Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:BA6152

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
15/501084-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne; koerier. Verdachte is in opdracht van een ander met twee op haar benen geplakte pakketten met daarin cocaïne Nederland ingereisd. Op Schiphol zou verdachte worden opgehaald door een medeverdachte waarna de cocaïne verder vervoerd zou worden. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van bijna twee kilo van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/501084-06

Uitspraakdatum: 5 december 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 november 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Ter Peel Evertsoord te Evertsoord.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 14 augustus 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1977,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

zij op 14 augustus 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1977 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Vordering van de officier van justitie en motivering van de sanctie

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het tenlastegelegde feit bewezen geacht en gevorderd dat de rechtbank verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen vliegticket, de claimtag, de instapkaarten en het geldbedrag van 1.150 dollar verbeurd verklaard worden.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in opdracht van een ander met twee op haar benen geplakte pakketten met daarin cocaïne Nederland ingereisd. Op Schiphol zou verdachte worden opgehaald door een medeverdachte waarna de cocaïne verder vervoerd zou worden. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van bijna twee kilo van een materiaal bevattende cocaïne.

Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vliegticket, een claimtag en instapkaarten, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die aan verdachte toebehorende voorwerpen is begaan.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven geld, te weten $ 1.150,- dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaïne binnen Nederland heeft gebracht. Verdachte heeft voorts aangegeven dat zij voor haar vertrek een bedrag van $1.300,- heeft meekregen en dat zij daarvan $ 150 dollar aan een reisverzekering heeft uitgegeven. Het in beslaggenomen geldbedrag is derhalve aan die invoer dienstbaar gemaakt, zodat het bewezen verklaarde met behulp van dat geld is begaan. Verdachte heeft bovendien verklaard dat zij voor het drugstransport een beloning zou ontvangen, zodat aangenomen kan worden dat het restant van het bedrag, voorzover het niet aan de invoer dienstbaar zou zijn, als beloning voor het bewezenverklaarde feit zou dienen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- Geld buitenlands 11 stuks à 100 dollar

- Geld buitenlands 2 stuks à 20 dollar

- Geld buitenlands 1 stuks van 10 dollar

- 1.00 STK Vliegticket KLM

- 1.00 STK Instapkaart KLM

- 1.00 STK Instapkaart TAM

- 1.00 STK Instapkaart TAM

- 1.00 STK Claimtag TAM

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Odink, voorzitter,

mrs. Toeter en Steenmetser-Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Antonos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 december 2006.