Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:BB2862

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
05/3262
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige aanslag terecht verrekend met definitieve aanslag. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3262

Uitspraakdatum: 13 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

verweerder.

1.Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 24 december 2004 is aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Daarbij is het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek bij afzonderlijke beschikking vastgesteld op € 3.636. Daarbij is voorts bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 142 aan heffingsrente vastgesteld.

Eiser heeft tegen deze aanslag bezwaar ingediend, welke door verweerder is ontvangen op 4 februari 2005. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 17 juli 2005 beroep ingesteld. Eiser heeft bij brief van 25 augustus 2005 zijn beroep nader gemotiveerd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2006 te Haarlem. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A en B. Met instemming van partijen zijn de zaken 05/4297 en 05/3262 van eiser gelijktijdig behandeld.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 16 februari 2004 is door de belastingdienst de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 ontvangen. Het in de aangifte aangegeven inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek bedroeg € 2.012. Voorts is een persoonsgebonden aftrek aangegeven van € 5.648 en een restant persoonsgebonden aftrek over 2001 van € 5.947. Bij de vraag betreffende de heffingskortingen zijn de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting en de combinatiekorting aangekruist.

2.2. Op 30 juli 2004 is aan eiser een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Op grond van deze voorlopige aanslag is aan eiser een bedrag van € 7.138 uitgekeerd, bestaande uit € 2.541 aan gecombineerde heffingskorting, € 4.273 aan ingehouden voorheffingen en € 324 aan heffingsrente.

2.3. De echtgenote van eiser heeft in 2002 € 1.322 aan looninkomsten genoten. Hierover is € 228 aan loonheffing ingehouden. In 2002 heeft zij geen aangifte gedaan.

2.4. Op 24 december 2004 is de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 vastgesteld naar een belastbaar inkomen van nihil. Bij deze definitieve aanslag is de voorlopige aanslag met de eerder uitgekeerde gecombineerde heffingskorting verrekend. Op grond van deze aanslag dient eiser een bedrag van € 2.455 terug te betalen. Dit bedrag bestaat uit € 2.313 terug te betalen gecombineerde heffingskorting (€ 2.541 uitbetaald bij de voorlopige aanslag verminderd met € 228 zijnde de door de echtgenote van eiser betaalde loonheffing) en € 142 heffingsrente.

3.Geschil

In geschil is:

-Of verweerder de aanslag terecht heeft opgelegd, meer in het bijzonder of verweerder de voorlopige aanslag, waarbij de gecombineerde heffingskorting aan eiser is toegekend, terecht heeft verrekend met de definitieve aanslag;

-of de beschikking “niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek” naar een juist bedrag is vastgesteld;

-of op het aanslagbiljet ten onrechte geen te verrekenen verliezen zijn vermeld;

-of op het aanslagbiljet ten onrechte geen gestalde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is vermeld;

-of eiser terecht niet is gehoord in de bezwaarprocedure en

-of eiser met betrekking tot de gehele gang van zaken een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan doen.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij tevens de op de definitieve aanslag vermelde heffingsrente betwist.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van welke de stukken als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

4.Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht: dat eiser met betrekking tot de bij afzonderlijke beschikking vastgestelde niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek een punt heeft, namelijk dat het bedrag van de beschikking € 9.583 bedraagt in plaats van € 3.636, welk bedrag bestaat uit het restant van de persoonsgebonden aftrek in 2001 ad € 5.947 en de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek in 2002 ad € 3.636. Verweerder concludeert dat het beroep in zoverre gegrond is. Eiser heeft hiermee ter zitting ingestemd. De rechtbank ziet geen reden partijen hierin niet te volgen, ook niet in de omstandigheid dat de uitdraai van de resultatennota van de onderhavige aanslag wel het juiste bedrag van de onverrekende persoonsgebonden aftrek vermeldt.

4.2. Ten aanzien van de vraag of aan de voorlopige aanslag het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat de definitieve aanslag dienovereenkomstig zal worden opgelegd, overweegt de rechtbank het volgende.

