Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:BD6029

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-09-2006
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
06/1944 en 06/1941
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vennootschapsbelasting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1425

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/1944 en AWB 06/1941

Uitspraakdatum: 18 september 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2000 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van USD 250.000 (omgerekend f. 596.220). In deze aanslag ligt besloten dat verweerder gelijktijdig een beschikking als bedoeld in artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2000) heeft genomen, inhoudende de vaststelling van het verlies over het onderhavige jaar op nihil. Gelijktijdig met de aanslag heeft verweerder een verzuimboete ad € 1.250 opgelegd.

De verliesvaststelingsbeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2005 gehandhaafd. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar van 14 januari 2006 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van USD 35.344 (omgerekend f. 84.291). In laatstgenoemd geschrift is de verzuimboete gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen deze uitspraken bij brief van 26 januari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 27 januari 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen mr. A, tot bijstand vergezeld door mr. B. Namens verweerder is verschenen mr. drs. C en D.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres is een houdstermaatschappij. De aandelen van eiseres worden in het onderhavige jaar gehouden door E, F, G B.V., M B.V., Trustee Mees Pierson en H B.V.

2.2. Eiseres heeft in 1995 aandelen verworven in twee Roemeense vennootschappen I BV (99%) en J (100 %) . Deze twee vennootschappen hadden licenties om in Roemenië bier te produceren en te distribueren. De vennootschappen hadden tevens recht op een tax holiday gedurende vijf jaar na aanvang van de productie. Voor de bouw van de brouwerij en een distributiecentrum werd ingeschat dat een investering van circa USD 55 miljoen nodig was.

2.3. Door eiseres is in 1996 USD 10 miljoen ter beschikking gesteld aan J in de vorm van een langlopende renteloze achtergestelde lening. In de leenovereenkomst van 7 oktober 1996 is opgenomen:

3. Repayment

3.1. Subject to the other provisions of this Agreement, and in particular Section 3.2 hereof, the Facility shall be repaid within seven (7) years of the First Disbursement or earlier, but in no event prior to the final maturity date under the Loan Agreements, if one of the following occurs.

- L is liquidated; or

- the general shareholders’ meeting of L has resolved to repay (part of) the Facility to K,

(…).

2.4. In verband met de geldverstrekking heeft eiseres in een schrijven van 24 oktober 1996 een rulingverzoek aan verweerder gedaan. In dit schrijven is opgenomen dat de European Bank for Reconstruction en Development (EBRD) voor het resterende deel van de investering een achtjarige lening heeft verstrekt. Deze lening kent ‘zachte voorwaarden’, zoals een lagere rente dan de marktrente en zachte aflossingsvoorwaarden. Voorts is dit schrijven opgenomen dat de EBRD voor de verstrekking van haar lening als voorwaarde heeft gesteld dat eiseres het geld ter beschikking zou stellen in de vorm van een langlopende renteloze achtergestelde lening en dat de inbreng als kapitaal niet mogelijk is in verband met wettelijke restricties. Het volgende verzoek is in de brief opgenomen:

Verzoek

Namens K verzoek ik u het navolgende te willen bevestigen.

1. De verstrekking van de langlopende renteloze achtergestelde lening door K aan J zal door u als “ at arm’s lenght” worden aanvaard, zoadat K op de lening voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geen fictief interest-inkomen behoeft te verantwoorden. Een en ander geldt slechts indien en zolang de niet-bedongen rente in Roemenie niet als fictieve aftrekpost op de winst van J of I of enige andere met K verbonden vennootschap in mindering kan worden gebracht.

2. De op het door K voor J aangehouden dollardeposito gekweekte rente wordt beschouwd te zijn genoten door K en als zodanig in de belastbare winst van K betrokken.

(...)

4. Deze regeling geldt gedurende de gehele looptijd van de door EBRD verstrekte lening aan J, met dien verstande dat de regeling vervalt indien de lening aan J niet is verstrekt binnen negen maanden na ondertekening door de Belastingdienst van deze brief. (…)

2.5. Het rulingverzoek is op 16 mei 1997 door verweerder “voor accoord” getekend. Daarbij is door verweerder aangetekend dat de accordering met inachtneming van het gestelde in de brief van verweerder van 16 mei 1997 is gedaan. In laatstgenoemde brief is opgenomen:

1. Deze ruling zal gelden voor de periode van ten hoogste vier volledige boekjaren, te rekenen vanaf het moment waarop de activiteiten waarop de ruling betrekking heeft in Nederland zijn aangevangen. De ruling kan daarna verlengd worden (…).

