Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ7209

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
05/3811
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De schenkingsovereenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en zou bij een juiste voorstelling van zaken niet zijn gesloten. Artikel 6:228 BW. De aanslag in het recht van schenking is ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/47.21 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2007, 18
FutD 2007-0256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3811

Uitspraakdatum: 18 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid X te Z, eiseres,

gemachtigde: A

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 4 mei 2004 is aan eiseres een aanslag in het recht van schenking 2003 opgelegd groot € 42.641 (de aanslag).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak van 24 juni 2005 de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft bij brief van 4 augustus 2005, door de rechtbank diezelfde dag per fax ontvangen, beroep ingesteld. Op 20 september 2005 heeft de rechtbank nadere stukken ontvangen van eiseres en deze in kopie verstrekt aan verweerder. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2006 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen A en namens verweerder B. Van de zijde van eiseres is ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Bij notariële akte van ‘Schenking lijfrente’ van 9 mei 2003 heeft C (verder ook te noemen: de schenker) geschonken en zich verbonden om tijdens zijn leven gedurende 5 opeenvolgende kalenderjaren € 15.000 per jaar uit te keren aan eiseres (hierna: de schenkingsovereenkomst). Eiseres heeft de schenking aanvaard. De gemachtigde van eiseres is een zoon van de schenker en was betrokken bij de oprichting van eiseres en is thans lid van eiseres.

2.2. Blijkens voormelde akte is de schenking geschied onder de volgende bepalingen: (..)

- alle op deze schenking vallende rechten en kosten komen voor rekening van de schenker; (..)

2.3. Nadat de schenkingsovereenkomst tot stand was gekomen, heeft de schenker aan eiseres mondeling meegedeeld de schenkingsovereenkomst op grond van wederzijdse dwaling te vernietigen. Bij brief van 25 maart 2004 heeft de gemachtigde van eiseres dit schriftelijk aan verweerder meegedeeld. In verband hiermee heeft eiseres het aangiftebiljet Recht van Schenking oningevuld retour gezonden aan verweerder.

2.4. De schenker heeft op 21 januari 2003 een bedrag van € 1.000 en op 10 april 2003 een bedrag van € 5.000 met de omschrijving "vooruitbetaling schenking" aan eiseres overgemaakt.

2.5. Eiseres is niet aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 24, vierde lid, Successiewet 1956 (hierna: Successiewet).

2.6. De omvang van de schenking is vastgesteld conform artikel 6 Uitvoeringsbesluit van de Successiewet en als volgt berekend:

- periodieke uitkering à € 15.000 x 5 x 0,83 = € 62.250

- primair recht € 28.224

- totale waarde periodieke uitkering € 90.474

Op de aanslag is een te betalen bedrag aan schenkingsrecht vermeld van € 42.641.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of de schenking rechtsgeldig is vernietigd op grond van rechtsdwaling, zodat de aanslag ten onrechte is opgelegd. Indien wordt geoordeeld dat sprake is van dwaling, is voorts in geschil of deze dwaling voor rekening van partijen dient te blijven zodat de aanslag in stand moet blijven. De hoogte van het berekende schenkingsrecht is niet in geschil.

3.2. Eiseres stelt dat de aanslag ten onrechte is gehandhaafd, omdat de schenkingsovereenkomst is vernietigd wegens wederzijdse dwaling. De dwaling heeft betrekking op het tarief van het schenkingsrecht. Bij het aangaan van de overeenkomst verkeerden eiseres en schenker in de veronderstelling dat het tarief 11% zou zijn. Zij gingen er vanuit dat eiseres een algemeen nut beogende instelling is in de zin van artikel 24, vierde lid, van de Successiewet. Deze kwalificatie was voor beide partijen een voorwaarde voor de schenking. Aan de vernietigde overeenkomst is nooit gevolg gegeven. Een door de schenker in april 2003 aan eiseres bij wijze van voorschot betaald bedrag van € 5000 wordt als onverschuldigd betaald teruggevorderd. Eiseres heeft voorts om vermindering van schenkingsrecht verzocht en daartoe verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet vermindering schenkingsrecht.

3.3. Verweerder stelt daartegenover dat niet is gebleken dat de hoogte van het verschuldigde schenkingsrecht een voorwaarde was voor het aangaan van de overeenkomst van schenking. Dat het verschuldigde schenkingsrecht hoger was dan door de schenker bij het aangaan van de overeenkomst was gedacht, tariefgroep III (vanaf 41%) in plaats van een tarief van 11%, komt dan ook voor zijn eigen risico. Er is geen sprake van rechtsdwaling. De mondelinge vernietigingsverklaring heeft daarom geen effect. Dwaling in de fiscale gevolgen van een transactie regardeert de fiscus niet, maar is voor rekening van partijen. Het bezwaar is overigens aangemerkt als een verzoek om vermindering en als zodanig in behandeling genomen. Verweerder heeft voorts aangegeven niet terug te komen op het zijns inziens ten onrechte niet in de heffing betrekken van een bedrag van € 1.000 dat de schenker op 21 januari 2003 reeds aan eiseres had geschonken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 6:228, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar, indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

4.2. Met betrekking tot de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken, als bedoeld in voormeld artikellid, overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres stelt dat de contractspartijen bij het aangaan van de overeenkomst in de veronderstelling verkeerden dat schenkingsrecht verschuldigd was naar een tarief van 11%, het destijds voor algemeen nut beogende instellingen geldende tarief. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat hij aannemelijk acht dat partijen bij de schenking van een onjuiste veronderstelling omtrent de hoogte van het toepasselijk tarief voor het recht van schenking uitgingen. Ook de rechtbank ziet geen aanleiding om er aan te twijfelen dat partijen ten tijde van het aangaan van de schenkingsovereenkomst uitgingen van deze foute veronderstelling. Aangenomen mag dus worden dat eiseres en schenker bij het aangaan van de overeenkomst van schenking hebben gedwaald in de fiscale gevolgen daarvan. Dwalen in de fiscale gevolgen van een overeenkomst vormt een onjuiste voorstelling van zaken als bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, aanhef en onder c, van het BW.