4.2.1. In het algemeen is de inspecteur niet ertoe verplicht bij de vaststelling van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag of een vermindering daarvan. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan in de weg. De voorlopige aanslag schept slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en hij pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Bij de vaststelling van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan ligt een grondig onderzoek van de zijde van de belastingadministratie derhalve niet voor de hand.

De evenvermelde regel dient echter uitzondering te lijden indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden voor een uitzondering als hier bedoeld. (HR 17 januari 2003, nr. 37.463, V-N 2003/13.4).

4.2.2. Omstandigheden in laatstgenoemde zin, zijn gesteld noch gebleken. Het past bij de hiervoor omschreven aard en wijze van totstandkoming van de voorlopige aanslag dat bij de vaststelling daarvan nog geen rekening wordt gehouden met de inkomensgegevens van de partner van de belastingplichtige en dat daarbij voor de verhoging van de gecombineerde heffingskorting op de voet van artikel 8.9. van de Wet inkomstenbelasting 2001, ervan uit wordt gegaan dat de gecombineerde inkomensheffing van de meestverdienende partner voldoende toereikend is voor die verhoging. De enkele omstandigheid dat, naar eiser stelt, alle relevante gegevens met betrekking tot de inkomens van hem en zijn echtgenote reeds bij het opleggen van de voorlopige aanslag bij verweerder bekend waren omdat op dat moment reeds aangifte was gedaan over het onderhavige jaar, leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

Het door eiser aangevoerde kan niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Overigens pleegt – zoals verweerder aan de hand van een voorlopige aanslag bij wijze van voorbeeld heeft toegelicht - op de voorlopige aanslag te worden vermeld dat de belastingdienst de gegevens in de aangifte nog gaat controleren, dat de definitieve aanslag af kan wijken van de voorlopige en dat de belastingplichtige wellicht een bedrag dient terug te betalen. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijk voorbehoud op de voorlopige aanslag van eiser ontbreekt.

4.3 De door eiser ingenomen stelling dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, wordt verworpen nu eiser deze stelling niet nader heeft onderbouwd. De enkele stelling dat de gang van zaken in strijd is met het gelijkheidsbeginsel acht de rechtbank in dit verband onvoldoende.

4.4. Ten aanzien van de grieven dat op het aanslagbiljet ten onrechte geen te verrekenen verliezen uit werk en woning of gestalde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zijn vermeld, overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.1. Gelet op de vaststaande feiten (onderdeel 2.1) is in het onderhavige jaar geen sprake van een verlies, zodat van vaststelling van een verlies op de voet van artikel 3.151 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen sprake kan zijn. Geen rechtsregel verplicht ertoe onverrekend gebleven verliezen uit voorgaande jaren – zo daarvan in het onderhavige geval al sprake zou zijn – op het aanslagbiljet van het daaropvolgende jaar te vermelden. Voor zover eiser meent dat onverrekend gebleven verliezen uit voorgaande jaren bij afzonderlijke (carry forward) beschikking hadden moeten worden verrekend met inkomen uit werk en woning van het onderhavige jaar, overweegt de rechtbank het volgende. Aan de hand van computeruitdraaien van carry-backbeschikkingen van 15 juli 2003 en 22 juli 2003, waarbij verliezen over 2000 en 2001 volledig zijn verrekend met het inkomen van eiser uit 1999, heeft verweerder naar het oordeel van rechtbank aannemelijk gemaakt dat op het moment van het opleggen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 geen te verrekenen verliezen openstonden. Van te verrekenen verliezen uit andere jaren is gesteld noch gebleken. De grief dat een bedrag aan te verrekenen verliezen op het aanslagbiljet had moeten worden vermeld, wordt derhalve door de rechtbank verworpen.

