Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ9085

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
15/600076-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van art. 6 WVW 1994. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting de heer [getuige 1] en mevrouw [getuige 2] als getuigen opgeroepen. De raadsman is van mening dat de verklaringen van deze getuigen verschillend zijn op het punt van de toedracht van het ongeval, zodat de verklaring van getuige [getuige 1] niet mee kan werken voor het bewijs. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2], gelet op de positie van de beide getuigen op het moment dat het ongeval plaatsvond en het moment waarop het ongeval door de beide getuigen werd waargenomen, niet met elkaar in tegenspraak zijn, doch aanvullend zijn en dat beiden mee kunnen werken voor het bewijs van het tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/600076-06

Uitspraakdatum: 05 december 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 november 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 15 oktober 2005 te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over (de voor het openbaar verkeer openstaande weg) de Havenmeesterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij toen daar rijdende over de -gezien zijn rijrichting- rechterrijstrook van die weg,

gekomen nabij en/of ter hoogte van het Martinairgebouw en/of de parkeergarage P2 een in die weg in de middenberm gelegen doorsteek roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onnadenkend en/of ondeskundig gereden, door

bij het (abrupt) naar links afslaan, teneinde die doorsteek in/op te rijden, een op de linkerrijstrook rijdende bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), niet voor te laten gaan, maar die linkerrijstrook op te rijden

en/of

bij het (abrupt) uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, te weten het wisselen van de -gezien verdachtes rijrichting- rechterrijstrook naar de linkerrijstrook, een op die linkerrijstrook rijdende bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) niet voor te laten gaan, maar die linkerrijstrook op te rijden

terwijl toen die bestuurder van die motorfiets zich (zo) dicht achter, althans naast hem -verdachte- bevond, waarna of (mede) waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen dat door hem -verdachte- bestuurde motorrijtuig en de bestuurder van dat andere motorrijtuig (motorfiets),

waardoor die bestuurder van die motorfiets, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten 7, althans een of meer gebroken rib(ben) links en/of een gebroken linkerschouderblad en/of een gebroken linkersleutelbeen en/of een gebroken linkeroogkas en/of een gebroken linkerjukbeen en/of een gedeeltelijke klaplong links, in elk geval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 15 oktober 2005 te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op/over de -gezien zijn rijrichting- rechterrijstrook van de weg, de Havenmeesterweg,

-gekomen nabij en/of ter hoogte van het Martinairgebouw en/of de parkeergarage P2 een in die weg in de middenberm gelegen doorsteek,

*bij het (abrupt) naar links afslaan, teneinde die doorsteek in/op te rijden, een bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), die op dezelfde weg zich naast, althans zich links dicht achter hem (op de linkerrijstrook) bevond, niet heeft voor laten gaan

en/of

*bij het (abrupt) uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, te weten het wisselen van de -gezien verdachtes rijrichting- rechterrijstrook naar de linkerrijstrook, een op de linkerrijstrook rijdende bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) niet heeft voor laten gaan,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

en/of

hij op of omstreeks 15 oktober 2005 te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Havenmeesterweg, bij het naar links afslaan, teneinde een nabij en/of ter hoogte van het Martinairgebouw en/of de parkeergarage P2 in de middenberm gelegen doorsteek in/op te rijden, een bestuurder van een voertuig (motorfiets), die op dezelfde weg zich naast, althans zich links dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

en/of

hij op of omstreeks 15 oktober 2005 te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Havenmeesterweg, van rijstrook is gewisseld zonder een een bestuurder van een motorfiets voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

- Bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit;

- Werkstraf voor de duur van vijftig (50) uren te vervangen door vijfentwintig (25) dagen hechtenis;

- Voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht (8) maanden met een proeftijd van twee (2) jaren.

