Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:BH4205

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
05-4582
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ex art. 27, eerste lid, letter n Wet MRB jo art. 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c Uitv. Besluit motorrijtuigenbelasting 1994. Vrijstelling voor auto's in gebruik voor openbaar vervoer dan wel taxivervoer is niet van toepassing gezien inbouw van kilometertelleronderbreker in auto van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 815

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4582

Uitspraakdatum: 25 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: A

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 4 juni 1999 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 466 alsmede bij beschikking met dezelfde dagtekening een boete van 100% van het nageheven bedrag.

1.2. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft bij de bestreden uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot 50% van het nageheven bedrag.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweer¬schrift ingediend.

1.4. Bij het onderzoek ter zitting van 11 oktober 2006 te Haarlem zijn verschenen en gehoord eiser en zijn gemachtigde A, alsmede B en C namens verweerder, tot bijstand vergezeld van D, E en F.

Gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

2.1. Eiser is taxichauffeur te Q. Voor zijn onderneming beschikt eiser in het onderhavige jaar over een Audi personenauto met kenteken 00-00-00 (hierna: de auto). In het kader van de werkzaamheden als taxichauffeur is aan eiser het taxinummer 001 toegekend.

2.2. Voor de auto is op 4 oktober 1996 deel I van het kentekenbewijs afgegeven. Eiser heeft de auto als schadeauto gekocht en is sedert 3 september 1997 kentekenhouder van de auto. Na aankoop heeft eiser de benodigde reparaties uitgevoerd, en heeft hij vervolgens bij G (hierna: G) een taxameter en een mobilofoon in de auto laten inbouwen.

2.3. Op verzoek van eiser is met toepassing van artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) per 3 juni 1998 voor de auto vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend.

2.4. Bij eiser is in 2003 een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport (toegevoegd als bijlage 3 bij het beroepschrift) is, voor zover hier van belang, onder punt 3.2 vermeld:

Uit aan de Belastingdienst ter beschikking staande gegevens is gebleken dat in de auto met het kenteken 00-00-00 een kilometertelleronderbreker is ingebouwd. Als de kilometertelleronderbreker tijdens het rijden is ingeschakeld blijven de kilometerteller, de snelheidsmeter en de dagteller normaal doorlopen. Pas na afloop van het gebruik van de onderbreker springt de kilometerstand terug naar de beginstand bij het inschakelen van de onderbreker. (…)

Op basis van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd.

2.5. In diverse door verweerder overgelegde processen-verbaal van de Rijksverkeersinspectie wordt door taxichauffeurs verklaard dat een kilometertelleronderbreker (hierna: kto) in hun taxi is ingebouwd en dat dit bij 90 % van de taxi’s te Q het geval is.

2.6. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een bladzijde uit de bedrijfsagenda van G. Op de bladzijde van 19 september 1997 is in de opvatting van verweerder vermeld:

“001 Audi 0654307431 10e-’96

meter en mob inbouw. teller onderbreker met afstand”

2.7. In als bijlage 8 bij het verweerschrift overgelegde processen-verbaal van Fiod Vestiging te Q en regiopolitie te Q in verband met onderzoek naar mogelijke fraude binnen de taxibranche is door de eigenaar en medewerkers van het bedrijf dat zich bezighield met het inbouwen van taxameters onder meer verklaard:

“De omzet van de kilometertelleronderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of

diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometertelleronderbrekers kochten zich

niet bekend wilde maken of wilde worden... (...)

Door (...) werden er in de jaren 1997, 1998 en 1999 gemiddeld zo’n zeven kilometeronderbrekers per week ingebouwd. Zeker weten doe ik dit niet. Het kunnen er ook meer geweest zijn. In ieder geval minder dan zeven zullen het er in ieder geval niet geweest zijn.”

3. Geschil

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd, meer in het bijzonder of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de auto voor ten minste 90 procent voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding alsmede naar hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet MRB is bepaald dat onder de naam ‘motorrijtuigenbelasting’ een belasting wordt geheven ter zake van het houden van - onder meer - een personenauto.

Artikel 6 Wet MRB houdt in dat de belasting voor een personenauto wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Blijkens artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet MRB wordt een motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet.

4.2. Artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de Wet MRB (tekst tot en met 2000) houdt in dat vrijstelling van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt verleend voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt. De hiervoor genoemde voorwaarden en beperkingen zijn gesteld in het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit).

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit is bepaald dat vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt, indien een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

4.3. Eiser, die zich op het standpunt stelt dat de auto niet in privé is gebruikt, dient aannemelijk te maken dat de auto geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor ten minste 90 procent, voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt. Eiser ontkent dat een kto is ingebouwd.

4.4. Verweerder heeft de kilometeradministratie van eiser verworpen, er van uitgaande dat in de auto een kto is aangebracht. De bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van een kto in de auto rust, tegenover de ontkenning door eiser, op verweerder.