2.6. In een schrijven van 6 augustus 1999 verzoekt eiseres aan verweerder om verlenging van de ruling van 16 mei 1997.

2.7. In een schrijven van 24 oktober 2000 van eiseres aan verweerder wordt additionele informatie verstrekt in verband met het verlengingsverzoek van 6 augustus 1999. In het schrijven van 24 oktober 2000 is het volgende opgenomen:

Nieuwe ontwikkelingen

Zoals uiteengezet in onze brief van 14 augustus 2000 in het kader van de ten name van K geaccordeerde houdsterruling, heeft onlangs, in verband met de toetreding van een nieuwe aandeelhouder, een kapitaalstorting plaatsgevonden in K. In dit verband is een bedrag van USD 14.303.046 (dit is NLG 36.437.009) additioneel kapitaal gestort in deze vennootschap. Ook dit bedrag zal weer gestort worden op een dollardeposito dat ter beschikking staat aan J.

Verzoek

Op de via het dollardeposito door K aan J verstrekte lening is geen rente verschuldigd door J. Terugbetaling van deze lening zal pas plaats kunnen vinden nadat de lening van het EBRD is terugbetaald. Het op het dollardeposito te ontvangen interest zal in het Nederlandse belastbare inkomen van K worden opgenomen.

In de oorspronkelijke ruling van 16 mei 1996 en ons verzoek tot verlening met betrekking verzochten wij het volgende ter goedkeuring:

1. De verstrekking van de langlopende renteloze achtergestelde lening door K aan J zal door u als “ at arm’s lenght” worden aanvaard, zodat K op de lening voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geen fictief interestinkomen behoeft te verantwoorden. Een en ander geldt slechts indien en zolang de niet bedongen rente in Roemenie niet als fictieve aftrekpost op de winst van J of I of enige andere met K verbonden vennootschap in mindering kan worden gebracht.

2. De op het door K voor J aangehouden dollardeposito gekweekte rente wordt beschouwd te zijn genoten door IBN en als zodanig in de belastbare winst van K betrokken

3. Deze regeling geldt gedurende de gehele looptijd van de door EBRD verstrekte lening aan J.

(…)

Wij verzoeken u middels deze brief de bovengenoemde voorwaarden ook van toepassing te verklaren op het onlangs additioneel in K gestorte kapitaal.

2.8. In een schrijven van 5 februari 2001 van verweerder aan eiseres is het volgende opgenomen:

Verzoek om verlenging

In uw brief d.d. 6 augustus 1999 verzoekt u om verlenging van de ruling, die op 16 mei 1997 voor akkoord is getekend. Zoals ik u reeds meldde tijdens onze bespreking d.d. 15 november 2000, heb ik ernstige twijfels omtrent het zakelijke karakter van de verstrekte lening van K aan J. De reden hiervan is het feit dat het ter beschikking stellen van gelden, zonder dat daar een vergoeding tegenover staat, niet snel zal voorkomen tussen derde partijen. Ik heb echter onvoldoende reden om de oorspronkelijke ruling niet te verlengen. (...)

Nieuwe verzoek

In uw brief d.d. 24 oktober 2000 verzoekt u verder te bevestigen dat de door K aan J verstrekte renteloze achtergestelde lening als “at arm’s lenght” wordt aanvaard. Zoals ik u reeds meldde tijdens onze bespreking d.d. 15 november 2000, ben ik van mening dat een dergelijke overeenkomst tussen derden niet zou zijn gesloten. Ik kan dan ook niet aan uw verzoek tegemoetkomen.

2.9. In augustus 2002 is een leenovereenkomst tussen eiseres en J opgemaakt. In deze leenovereenkomst is opgenomen:

CREDIT FACILITY AGREEMENT

This Credit Facility Agreement is made and entered into as of 15 day of May 2000 and amended on 13 day of August 2002 herein after and between:

(…)

1. The facility

Subject to the terms and conditions of this Agreement, K hereby makes available to L a credit facility that shall not exceed the principal amount of fifteen million United States Dollars (US $ 15,000,000) (…)

2. Loan Currency and Interest

(...)