4. Bewijs

4.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat hij op 15 oktober 2005 te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Havenmeesterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij toen daar rijdende over de -gezien zijn rijrichting- rechterrijstrook van die weg,

gekomen bij een nabij het Martinairgebouw in die weg in de middenberm gelegen doorsteek,

in aanzienlijke mate onvoorzichtig en onoplettend gereden, door

bij het (abrupt) naar links afslaan, teneinde die doorsteek in te rijden, een op de linkerrijstrook rijdende bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), niet voor te laten gaan, maar die linkerrijstrook op te rijden

terwijl toen die bestuurder van die motorfiets zich zo dicht achter, althans naast hem -verdachte- bevond, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen dat door hem -verdachte- bestuurde motorrijtuig en de bestuurder van dat andere motorrijtuig (motorfiets),

waardoor die bestuurder van die motorfiets, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten 7 gebroken ribben links en een gebroken linkerschouderblad en een gebroken linkeroogkas en een gebroken linkerjukbeen heeft opgelopen.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee District Schiphol, Brigade Algemene Politiedienst, dossiernummer PL278B/05-006567, gesloten op 8 november 2005, dossierpagina 12 (verklaring van verdachte);

2. Het proces-verbaal opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee District Schiphol, Brigade Algemene Politiedienst, dossiernummer PL278B/05-006567, gesloten op 8 november 2005, mutatienummer PL278B/05-089426, dossierpagina 9 (verklaring van het slachtoffer [slachtoffer]);

3. Het proces-verbaal opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee District Schiphol, Brigade Algemene Politiedienst, dossiernummer PL278B/05-006567, gesloten op 8 november 2005, mutatienummer PL278B/05-089426, dossierpagina 10 (verklaring van getuige [getuige 1]);

4. Het proces-verbaal opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee District Schiphol, Brigade Algemene Politiedienst, dossiernummer PL278B/05-006567, gesloten op 8 november 2005, mutatienummer PL278B/05-089426, dossierpagina 11 (verklaring van getuige [getuige 2]);

5. Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse Revo 05-1170, opgemaakt door de politie Kennemerland, Divisie Operationele Ondersteuning, d.d. 03 december 2005;

6. De medische verklaring van dokter P.A. van Luijt van 1 december 2005, dossiernummer PL278B/05-006567, mutatienummer PL278B/05-089426;

7. De medische verklaring van de huisarts van het slachtoffer van 9 januari 2006, dossiernummer PL278B/05-006567, mutatienummer PL278B/05-089426;

8. De verklaring van getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting

9. De verklaring van getuige [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting en

10. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

4.3 Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting de heer [getuige 1] en mevrouw [getuige 2] als getuigen opgeroepen. De raadsman is van mening dat de verklaringen van deze getuigen verschillend zijn op het punt van de toedracht van het ongeval, zodat de verklaring van getuige [getuige 1] niet mee kan werken voor het bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2], gelet op de positie van de beide getuigen op het moment dat het ongeval plaatsvond en het moment waarop het ongeval door de beide getuigen werd waargenomen, niet met elkaar in tegenspraak zijn, doch aanvullend zijn en dat beiden mee kunnen werken voor het bewijs van het tenlastegelegde.

Getuige [getuige 1] bevond zich recht tegenover de onderhavige doorgang in de middenberm waarboven buizen lopen en keek in de richting van de parkeergarage P2. Anders gezegd, getuige [getuige 1] zag het ongeval van opzij. Getuige [getuige 1] heeft bovendien verklaard dat hij al naar het busje van verdachte en de motor van het slachtoffer keek, voordat de aanrijding plaatsvond. Getuige [getuige 1] geeft als reden hiervoor op dat hij een passie heeft voor motoren, zodat zijn aandacht door het geluid van de motor werd getrokken. Getuige [getuige 1] had dus een goed overzicht over de situatie ter plaatse. Hij heeft verklaard dat hij zag dat de motor achter het busje reed en dat de motor harder reed dan het busje. Verder heeft hij verklaard dat hij zag dat de motor het linker voorwiel van het busje raakte.

Getuige [getuige 2] was net uit de bus gestapt en zag – gezien vanuit haar looprichting, die in tegengestelde richting van de (aanvankelijke) rijrichting van de motor en het busje was – het ongeval schuin rechts – op een afstand van 7-10 meter - vóór haar gebeuren. Anders gezegd, getuige [getuige 2] zag het busje en de motor op zich af komen rijden. Zij heeft verklaard dat het busje, toen zij het zag, op de – voor het busje - linker rijstrook reed. Volgens haar verklaring reed de motor vóór het busje. De motor reed volgens getuige [getuige 2] minder hard dan het busje. Zij heeft bovendien verklaard dat het busje de achterkant van de motor raakte, toen het busje - zonder richting aan te geven - naar links afsloeg en dat ze verbaasd was dat de motor door zo’n kleine tik van het busje zo uit balans kon raken.

