Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ6975

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
10/601065-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod; medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; medeplegen van witwassen. I. De raadsvrouw stelt dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verklaringen van [betrokkene 1] voor het bewijs moeten worden uitgesloten, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [betrokkene 1] als getuige te horen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. (...) Het (...) feit dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest getuige [betrokkene 1] te bevragen staat op zichzelf niet in de weg aan de bruikbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen voor het bewijs. II. Indien de door [betrokkene 1] bij de politie afgelegde verklaringen wel tot bewijs zouden mogen dienen, stelt de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn. Bij gebrek aan ondersteunend bewijs dient verdachte dan ook vrij te worden gesproken van het haar onder 1 en 2 tenlastegelegde. De rechtbank overweegt hierontrent als volgt. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier naar voren komt dat [betrokkene 1], met name op 12 juni 2006 en op 22 september 2005, belastende verklaringen ten aanzien van verdachte heeft afgelegd. Deze verklaringen zijn consistent voor wat betreft het aantal ondernomen drugstransporten, de hoeveelheid cocaïne die daarbij is ingevoerd vanuit Suriname, de wijze waarop deze transporten in hun werk zijn gegaan en de rol die verdachte bij het aan haar onder feit 1 tenlastegelegde drugstransport heeft gehad. De verklaringen vinden bovendien op een aantal relevante en gedetailleerde punten steun in andere stukken en verklaringen uit het dossier. Zie voor medeverdachte AZ6970.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS HAARLEM,

NEVENZITTINGHOUDENDE TE SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 10/601065-06

Uitspraakdatum: 23 januari 2007

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 januari 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 19 november 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 500 gram, althans een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 31 mei 2006 te Amsterdam en/of Amstelveen, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of (één van) haar mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar (telkens) opzettelijk

- een ontmoeting gehad met een persoon, genaamd [betrokkene 1], met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van voornoemde hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of

- een persoon, te weten [betrokkene 1], benaderd en/of gevraagd om naar Suriname te vliegen met de bedoeling om aldaar voornoemde hoeveelheid cocaïne te halen en/of

- die persoon, te weten [betrokkene 1], een (geld)bedrag, althans een beloning, in het vooruitzicht gesteld;

3.

Primair:

zij in of omstreeks de periode van 28 mei 2006 tot en met 6 juni 2006 te Hazeldonk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (met behulp van een koerier, genaamd [betrokkene 2]) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht één of meer (in bolletjes verpakte) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Subsidiair:

zij op of omstreeks 6 juni 2006 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad één of meer, in bolletjes/verpakkingsmateriaal achtergebleven, (geringe) hoeveelhe(i)d(en), van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

Primair:

zij op of omstreeks 6 juni 2006 te Amstelveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten één of meerdere geldbedrag(en) (totaal ter waarde van 9.710,- euro of daaromtrent), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) (totaal ter waarde van 9.710,- euro of daaromtrent) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair:

zij op of omstreeks 6 juni 2006 te Amstelveen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten één of meerdere geldbedrag(en) (totaal ter waarde van 9.710,- euro of daaromtrent), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) (totaal ter waarde van 9.710,- euro of daaromtrent) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsverweren

I. De raadsvrouw stelt dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verklaringen van [betrokkene 1] voor het bewijs moeten worden uitgesloten, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [betrokkene 1] als getuige te horen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van deze rechtbank van 8 januari 2007 blijkt dat [betrokkene 1] tot drie maal toe door de rechter-commissaris is opgeroepen om als getuige een verklaring af te leggen. Zij heeft geen gehoor gegeven aan deze oproepen. Op grond van de verdere inhoud van voornoemd proces-verbaal moet voorts worden geconcludeerd dat, met name gelet op hetgeen de behandelend arts van [betrokkene 1], [behandelend arts], daaromtrent heeft verklaard, de psychische toestand van [betrokkene 1] op dit moment te onstabiel is om een verklaring af te kunnen leggen, terwijl ook niet te verwachten is dat zij, daartoe nogmaals opgeroepen, binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen om als getuige te kunnen worden gehoord. Dit geldt temeer nu [betrokkene 1] niet alleen drugsverslaafde is maar tevens dakloos.

Gelet op het vorenstaande staat het feit dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest getuige [betrokkene 1] te bevragen op zichzelf niet in de weg aan de bruikbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen voor het bewijs..

II. Indien de door [betrokkene 1] bij de politie afgelegde verklaringen wel tot bewijs zouden mogen dienen, stelt de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn. Bij gebrek aan ondersteunend bewijs dient verdachte dan ook vrij te worden gesproken van het haar onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt hierontrent als volgt.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier naar voren komt dat [betrokkene 1], met name op 12 juni 2006 en op 22 september 2005, belastende verklaringen ten aanzien van verdachte heeft afgelegd. Deze verklaringen zijn consistent voor wat betreft het aantal ondernomen drugstransporten, de hoeveelheid cocaïne die daarbij is ingevoerd vanuit Suriname, de wijze waarop deze transporten in hun werk zijn gegaan en de rol die verdachte bij het aan haar onder feit 1 tenlastegelegde drugstransport heeft gehad. De verklaringen vinden bovendien op een aantal relevante en gedetailleerde punten steun in andere stukken en verklaringen uit het dossier.