4.4.2. Omdat in verband met de achterwaartse verliesverrekeningen in 1999 niet voor het gehele buitenlandse inkomen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting kon worden verleend, dient het resterende bedrag in een later jaar in aanmerking te worden genomen. Dit ‘gestalde’ bedrag kan echter – zoals verweerder terecht meent – in het onderhavige jaar niet in aanmerking worden genomen omdat het (belastbare) inkomen uit werk en woning van belanghebbende in het onderhavige jaar nihil bedraagt. Vermindering ter voorkoming van dubbele belasting is derhalve niet mogelijk. Er is voorts -anders dan eiser meent - geen rechtsregel die ertoe verplicht om het totaalbedrag van gestalde bedragen van voorgaande jaren op het aanslagbiljet te vermelden. Het beroep is in zoverre ongegrond.

4.5. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij tijdens de bezwaarprocedure onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. Ingevolge artikel 25, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), wordt de belanghebbende gehoord op zijn verzoek. Uit de stukken blijkt niet dat eiser heeft verzocht om op zijn bezwaarschrift te worden gehoord. Dat is evenmin gesteld. Reeds om die reden faalt het beroep op dit punt. Verweerder heeft bovendien in zijn brief van 13 mei 2005 eiser in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Hiervan heeft eiser kennelijk geen gebruik gemaakt.

4.6. Het beroep richt zich mede tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. Het bedrag van de heffingsrente is, conform artikel 30j, lid 2 AWR, afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Op het aanslagbiljet is onder de kop “Bezwaar maken” vermeld dat tegen de aanslag een bezwaarschrift kan worden ingediend. Een dergelijke vermelding ontbreekt echter met betrekking tot de beschikking inzake heffingsrente, zulks in strijd met artikel 3:45 Awb. Niet is gebleken dat het bezwaarschrift mede was gericht tegen het bedrag van de heffingsrente. Nadat verweerder het bezwaarschrift had afgewezen, heeft eiser daartegen beroep ingesteld, welk beroep zich mede richt tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. De vraag rijst of het beroep ontvankelijk is voorzover het betrekking heeft op de beschikking inzake heffingsrente.

4.6.1. Het in het bezwaarschrift opgenomen standpunt dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, impliceert dat een te hoog bedrag aan heffingsrente in rekening is gebracht. De rechtbank is van oordeel dat een bezwaar tegen een aanslag tevens moet worden opgevat als een bezwaar tegen een beschikking inzake heffingsrente indien het bedrag van de heffingsrente op het aanslagbiljet is vermeld, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die op het tegendeel wijzen. In het onderhavige geval is van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken. Nu verweerder op het bezwaar tegen de beschikking inzake heffingsrente niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat in de onderhavige uitspraak op bezwaar ook de beslissing ligt besloten om de beschikking inzake heffingsrente te handhaven. Een andere opvatting zou naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doen aan de gerechtvaardige belangen van een belastingplichtige een dergelijke beschikking in rechte op juistheid te kunnen laten toetsen. Dit klemt in het onderhavige geval temeer, nu het aanslagbiljet met betrekking tot de beschikking inzake heffingsrente geen adequate rechtsmiddelen bevat. De rechtbank acht het beroep derhalve ontvankelijk voorzover het betrekking heeft op de beschikking inzake heffingsrente.

4.6.2. Ingevolge artikel 30f en 30h van de AWR wordt heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld en wordt de heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van de belastingaanslag. De wettelijke regeling biedt naar tekst en de strekking geen ruimte om in een geval als het onderhavige het in rekening brengen van de heffingsrente achterwege te laten dan wel te verminderen. Eiser heeft ook geen zelfstandige grief gericht tegen de in rekening gebrachte heffingsrente.

4.7. Gelet op het in onderdeel 4.1 overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder met inachtneming van artikel 8:75 AWB en het besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht veroordelen in de kosten die eiser met het oog op het bijwonen van de zitting heeft gemaakt. Vanwege het feit dat eiser reeds in de procedure met nummer 05/4297, welke ter zitting gelijktijdig zijn behandeld, proceskostenvergoeding heeft ontvangen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser een hogere vergoeding te geven dan reeds is toegekend in voornoemde procedure.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-handhaaft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 op een belastbaar bedrag van nihil;

-handhaaft de beschikking heffingsrente;

-stelt de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast op een bedrag van € 9.583;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën)het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.