Naar aanleiding van deze getuigenverklaringen ter terechtzitting komt de rechtbank tot de conclusie dat getuige [getuige 2] het ongeval pas heeft waargenomen vlak voordat de motor voor het busje langs schoof. Getuige [getuige 2] heeft derhalve kennelijk alleen de laatste tik van het busje tegen de achterkant van de motor gezien, maar zij heeft niet gezien dat het busje de motor ook al eerder had geraakt. Dit laatste verklaart waarom de motor zo uit balans kon raken van wat in de ogen van getuige [getuige 2] slechts een kleine tik was.

Een en ander verklaart bovendien waarom getuige [getuige 1] verklaart dat het busje op de voor het busje rechter rijstrook reed en plotseling naar links ging, terwijl getuige [getuige 2] aangeeft dat het busje op de voor het busje linker rijstrook reed: op het moment dat getuige [getuige 2] het ongeval waarnam, had het busje de beweging naar links vanaf de rechter rijstrook al ingezet. Ook het feit dat getuige [getuige 1] verklaart dat de motor harder reed dan het busje en achter het busje reed, terwijl getuige [getuige 2] verklaart dat de motor langzamer reed dan het busje en juist vóór het busje reed, kan worden verklaard doordat getuige [getuige 2] het ongeval op een later moment waarnam dan getuige [getuige 1]. Op het moment dat getuige [getuige 2] het ongeval waarnam, schoot de motor al voor het busje langs en zal de motor door de aanrijding vermoedelijk het gas al hebben losgelaten en zijn gaan remmen, zoals getuige [getuige 1] al had waargenomen.

De verklaringen van de getuigen op het punt van de toedracht van het ongeval zijn naar het oordeel van de rechtbank dus aanvullend.

De rechtbank is dan ook van mening dat het ongeval heeft plaatsgevonden, zoals door het slachtoffer en door getuige [getuige 1] is verklaard. Uitgaande van deze toedracht van het ongeval oordeelt de rechtbank dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van art. 6 WVW 1994.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte reed op 15 oktober 2005 over de Havenmeesterweg te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer. Hij was op zoek naar het bedrijf waar hij europallets moest ophalen. Op enig moment zag hij aan de overkant van de weg waarop hij reed, een groot bord met daarop de naam van het bedrijf waar hij moest zijn. Teneinde op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te kunnen komen - welke rijbaan hij blijkens genoemd bord diende te volgen - heeft verdachte, rijdend in een busje met een vermoedelijk grote draaicirkel, vanaf de rechterrijstrook in één keer, zonder richting aan te geven, een zogenaamde U-turn willen maken onder de buizen door naar de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer. Hierbij heeft verdachte de bestuurder van een motorfiets, [slachtoffer], aangereden. Verdachte heeft derhalve in aanzienlijke mate onoplettend gereden door onvoldoende maatregelen te nemen om zich ervan te vergewissen dat hij de bocht kon inzetten en vervolgen zonder daarbij andere verkeersdeelnemers aan te rijden. De heer Maaskant heeft als gevolg van deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten zeven gebroken ribben, een gebroken linkerschouderblad, een gebroken linkeroogkas en een gebroken linkerjukbeen.

In hetgeen in het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht omtrent de belangen van verdachte bij het kunnen beschikken over zijn rijbewijs in verband met zijn functie waarbij hij zijn rijbewijs E nodig heeft, vindt de rechtbank aanleiding om een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen van na te noemen duur.

De rechtbank acht genoemde rijstijl van verdachte ten tijde van het ongeval echter dermate onvoorzichtig en onoplettend dat zij aanleiding ziet om een hoger aantal uren taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175 en 179

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van vijfenzeventig (75) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door zevenendertig (37) dagen hechtenis.

De taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht (8) maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.C.J. Robert, voorzitter,

mrs. J.M.J. Vos-De Greeve en P.M.F. Greuter, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A.M. Jansen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 05 december 2006.

Mr. Vos-De Greeve is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.