Zo heeft [betrokkene 1] verklaard dat zij in 2004 viermaal op drugstransport is geweest naar Suriname, voor het eerst in de maand juni. Uit opgevraagde vluchtgegevens blijkt onder meer dat [betrokkene 1]:

- op 3 juni 2004 van Amsterdam naar Paramaribo is gevlogen;

- op 17 juni van Paramaribo naar Amsterdam is gevlogen;

- op 29 juli 2004 van Amsterdam naar Paramaribo is gevlogen;

- op 9 augustus 2004 van Paramaribo naar Amsterdam is gevlogen.

Uit door verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] afgelegde verklaringen blijkt voorts dat [betrokkene 1] op of omstreeks 19 november 2004 met dezelfde vlucht als de medeverdachte komend vanuit Suriname is geland op Schiphol. Verdachte en genoemde medeverdachte bevestigen dat [betrokkene 1], zoals zij heeft verklaard, vervolgens met hen is meegegaan naar de woning van de medeverdachte in Zoetermeer.

Voorts heeft [betrokkene 1] verklaard dat zij door de medeverdachte is mishandeld alvorens voor de vierde maal voor hem naar Suriname te zijn afgereisd en na deze mishandeling nog naar haar werk - op dat moment was zij werkzaam in café [café] te Zoetermeer - te zijn gegaan. In het dossier bevinden zich verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] waarin wordt bevestigd dat [betrokkene 1] eind september 2004 met een blauw oog, blauwe plekken en een dikke lip in [café] verscheen en dat zij destijds, door getuige [getuige 1] daarnaar gevraagd, aan hem verteld heeft dat dit letsel was veroorzaakt door [medeverdachte] door wie zij werd gedwongen om wederom cocaïne vanuit Suriname te smokkelen.

Het gesprek, voorts, in mei 2006 waarin [betrokkene 1] door verdachte is gevraagd naar Suriname te reizen, wordt bevestigd door zowel verdachte ter terechtzitting als door getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris op 5 januari 2007.

Ook een uitstap met verdachte naar een strandje bij het IJmeer, waar [betrokkene 1] op 12 juni 2006 over verklaart, klopt met de door verdachte in haar agenda geschreven opmerking “[betrokkene 1] gehaald - Blijburg” op zondag 7 mei 2006 (p. 202 Zaaksdossier Vakantie).

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar en heeft (met name) deze verklaringen voor het bewijs voor feit 1 gebezigd.

III. De raadsvrouw voert ten aanzien van feit 3 en 4 aan dat de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres] onrechtmatig is geweest, nu in het dossier de schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 19 juni 2006 ontbreekt. Voorts heeft zij aangevoerd dat er geen sprake was van een dringende noodzakelijkheid tot een spoedzoeking. Zij verbindt hieraan de conclusie dat dit, ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dient te leiden tot bewijsuitsluiting en dientengevolge niet kan worden bewezen hetgeen onder 3 subsidiair en onder 4 ten laste is gelegd.

De rechtbank stelt het navolgende vast.

Op 19 juni 2006 heeft de rechter-commissaris op schriftelijk verzoek van de officier van justitie van diezelfde datum - welk verzoek van het dossier deel uitmaakt - zijn op 6 juni 2006 afgegeven mondelinge machtiging tot doorzoeking van de woning van verdachte, schriftelijk bevestigd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting voorts opgemerkt dat de politie opdracht had om verdachte buiten heterdaad aan te houden, maar dat het geenszins duidelijk was wanneer men verdachte zou kunnen aanhouden, gelet op het feit dat zij beroepshalve vaak in het buitenland verbleef. Er kon dan ook niet vooraf zondermeer gepland worden wanneer de aanhouding en aansluitend de zoeking plaats zouden moeten en kunnen vinden. De uitleg van de officier van justitie ter terechtzitting met betrekking tot de spoedeisendheid acht de rechtbank genoegzaam.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat sprake is geweest van een rechtmatige zoeking. Het verweer treft derhalve geen doel.

3.2 Vrijspraak

Met betrekking tot feit 2 is de rechtbank van oordeel dat, hoewel niet onaannemelijk is dat [betrokkene 1] terecht in de veronderstelling verkeerde dat zij bolletjes drugs mee terug moest nemen van de door verdachte aangeboden reis naar Suriname, er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is in het dossier om tot een veroordeling voor de tenlastegelegde voorbereidinghandelingen te komen. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte met betrekking tot feit 3 primair ook dient te worden vrijgesproken. Uit de telefoongegevens blijkt dat er op 28 mei 2006 te 22.39.16 uur een sms-bericht is verzonden door [betrokkene 2] naar verdachte, waaruit verdachte naar eigen zeggen heeft afgeleid dat die [betrokkene 2] op dat moment bollen met drugs had geslikt. Ondanks dat verdachte op de terechtzitting heeft aangegeven niets met drugs te maken willen hebben, heeft zij [betrokkene 2] daarop toch met haar auto opgehaald in Parijs. Tijdens de autorit naar Nederland zou verdachte tegen [betrokkene 2] hebben gezegd dat hij alle bolletjes uit moest poepen, waarop zij een uur bij een tankstation zou hebben gewacht terwijl [betrokkene 2] op de wc zat. Daarna is verdachte met [betrokkene 2] naar Nederland doorgereden.

