Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:BD6040

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
15/500021-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer cocaïne. Verdediging bestrijdt medepleging; er is geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking. Rechtbank:

Ten aanzien van de bewuste samenwerking wordt noch in de wet, noch in de jurisprudentie de eis gesteld dat sprake dient te zijn van uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken. Ook stilzwijgende samenwerking kan medeplegen opleveren. Medeplegen veronderstelt bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Deze voorwaarden zijn te beschouwen als communicerende vaten, hetgeen inhoudt dat naarmate de gezamenlijke uitvoering intensiever is, minder eisen worden gesteld aan de bewuste samenwerking, en vice versa. Gezien de in het vonnis geschetste feiten en omstandigheden is er volgens de rechtbank wel degelijk sprake van samenwerking. Voorts overweegt de rechbtank dat naar het oordeel van de rechtbank was het opzet van verdachte niet alleen gericht op de invoer van het eigen gewicht aan cocaïne maar ook op de door medeverdachte Perez Cedeno meegevoerde cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/500021-06

Uitspraakdatum: 4 april 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 maart 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I.V. HvB Nieuwersluis te Nieuwersluis.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in haar verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf van 14 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- verbeurdverklaring van het vliegticket en de claimtag, alsmede onttrekking aan het verkeer van de cocaïne (inclusief het verpakkingsmateriaal), en teruggave aan verdachte van het paspoort en de verblijfsvergunning, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

4. Bewijsbeslissing

4.1 Medeplegen

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat geen sprake is geweest van medeplegen van invoer van cocaïne door verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte], aangezien er onvoldoende bewijs is om van een bewuste en nauwe samenwerking tussen hun tweeën uit te gaan. De raadsman verzoekt vrijspraak voor dat bestanddeel van de tenlastelegging.

De rechtbank is hieromtrent het navolgende van oordeel.

Ten aanzien van de bewuste samenwerking wordt noch in de wet, noch in de jurisprudentie de eis gesteld dat sprake dient te zijn van uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken. Ook stilzwijgende samenwerking kan medeplegen opleveren. Medeplegen veronderstelt bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Deze voorwaarden zijn te beschouwen als communicerende vaten, hetgeen inhoudt dat naarmate de gezamenlijke uitvoering intensiever is, minder eisen worden gesteld aan de bewuste samenwerking, en vice versa.

In casu is sprake van twee dames die tegelijkertijd naar Santo Domingo reizen, die elkaar volgens verklaring van verdachte in Rotterdam wel eens hebben gezien, en die elkaar in ieder geval in Brussel - op de heenreis - hebben ontmoet. In een bagagestuk van verdachte is immers een bagagelabel is aangetroffen voor de route Brussel - Punta Cana, waaruit op te maken viel dat er op 28 december 2005 drie stuks bagage waren ingecheckt ten name van [naam]. Over deze claimtag in haar bagage heeft de medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat verdachte overgewicht had en dat zij haar wilde helpen. Dat verdachte en haar medeverdachte, samen hebben gereisd moge verder nog blijken uit de navolgende feiten en omstandigheden, die naar het oordeel van de rechtbank op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk zijn geworden. In beide paspoorten staat een uitreisstempel vanuit Brussel op 28 december 2005. Verdachte en haar medeverdachte zijn naar Nederland teruggereisd, nadat ze beiden slechts vier dagen in Santo Domingo zijn verbleven. Beiden waren in het bezit van een cash betaald vliegticket voor de vlucht MP 0619 Puerto Plata –Amsterdam op 31 december 2005, gekocht bij reisbureau [a-travel] te Santo Domingo en opvolgend genummerd. Over dit cash betaalde vliegticket voor de terugvlucht hebben beide verdachten verklaard dat zij dit deden, omdat dat goedkoper was. Tevens waren verdachte en haar medeverdachte in het bezit van opvolgend genummerde claimtags, hetgeen inhoudt dat de desbetreffende personen na elkaar hebben ingecheckt. Daarnaast vertoonde de inhoud van de bagage van beide vrouwen opvallend veel overeenkomsten (Maggi bouillonblokjes, pakken Dominicaanse koffie, een pak Gin Seng, meerdere worsten en een stuk speelgoed) en hadden beide vrouwen relatief véél bagage bij zich, hetgeen niet overeenkwam met hun korte verblijf in Santo Domingo.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de gezamenlijke uitvoering is overwogen, acht de rechtbank niet geloofwaardig dat verdachte en haar medeverdachte toevallig tegelijk naar de Dominicaanse Republiek zouden zijn afgereid en dat zij elkaar niet (vooraf) kenden. De rechtbank neemt aan dat de – overigens ook tegenstrijdige – verklaringen van beiden over de mate waarin zij samen gereisd hebben en over de vraag of zij elkaar kenden, kennelijk bedoeld waren om de waarheid, namelijk dat verdachte en haar medeverdachte wel degelijk van te voren van elkaar wisten dat ze allebei bolletjes gingen slikken en met dat doel samen op reis zijn gegaan, te bemantelen. Naar het oordeel van de rechtbank was het opzet van verdachte daarom niet alleen gericht op de invoer van het eigen gewicht aan cocaïne maar ook op de door medeverdachte Perez Cedeno meegevoerde cocaïne.

De rechtbank acht voornoemde feiten en omstandigheden voldoende om aan te nemen dat verdachte tezamen en in vereniging met haar medeverdachte een cocaïnetransport heeft uitgevoerd.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

zij op 1 januari 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties en van de overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de invoer van, zoals uit het dossier blijkt, ongeveer 1832 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank ziet noch in de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft begaan noch in haar persoonlijke omstandigheden reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf zal vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd om verdachte er in de toekomst van te weerhouden strafbare feiten te begaan. Gelet op de ingevoerde hoeveelheid cocaïne en de in samenhang daarmee op te leggen straf is voor een taakstraf, zoals door verdachte voorgesteld, geen plaats.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een vliegticket en een claimtag, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die voorwerpen aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

7.3 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de cocaïne (inclusief het verpakkingsmateriaal), dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot die cocaïne is begaan. Het ongecontroleerde bezit van cocaïne is in strijd met de wet. Het ongecontroleerde bezit van het verpakkingsmateriaal is – nu de geur van cocaïne er mogelijk nog aan zit – in strijd met het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN (14) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot VIER (4) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 stk vliegticket

Martinair 3264925721;

- 1.00 stk claimtag

Martinair

0129mp200781.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 892,40 gram cocaïne

inclusief verpakkingsmateriaal.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 stk paspoort

nationaal

Dominicaanse Republiek 3885864;

- 1.00 stk verblijfsvergunning

Nederlands verblijfsdoc. Nld. 42711320.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Tielenius Kruythoff, voorzitter,

mrs. Kalden en Robert, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Botma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 april 2006.