casino herroeping ex artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van het arrest genoemd onder 2.4 gevorderd. Holland Casino legt aan deze vordering ten grondslag dat sprake is van bedrog door [eiser] in het geding gepleegd, en dat Holland Casino na het arrest van het Hof Amsterdam stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

2.8. In afwachting van een oordeel in de herroepingsprocedure heeft Holland Casino bij verleend verlof van 13 oktober 2006 ten laste van [eiser] conservatoir (derden)beslag gelegd onder Stichting Pensioenfonds Holland Casino.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het beslag dat door Holland Casino is gelegd onder de rechtspersoonlijkheid bezittende Stichting Pensioenfonds Holland Casino op zal heffen, op straffe van een dwangsom van EUR 50.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat Holland Casino niet aan dit vonnis zal voldoen, met een maximum van EUR 3.000.000,-- met veroordeling van Holland Casino in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat geen grond voor herroeping bestaat en dat bovendien de herroeping te laat is ingesteld.

3.3. Holland Casino voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Volgens art. 705 lid 2 Rv dient een beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. De kort geding rechter moet daarbij beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.

4.2. De voorzieningenrechter laat zich bij de beoordeling van het geschil in de eerste plaats leiden door het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2006, RvdW 2006, 670, waarin geoordeeld werd over een vordering in kort geding tot opheffing van een conservatoir beslag, op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag was gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, maar tegen welk vonnis hoger beroep was ingesteld. Ook in dat geval, aldus de Hoge Raad, dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wél te worden meegewogen, maar is niet zonder meer beslissend.

4.3. In het onderhavige geval ligt de casus enigszins anders, omdat niet sprake is van een vordering die in eerste instantie afgewezen is en waartegen appel is ingesteld, maar van een vordering die eerder in twee instanties is afgewezen, maar waarover thans een vordering tot herroeping ex artikel 382 Rv. aanhangig is. Maar de gedachtegang van genoemd arrest kan wel worden gevolgd, in die zin dat als hoofdvordering heeft te gelden de vordering tot herroeping ex artikel 382 Rv. Gekeken moet dus worden - naast de wederzijdse belangen van partijen - in hoeverre summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering tot herroeping gebleken is. Het te herroepen arrest van het Hof Amsterdam van 3 februari 2005 dient daarbij wél te worden meegewogen, maar is niet zonder meer beslissend. Dat neemt niet weg dat de herroepingsvordering uiteraard zeer kritisch bezien moet worden, omdat herroeping een bijzonder rechtsmiddel is dat slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is.

4.4. Holland Casino heeft aan haar vordering tot herroeping ten grondslag gelegd dat het vonnis van het Hof Amsterdam van 3 februari 2005 berust op bedrog en dat na het vonnis stukken van beslissende aard in handen van Holland Casino zijn gekomen, welke stukken door toedoen van [eiser] waren achtergehouden. Ter onderbouwing daarvan stelt Holland Casino dat zij op 21 juli 2006 van de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) een dossier heeft ontvangen waaruit blijkt dat [eiser] meerdere bankrekeningen in Zwitserland heeft aangehouden en dat [eiser] aanmerkelijke bedragen op die bankrekeningen heeft ontvangen van Otimex, dan wel Sekrève, terwijl [eiser] dit steeds heeft ontkend. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat op grond van deze aangevoerde gronden voldoende de deugdelijkheid van de vordering tot herroeping blijkt.

4.5. Daartoe is het volgende redengevend.

Blijkens het proces-verbaal van comparitie bij de kantonrechter te Haarlem van 17 mei 2001 heeft de - ter zitting aanwezige - [eiser] geen verklaring afgelegd, maar zijn raadsman, mr. Hammerstein, het woord voor hem laten voeren. Zoals vermeld onder 2.3 heeft de raadsman ter zitting onder meer verklaard dat [eiser] geen Zwitserse bankrekening heeft. Onweersproken staat voorts vast dat Holland Casino pas op 21 juli 2006 de beschikking heeft gekregen over stukken die volgens haar tot het bewijs van het tegendeel kunnen leiden, namelijk kopieën van afschriften van Zwitserse bankrekeningen op naam van [eiser]. Dat wijst voorshands erop dat sprake is geweest van het achterhouden van stukken in de zin van artikel 382 Rv.

4.6. [eiser] heeft voorts gesteld dat Holland Casino ingevolge het bepaalde in artikel 383 Rv. te laat is met het instellen van een vordering tot herroeping omdat Holland Casino reeds eerder wist van het bestaan van de Zwitserse bankrekening(en). [eiser] voert ter onderbouwing van zijn stelling aan dat Holland Casino reeds bij het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 15 mei 2000 heeft gesteld dat [eiser] steekpenningen zou hebben aangenomen en dat Holland Casino voorts in de procedure bij de rechtbank Breda bij conclusie na tussenvonnis van 26 januari 2005 vragen heeft geformuleerd waarbij onder meer naar het saldo op een Zwitserse bankrekening van [eiser] werd gevraagd. De voorzieningenrechter overweegt dat Holland Casino kennelijk vanaf het begin van de procedure een vermoeden over het bestaan van Zwitserse bankrekeningen van [eiser] heeft gehad, maar gesteld noch gebleken is dat Holland Casino enig schriftelijk bewijs van dat vermoeden eerder dan 21 juli 2006 tot haar beschikking had. Het onder 2.6 genoemde proces-verbaal, waarin [eiser] zelf van een Zwitserse bankrekening rept, heeft zij eerst na uitbrenging van de herroepingsdagvaarding in haar bezit gekregen. Uitgegaan moet dus worden van de datum van 21 juli 2006, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de vordering tot herroeping te laat is ingesteld.

4.7. De stelling van [eiser] dat het beslag dient te worden opgeheven omdat de vordering, gelet op de hoogte van het bedrag, nooit uit het beslag zou kunnen worden voldaan, vindt geen steun in het recht. [eiser] heeft voorts aangevoerd dat hij voor zijn levensonderhoud is aangewezen op zijn inkomsten uit pensioen en dat hij, nu het pensioen door het beslag is getroffen, om die reden verstoken is van alle inkomsten. Deze stelling heeft [eiser] evenwel, mede gezien de beslagvrije voet, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Ook de stelling dat het pensioen niet kan worden vervreemd, kan niet leiden tot het oordeel dat het beslag onnodig is. Hetzelfde geldt voor de stelling dat Holland Casino ter zake van de door haar beweerdelijk geleden schade beslag heeft gelegd ten laste van Otimex voor de vordering ingediend bij de rechtbank te Breda.

4.8. Gelet op het voorgaande zal de vordering worden afgewezen.

4.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Holland Casino worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.064,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Holland Casino tot op heden begroot op EUR 1.064,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2007.?