2.2. All the amounts outstanding under the Facility from time to time (hereinafter: the “Advances”) shall bear no interest. Should L make a yearly profit of at least fifty million United States Dollars (US $ 50,000,000), the amounts outstanding under the facility will bear an interest rate to an amount of EURIBOR +1%.

3. Repayment

3.1. L shall repay each Advance in 10 equal semi-annual installments. The first installment shall be due not before 8 years following the date in which the first Advance made available to L.

3.2. Notwithstanding the above, any Advance shall immediately become due and payable upon the occurrence of any of the following events:

- L is liquidated; or

- The general shareholders’ meeting of L has resolved to repay the Advances or any part thereof to K.

It is agreed upon the parties that such shareholder’s resolution may only be adopted and a repayment of the Advances or any part thereof may only be made if such repayment is in accordance with the relevant then applicable provisions regarding capital protection in respect of L and if and to the extent that L’s profits or retained earnings are sufficient for this purpose.

3.3. In the event of a material default by L of any of its obligations or representations pursuant to this Credit Facility Agreement or in the event of the liquidation of L the Advances shall immediately become due for repayment to K.

2.10. Aan eiseres is op 8 februari 2003 de onderhavige aanslag opgelegd. Het bezwaar van eiseres tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2000 wordt onderbouwd door de op 25 mei 2004 ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2000. Eiseres doet deze aangifte in haar functionele valuta, de Amerikaanse dollar. Eiseres geeft in deze aangifte een verlies van USD 147.857 aan.

2.11. In een brief van 16 december 2005 schrijft verweerder dat hij voor de jaren 2000 tot en met 2003 het standpunt inneemt dat er sprake is van een hybride lening waarover een at arm’s lenght beloning dient te worden aangegeven. Voor de correctie heeft verweerder om pragmatische redenen 4 % aangehouden. Dit percentage was eerder in een concept-vaststellingsovereenkomst opgenomen. In een bijlage bij de brief van 16 december 2005 is voor het jaar 2000 een rentebate op de hybride lening van USD 183.200 opgenomen.

2.12. Verweerder vermindert bij uitspraak op bezwaar van 14 januari 2006 de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van USD 35.344.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is de kwalificatie van de door eiseres in 2000 aan J ter beschikking gestelde USD 15.000.000.

Eiseres neemt primair het standpunt in dat de geldverstrekking aan te merken is als informeel kapitaal dan wel een deelnemerschapslening dan wel dat de geimputeerde rente is vrijgesteld op grond van artikel 10, eerste lid, letter d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Subsidiair stelt eiseres dat, indien rente in aanmerking in aanmerking moet worden genomen, het rentepercentage 1,5 bedraagt in plaats van 4.

Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zij niet bestrijdt dat de aangifte te laat is ingediend. De omkering en verzwaring van de bewijslast is terecht toegepast. De hoogte van het bedrag van de correctie staat niet ter discussie.

Tot slot is in geschil of de boete wegens het niet binnen de daartoe gestelde termijn doen van aangifte, terecht is opgelegd.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het verlies op USD 147.857.

Verweerder stelt dat de bewijslast op grond van artikel 27e, aanhef en onder a, Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR) op eiseres rust. Voorts stelt verweerder dat eiseres in 2000 een lening heeft verstrekt aan J. Het gehanteerde percentage van 4 is volgens verweerder niet te hoog vastgesteld omdat de marktrente in het jaar 2000 4,6% bedroeg en in mei 2000 4,7%.

Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat ook wanneer het bedrag van de eerste lening was verhoogd zijn conclusie niet anders zou zijn geweest ten aanzien van het deel van de verhoging. Het percentage van 4 is redelijk, er wordt daarbij geen rekening gehouden met een risico-opslag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

Bewijslast

4.1. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e, aanhef en onder a, van de AWR. Alsdan verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Geldverstrekking

4.2. Voor het antwoord op de vraag of een geldverstrekking door een moedermaatschappij aan een dochtermaatschappij als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is door de Hoge Raad geoordeeld dat de civielrechtelijke vorm van de verstrekking in beginsel beslissend is.