4.5. Na afweging van de verklaring van eiser tegen het door verweerder ingebrachte bewijs is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het aan de stukken te ontlenen sterke vermoeden dat een kto is ingebouwd, door eiser onvoldoende gemotiveerd is weersproken.

De omstandigheden die tot deze conclusie hebben geleid zijn de volgende:

- Zoals onder 2.4 beschreven hebben taxichauffeurs verklaard dat in en omstreeks 1998 op ruime schaal kto’s zijn ingebouwd in taxi’s.

- Uit de onder 2.6 vermelde door de eigenaar en medewerkers van G afgelegde verklaringen blijkt dat het vanaf 1997 tot de gebruikelijke werkzaamheden van G behoorde om naast taxameters kto’s in te bouwen.

- De vermelding in de agenda van G, zoals onder 2.5 weergegeven, van te verrichten werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat deze aantekening in de agenda ziet op het aanbrengen van een kto in de auto van eiser. Het opnemen van eisers taxinummer 001 (anders dan gemachtigde is de rechtbank van oordeel dat de handgeschreven aantekening voldoende duidelijk dit nummer aangeeft), het vermelden van het automerk en de aantekening 10e-’96 (waarbij de rechtbank verweerder volgt in zijn stelling dat dit ziet op het afgeven van het kenteken voor de auto in oktober 1996, zoals onder 2.2 omschreven) en de omstandigheid dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij kort na aankoop en het uitvoeren van een aantal reparaties bij G een taxameter en mobilofoon heeft laten inbouwen (waarbij de datering van de aantekening in de agenda logisch en in de tijd passend aansluit op de kort daaraan voorafgaande aankoop) leidt - op zich en in onderlinge samenhang bezien - tot bedoeld oordeel.

De omstandigheid dat het aanbrengen van een kto in de agenda, anders dan de meeste gevallen zoals onder 2.6 omschreven, niet is aangeduid met ‘diversen’ maar met de vermelding ‘teller onderbreker met afstand’ kan niet aan verweerder worden tegengeworpen en leidt evenmin tot een ander oordeel.

4.6. De rechtbank acht - gelet op het inbouwen van een kto en de daarmee gepaard gaande kosten, de dag voorafgaande aan de ingebruikname van de auto als taxi - het voorts aannemelijk en gaat er van uit dat de kto na inbouw is gebruikt om een deel van de door de auto verreden kilometers niet door de kilometerteller te laten registreren.

4.7. Eiser is van oordeel, zoals omschreven in onderdeel van 8 van het beroepschrift, dat uit de overgelegde maandlijsten, omzet- en kilometeradministratie afdoende is af te leiden dat door hem met de auto geen privékilometers zijn verreden, hetgeen betekent dat de auto voor ten minste 90 % is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer.

Gelet op het voorgaande dient bij de beoordeling van deze maandlijsten, omzet- en kilometeradministratie, welke zijn gebaseerd op de door eiser ingevulde rittenstaten, rekening te worden gehouden met de aanwezigheid en het gebruik van de kto.

Nu de op de rittenstaten vermelde beginstand en eindstand per dag van verreden kilometers door eiser zijn ingevuld aan de hand van de stand van de kilometerteller (zoals hij ter zitting heeft verklaard) en deze standen door het gebruik van de kto (gezien de onder 2.3 vermelde werking ervan) zijn gemanipuleerd, dienen zowel de rittenkaarten als de daarop gebaseerde maandlijsten, omzet- en kilometeradministratie als onbetrouwbaar te worden aangemerkt.

Aangezien geen ander bewijs met betrekking tot het gebruik van de auto aanwezig is, leidt dit tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt.

Op grond van hetgeen is bepaald in artikel 76 van de Wet MRB heeft verweerder de in het geding zijnde naheffingsaanslag derhalve terecht vastgesteld.

4.8. Artikel 77 van de Wet MRB bepaalt dat in het geval van artikel 76 van de Wet MRB artikel 37 van die wet van overeenkomstige toepassing is. In voormeld artikel 37 is onder meer bepaald dat artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van toepassing is. Op grond van laatstgenoemd artikel is in een geval als het onderhavige sprake van een verzuim ter zake waarvan verweerder eiser een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen.

Na bezwaar heeft verweerder de boete verminderd tot 50% van de aanvankelijk opgelegde boete en heeft hij aldus rekening gehouden met het repeterende karakter daarvan in diverse met de onderhavige naheffingsaanslag samenhangende zaken. De rechtbank acht de resterende boete van 50% van de na te heffen belasting onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

4.9. De stelling van gemachtigde dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of anders overmacht ten aanzien van het verloren gaan van delen van de administratie zodat reeds op die grond de opgelegde boete dient te vervallen, faalt reeds daarom nu de boete niet zijn grondslag vindt in het niet ter inzage geven van de administratie, maar in het manipuleren van de kilometerteller met behulp van een kto.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door dr mr A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr E.J.E.M. Anderluh – Vanherck, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.