Hoewel de rechtbank op grond van het bovenstaande de overtuiging heeft dat verdachte een drugskoerier heeft afgehaald in Parijs, ontbreekt naar haar oordeel voldoende wettig bewijs ten aanzien van de invoer van cocaïne door verdachte en deze [betrokkene 2] binnen het grondgebied van Nederland.

3.3 Bewijsoverweging

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte reeds in 2004 contacten had met mensen die, naar zij op dat moment wist, bezig waren (geweest) met de handel in drugs. In die tijd ging verdachte al om met haar huidige vriend, [medeverdachte], die eerder was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren in verband met de in - dan wel uitvoer van verdovende middelen en die - op het moment dat verdachte en [medeverdachte] reeds een relatie hadden- in oktober 2005 is veroordeeld in verband met het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne.

In de badkamer van verdachte is een voorraad hulpmiddelen aangetroffen die de stoelgang bevorderen, te weten een doosje klysma’s en een doosje laxeertabletten. Het is een feit van algemene bekendheid dat bolletjesslikkers vaak stoelgangbevorderende middelen gebruiken om de bolletjes met verdovende middelen sneller te kunnen produceren.

Nu voorts in de bank in de woonkamer van verdachte een hoeveelheid verpakkingsmaterialen met - naar later bleek - cocaïneresten is aangetroffen gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in ieder geval het voorwaardelijk opzet had op het voorhanden hebben van de aangetroffen hoeveelheid cocaïne.

3.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

zij in de periode van november 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 500 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

Subsidiair

zij op 6 juni 2006 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad meer, in bolletjes/verpakkingsmateriaal achtergebleven, geringe hoeveelheden, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

Primair

zij op 6 juni 2006 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een geldbedrag, totaal ter waarde van 9.710,- euro, voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 3 of 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

- ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod

- ten aanzien van feit 3 subsidiair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

- ten aanzien van feit 4 primair: medeplegen van witwassen

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties

6.1 De vordering van de officier van justitie

Door de officier van justitie is ter zitting gerekwireerd tot:

- vrijspraak van hetgeen is tenlastegelegd onder 3 primair;

- bewezenverklaring van hetgeen is tenlastegelegd onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van ongeveer 500 gram van een materiaal bevattende cocaïne en aan het voorhanden hebben van verpakkingsmateriaal bevattende een geringe hoeveelheid cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De aangetroffen restanten verpakkingsmateriaal duiden erop dat verdachte zich kennelijk begeeft in een circuit waar cocaïne circuleert.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag. Deze handelwijze vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Door de raadsvrouw is verzocht om strafvermindering, nu verdachte door politie en justitie niet op correcte wijze zou zijn behandeld.

Aan verdachte zou, na haar aanhouding, de door haar opgegeven voorkeursadvocaat zijn onthouden. Wel is de dienstdoende piketadvocaat gebeld en bij verdachte langs geweest. Voorts zou de wijze waarop verdachte door de politie is verhoord ongeoorloofd zijn geweest, nu tijdens het verhoor foto’s van schaars geklede en (deels) blote vrouwen voor haar op tafel hebben gelegen, welke foto’s zijn aangetroffen in de in de woning van verdachte in beslag genomen computer van haar vriend, medeverdachte [medeverdachte].

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte door het optreden van de politie, daar waar het gaat om de wijze van verhoor, met inbegrip van het tonen van de betreffende foto’s, alsook het vooreerst inschakelen van ene piketadvocaat, is geschaad in enig rechtens te respecteren belang.

De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding strafvermindering toe te passen.

Wel houdt de rechtbank, meer nog dan de officier van justitie, rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld en inmiddels, na te zijn ontslagen bij KLM naar aanleiding van de onderhavige strafzaak, een nieuwe baan heeft weten te verwerven.

Gelet op de uiteindelijke bewezenverklaring en voornoemde persoonlijke omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat na te noemen gevangenisstraf en werkstraf recht doen aan de aard en ernst van de feiten.

Een gedeelte van de op te leggen vrijheidsbenemende straf behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte, die ter terechtzitting heeft aangegeven nog altijd een relatie te hebben met medeverdachte, ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten, met name soortgelijke te begaan.

In aanvulling op de vrijheidsbenemende straf acht de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren passend en geboden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 22c, 22d, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht

2, 10 van de Opiumwet

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de haar onder 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 136 (honderdzesendertig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Deze aftrek wordt bepaald op 44 dagen.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderd veertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

De taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Beveelt de opheffing van het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Honig, voorzitter,

mrs. Van Mierlo en Van Acker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Touwen en Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 januari 2007.