4.3. Verweerder heeft ter zitting echter aangevoerd dat toch geen sprake is van dwaling, omdat de hoogte van het tarief geen voorwaarde was voor het aangaan van de overeenkomst. Aan verweerder kan worden toegegeven dat de omvang van het tarief niet expliciet als voorwaarde in de schenkingsovereenkomst is vastgelegd. Dat feit is echter op zichzelf niet doorslaggevend omdat het wettelijk criterium inhoudt dat een vereiste voor dwaling is dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Aan dat vereiste is in onderhavig geval wel voldaan. Dit leidt de rechtbank af uit de volgende feiten.

Een schenking aan een vereniging als de onderhavige, dat wil zeggen een rechtspersoon die niet is aangemerkt als algemeen nut beogende instelling in de zin van artikel 24, vierde lid, van de Successiewet, is niet belast tegen een tarief van 11%, maar wordt belast op basis van tariefgroep III. Uit de stukken blijkt dat het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest dat het verschuldigde schenkingsrecht voor rekening zou komen van de schenker. Ook in de akte van schenking is bepaald dat de op de schenking vallende rechten en kosten voor rekening van de schenker komen. In een e-mail bericht van 21 augustus 2002 van de gemachtigde van eiseres, die ook optreedt als gemachtigde van de schenker, aan één van de leden van de vereniging (toen nog in oprichting) staat: “... me vader schenkt de komende vijf jaar 15.000 euro. daarover betaalt de vereniging 11% belasting ...”. In een e-mail bericht van 6 februari 2003 schrijft de gemachtigde van eiseres, die ook optreedt als gemachtigde van de schenker aan de schenker: “…volgens mij zou je per jaar 15.000 geven … [de vereniging X] betalen 1.650 schenkingsrecht per jaar …” Gelet op deze e-mail berichten en het grote verschil in het tarief van 11% voor algemeen nut beogende instellingen en het tarief van tariefgroep III, dat eveneens gevolgen heeft voor de berekening van het primaire recht, acht de rechtbank het aannemelijk dat het van toepassing zijn van het 11% tarief een voorwaarde was voor de schenking en dat de schenkingsovereenkomst bij een juiste voorstelling van zaken over het toepasselijk tarief niet zou zijn gesloten. Aan de voorwaarden van artikel 6:228, eerste lid aanhef en onder c, van het BW is dus voldaan, zodat de vernietigingsverklaring rechtsgevolg heeft.

4.4. Voor zover verweerder met zijn stelling, dat een dwaling in de fiscale gevolgen van een overeenkomst de fiscus niet regardeert, een beroep doet op artikel 6:228, tweede lid, van het BW overweegt de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002, nr. 35 820, BNB 2002/313 als volgt. De bepaling dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die in verband met de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de dwalende behoort te blijven, geeft een regel omtrent de verdeling van het risico van dwaling tussen de contractspartijen. Alleen een contractspartij kan daarop een beroep doen. Voor het onderhavige geval kan, ook al blijft een dwaling in het toepasselijk recht tussen partijen bij een overeenkomst in de regel voor rekening van de dwalende, het tweede lid van artikel 6:228 van het BW verweerder derhalve niet baten.

4.5. Verweerder heeft ter zitting nog aangevoerd dat door de betaling van € 1000, respectievelijk € 5.000 uitvoering is gegeven aan de schenkingsovereenkomst. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Uit het voorgaande volgt dat de schenkingsovereenkomst op 9 mei 2003 in een notariële akte is vastgelegd. De bedragen die in januari en april 2003 reeds zijn betaald, dienden als vooruitbetaling. Nu de schenkingsovereenkomst is vernietigd als gevolg van dwaling kan ten aanzien van deze vooruitbetaalde bedragen niet worden geoordeeld dat deze berusten op een schenking. Verder heeft eiseres onweersproken gesteld dat de betalingen als onverschuldigd betaald door de schenker zijn teruggevorderd, welke vordering door eiseres, zo begrijpt de rechtbank, niet wordt betwist. Ten slotte heeft de gemachtigde van eiseres zich persoonlijk borg gesteld voor de terugbetaling van de bedragen.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de aanslag schenkingsrecht ten onrechte aan eiseres heeft opgelegd. De rechtbank zal de aanslag daarom vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige grieven van eiseres geen bespreking meer.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van de onderhavige procedure gesteld op € 15, zijnde de reiskosten van de gemachtigde per openbaar vervoer 2de klasse in verband met het bijwonen van de zitting van 9 oktober 2006.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag in het recht van schenking 2003;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 276 aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 15 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Deze uitspraak is gedaan op 18 januari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter en mrs. R.H.M. Bruin en J.L. Bruinsma in tegenwoordigheid van mr. J. de Roo, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.