Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ7035

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
15/660601-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handelen in cocaïne en XTC; medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Verdachte heeft gedurende een periode van vijftien maanden samen met haar toenmalige vriend en zijn broer cocaïne en MDMA bevattende pillen, hierna aan te duiden als xtc-pillen, verhandeld. Hoewel verdachte en haar mededaders voornamelijk leverden aan recreatieve gebruikers, rekent de rechtbank het haar niettemin zwaar aan dat zij zich met deze handel heeft ingelaten. Cocaïne en xtc-pillen zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De verspreiding van en handel in cocaïne en xtc-pillen gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen. Door het handelen in harddrugs heeft verdachte hieraan bijgedragen. Verdachte heeft dit enkel uit winstbejag gedaan. Van het geld wat met de drugshandel werd verdiend werd niet alleen de huur betaald, maar werden ook luxe goederen aangeschaft. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf op haar plaats is dan één die vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/660601-06

Uitspraakdatum: 22 december 2006

Verstek

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 december 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

zij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 9 januari 2006 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verkocht en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties

6.1 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gevorderd:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- oplegging van een werkstraf van tweehonderdveertig uren bij het niet vervullen daarvan te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen en voltooien van een behandeling bij De Waag.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege Reclassering Nederland, regio Alkmaar-Haarlem, unit Haarlem uitgebrachte rapport van 26 oktober 2006.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van vijftien maanden samen met haar toenmalige vriend en zijn broer cocaïne en MDMA bevattende pillen, hierna aan te duiden als xtc-pillen, verhandeld. Hoewel verdachte en haar mededaders voornamelijk leverden aan recreatieve gebruikers, rekent de rechtbank het haar niettemin zwaar aan dat zij zich met deze handel heeft ingelaten. Cocaïne en xtc-pillen zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De verspreiding van en handel in cocaïne en xtc-pillen gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen. Door het handelen in harddrugs heeft verdachte hieraan bijgedragen. Verdachte heeft dit enkel uit winstbejag gedaan. Van het geld wat met de drugshandel werd verdiend werd niet alleen de huur betaald, maar werden ook luxe goederen aangeschaft. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf op haar plaats is dan één die vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ten voordele van verdachte rekening gehouden met haar jeugdige leeftijd en met het feit dat zij niet eerder in aanraking is geweest met justitie. Voorts heeft de rechtbank er in haar voordeel rekening gehouden met de omstandigheid dat haar melding bij de politie de aanleiding was voor het onderzoek in deze zaak, zij het dat de rechtbank wel haar vraagtekens plaatst bij de motieven die verdachte had om tot de melding over te gaan. Deze omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een lagere straf moet worden opgelegd dan voor soortgelijke in vergelijkbare omstandigheden gepleegde feiten wordt opgelegd, zij het dat deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig zwaarwegend zijn dat met een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf en een werkstraf kan worden volstaan, gelijk de officier van justitie heeft gevorderd. Wel ziet de rechtbank in genoemde omstandigheden aanleiding om een deel van de op te leggen vrijheidsstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst (soortgelijke) strafbare feiten te begaan. De rechtbank zal daar niet de bijzondere voorwaarde aan verbinden, die door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij op basis van het rapport van de reclassering geen noodzaak daartoe ziet.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: art. 14a, 14b, 14c, 47.

Opiumwet: art. 2 en 10.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot drie (3) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Bijvoet, voorzitter,

mrs. Van Dijk en Steenmetser-Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Meesters,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2006.