Een uitzondering op deze regel moet worden aanvaard, indien op het moment van de geldverstrekking, sprake is van een schijnlening (HR 3 november 1954, BNB 1954/357), een bodemloze-putlening (HR 27 januari 1988, BNB 1988/217) of een deelnemerschapslening (HR 11 maart 1998, BNB 1998/208).

4.3. De stelling, dat de in geschil zijnde geldverstrekking een informele kapitaalverstrekking aan J is, is door eiseres onderbouwd door erop te wijzen dat noch eiseres, noch J de feitelijke intentie had om de lening terug te betalen. Eiseres verbindt hieraan de conclusie dat er geen vaste looptijd is en er sprake is van een deelnemerschapslening.

In het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1998 (BNB 1998/208) zijn een drietal objectieve criteria geformuleerd voor de herkwalificatie van een schuld in een deelnemerschapslening (kapitaalverstrekking). Uit dit arrest volgt dat van deelhebben door de crediteur in de onderneming van de schuldenaar slechts sprake is als drie omstandigheden zich tezamen voordoen: de vergoeding voor de geldverstrekking is afhankelijk van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld heeft geen vaste looptijd doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie. De rechtbank overweegt dienaangaande dat in punt 3.1 van de hiervoor onder 2.9 bedoelde overeenkomst is bepaald dat de eerste termijn (van de 10 halfjaarlijkse termijnen) door J niet verschuldigd zal zijn voordat 8 jaren zijn verstrekken nadat (een deel) van de lening is verstrekt. Op basis van deze bepaling kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden getrokken, zoals verweerder kennelijk heeft gedaan, dat aflossing van de schuld in maximaal 7 jaar dient plaats te vinden. Vaststaat slechts dat gedurende de eerste 8 jaren, nadat aan J (een deel van) de lening is verstrekt, aflossingen niet opeisbaar zijn. Uit de schriftelijke overeenkomst kan voor het overige ten aanzien van de looptijd niets worden afgeleid. De door eiseres gestelde intentie, dat de lening niet wordt afgelost, is zonder nader bewijs onvoldoende om aan te tonen dat de lening geen vaste looptijd heeft.

Ten aanzien van de vraag in welke gevallen de lening opeisbaar is, is voorts van belang dat in punt 3.2 van de leningsovereenkomst is bepaald dat betalingen aan J opeisbaar zijn als de algemene vergadering van aandeelhouders van J, met inachtneming van de in de overeenkomst opgenomen beperking, hiertoe hebben besloten. Voorts is de lening opeisbaar indien J in gebreke blijft de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na te komen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat op basis van de leningsovereenkomst evenmin is komen vast te staan dat de lening slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie. Dientengevolge behoeven de achterstelling en de winstafhankelijkheid van de geldverstrekking geen bespreking meer.

4.4. Voor zover eiseres met de onder 4.3. opgenomen stelling heeft willen betogen dat sprake is van een schijnlening oordeelt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat eiseres in augustus 2002 schriftelijk de leningsovereenkomst met J heeft vastgelegd, waarin is opgenomen dat J vanaf 15 mei 2000 een dollardeposito van USD 15.000.000 ter beschikking staat. In de brief van 24 oktober 2000 aan verweerder wordt deze geldverstrekking beschreven als een lening waarvan terugbetaling pas plaats zal kunnen vinden nadat de lening van de EBRD is terugbetaald.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat van een schijnhandeling sprake is indien de bedoeling van partijen afwijkt van de gekozen uiterlijke vorm. Met betrekking tot de werkelijke, van de uiterlijke vorm afwijkende, bedoeling van partijen heeft eiseres geen dan wel onvoldoende bewijs bijgebracht. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting bovendien verklaard dat hij niet op de hoogte is van de intenties van partijen ten tijde van de geldverstrekking.

De stelling van eiseres, dat hetgeen in 2000 is overeengekomen terzake van de geldverstrekking afwijkt van de schriftelijke overeenkomst in augustus 2002, heeft eiseres niet nader onderbouwd. Nu ook ter zitting de gemachtigde van eiseres, desgevraagd, niet kon aangeven waar de afwijkingen in gelegen waren gaat de rechtbank hieraan voorbij.

Het vorenstaande houdt in dat de in geschil zijnde geldverstrekking niet als schijnlening dient te worden gekwalificeerd.

4.5. Voor zover eiseres nog heeft bedoeld te stellen dat sprake is van een geldverstrekking onder omstandigheden waarin het eiseres aanstonds duidelijk moest zijn dat die geldverstrekking redelijkerwijs niet zou kunnen worden terugbetaald (bodemlozeput-lening), faalt deze stelling eveneens. Eiseres heeft immers de omstandigheden die voor deze stelling relevant zouden kunnen zijn, zoals die betreffende de kredietwaardigheid van de debiteur ten tijde van de geldverstrekking en die betreffende de aard respectievelijk de omvang van het risico dat met de gefinancierde activiteiten was gemoeid, niet met hierop betrekking hebbende gegevens gestaafd. Eiseres heeft derhalve niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast.

4.6. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat eiseres er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de in geschil zijnde geldverstrekking als kapitaalverstrekking dient te worden aangemerkt.

4.7. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij, nu zij voor de eerdere geldverstrekking in 1996 een ruling heeft verkregen, hieraan het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat ook latere geldverstrekkingen met een zelfde karakter onder deze ruling vallen. De rechtbank oordeelt dat het bepaalde in de ruling uitsluitend betrekking heeft op de geldverstrekking in 1996. Verweerder heeft bovendien in zijn brief van 5 februari 2001 reeds aan eiseres laten weten dat er ten aanzien van de eerste geldverstrekking in 1996 twijfels zijn over de verlenging van de ruling. Ook uit de overige gedingstukken blijkt niet dat de geldverstrekking in 2000 onder de ruling zou vallen. Dat de geldverstrekking in 2000 een min of meer zelfde karakter heeft als de geldverstrekking in 1996 doet aan voormeld oordeel niet af. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Rentepercentage

4.8. Verweerder heeft in zijn berekening van de rente een percentage van 4 gehanteerd.

Eiseres heeft aangevoerd dat, indien al rente berekend zou moeten worden, een percentage van 1,5 gehanteerd moet worden. Daarbij verwijst zij naar de dollarrente.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat niet bij het door eiseres voorgestane rentepercentage kan worden aangesloten omdat zij dit percentage niet nader heeft onderbouwd. Het lag op de weg van eiseres om het gestelde percentage te onderbouwen met documenten etc. waaruit het door haar gestelde percentage kon worden afgeleid. De door verweerder gehanteerde marktrente van 4 % komt de rechtbank niet te hoog voor.

De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres niet heeft aangetoond dat het door verweerder gehanteerde rentepercentage onjuist is.

Verzuimboete

4.10. Met betrekking tot de verzuimboete oordeelt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 67a van de AWR, kan de inspecteur een boete opleggen indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van die wet, gestelde termijn heeft gedaan. Laatstgenoemd artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat de inspecteur de belastingplichtige nadat een uitnodiging daartoe vruchteloos is gebleken, kan aanmanen binnen een door hem gestelde termijn aangifte te doen. Van een verzuim in voornoemde zin is naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur.

4.11. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de boete is voldaan; dit betekent dat hij aannemelijk dient te maken dat eiseres is aangemaand tot het doen van aangifte. Verweerder heeft hiertoe niets aangedragen. Nu verweerder niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres is aangemaand in voornoemde zin, komt de grondslag aan de boete te ontvallen. De boetebeschikking moet worden vernietigd.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten als volgt vastgesteld: 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 1½ (gewicht van de zaak) x € 322 (waarde per punt) = € 966.

6. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep voor zover het de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking betreft ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover het de boetebeschikking betreft gegrond;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 276 aan eiseres te vergoeden; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een beloop van € 966 en wijst de Staat aan dit bedrag aan eiseres te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan op 18 september 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.J. Leijdekker, voorzitter, en mrs. A.P.M. van Rijn en H.A. Tulp in tegenwoordigheid van mr. H. Schiltkamp, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.